Prediker 12:13-14
De grote vraag, die Salomo in dit boek onderzoekt en overweegt, is: wat het goede is dat de kinderen van de mensen doen moeten? Hoofdstuk 2:3. Wat is de ware weg naar waar geluk, het onfeilbare middel om ons grote doel te bereiken? Hij had het tevergeefs gezocht onder de dingen, die de meeste mensen ijverig najagen, maar hier heeft hij het nu eindelijk gevonden door de hulp van de ontdekking, die God vanouds aan de mens gedaan heeft Job 28:28. Deze ernstige godsvrucht is de enige weg tot waar geluk. Laat ons het einde of de slotsom van geheel de zaak horen, vers 13, het antwoord op de vraag, de uitkomst van dit naarstige onderzoek, gij zult alles, wat ik bij dat onderzoek op het oog had, hebben in twee woorden. Hij zegt niet: Hoor gij het, maar laat ons het horen, want predikers moeten zelf hoorders zijn van het woord, dat zij prediken tot anderen, moeten het horen als komende van God, diegenen zijn slechts leraren ten halve, die anderen onderwijzen, en niet zichzelf, Romeinen 2:21. Ieder woord van God is rein en kostelijk, maar sommige woorden zijn zeer bijzonder opmerkenswaardig, zoals dit woord hier. De Masoreten beginnen het met een hoofdletter, zoals Deuteronomium 6:4. Salomo zelf voegt er een "Let wel" aan toe, aandacht vragende in deze woorden: Laat ons de slotsom van de zaak horen.
Merk hier op:
1. De hoofdsom of korte inhoud van de godsdienst. Alle twistige samensprekingen ter zijde latende, zegt hij: Godsdienstig te zijn is God te vrezen en Zijn geboden te houden.
a. De wortel van de godsdienst is de vreze Gods, heersende in het hart, eerbied voor Zijn majesteit en voor Zijn gezag, en vrees voor Zijn toorn. Vrees God, aanbid God, geef Hem de eer Zijns naams, bij alle innerlijke en uitwendige Godsverering. Zie Openbaring 14:7.
b. De regel van de godsdienst is de wet van God, geopenbaard in de Schrift. Ons vrezen van God moet geleerd worden door Zijn geboden, Jesaja 29:13, en deze moeten wij houden en zorgvuldig waarnemen. Waar de vreze Gods het hoogste is in het hart, daar zal acht worden gegeven op al Zijn geboden, en zorg worden gedragen om ze te houden. Tevergeefs zeggen wij dat wij God vrezen, indien wij er ons niet steeds ons geweten op toeleggen om onze plicht jegens Hem te volbrengen.
2. Het grote gewicht en belang ervan. Dit is de gehele plicht des mensen vers 13. Het is zijn gehele werk en geheel zijn zaligheid, onze gehele plicht is hierin saamgevat, en al ons heil, onze vertroosting is er mee verbonden. Het is het belang van ieder mens en behoort zijn voornaamste en voortdurende zorg te zijn, het is het algemene belang van alle mensen, al hun tijd moet daaraan gewijd worden. Het is van geen belang of betekenis voor een mens of hij rijk of arm is, hoog of laag is in de wereld, maar het is de voornaamste zaak, het is alles voor de mens om God te vrezen en te doen wat Hij hem gebiedt.
3. Een krachtige beweegreden hiervoor, vers 14. Wij zullen zien van hoe grote gevolgen het voor ons is om godsdienstig te zijn als wij bedenken dat wij, een ieder van ons weldra rekenschap af te leggen zullen hebben voor God, daaraan ontleende hij zijn argument tegen een wellustig, ondeugdzaam leven, Hoofdstuk 11:9, en hier voor een godsdienstig leven. God zal ieder werk in het gericht brengen. Er is een toekomend gericht, waarin de eeuwige staat van ieder mens voorgoed vastgesteld en bepaald zal worden. God zelf zal de rechter wezen, de God mens zal het zijn, niet alleen omdat Hij het recht heeft om te oordelen maar omdat Hij er volkomen toe bevoegd en geschikt is, daar Hij oneindig wijs en rechtvaardig is. leder werk zal dan in het gericht worden gebracht, zal onderzocht worden. Het zal een dag wezen om in gedachtenis te brengen alles wat in het lichaam is geschied. De grote zaak, die dan omtrent ieder werk onderzocht zal worden is of het goed of slecht is, in overeenstemming is met de wil van God, of een overtreding ervan. Alles wat verborgen is, goed zowel als kwaad, zal dan aan het licht worden gebracht, en in het gericht worden gebracht bij het oordeel van de grote dag, Romeinen 2:16, er is geen goed werk, geen slecht werk, dat verborgen is, of het zal dan openbaar worden. Met het oog op het toekomend oordeel, en het streng nauwkeurige van dat oordeel, is het van het hoogste belang voor ons om thans zeer nauwgezet te zijn in ons wandelen met God opdat wij rekenschap van onszelf kunnen geven met vreugde.