Hebreeën 6:1-8
Wij hebben hier den raad van den apostel aan de Hebreeën, dat zij moeten opgroeien uit een staat van kindsheid tot de mate van een volwassen man in Christus. Hij verzekert hun zijn bereidvaardigheid om hen daarin naar vermogen te helpen, en tot hun grotere aanmoediging sluit hij zich zelven er bij in. Laat ons voortvaren. Ten einde op te wassen, moeten Christenen de eerste beginselen van Christus nalaten. Hoe moeten zij die nalaten? Zij mogen ze niet verliezen, zij mogen ze niet vergeten, zij mogen ze niet verachten. Zij moeten ze wegleggen in hun harten, ze neerleggen als grondslag voor hun belijdenis en verwachting, maar zij moeten er niet bij blijven berusten en blijven stilstaan, zij moeten niet altijd bezig zijn met het leggen van het fondament, maar zij moeten vooruitgaan en daarop bouwen. Er moet een bovenbouw zijn, want een fondament wordt gelegd met het doel om een gebouw te dragen. Hier doet zich de vraag voor: Wat deed den apostel besluiten om aan de Hebreeën vaste spijze voor te zetten, terwijl hij wist dat zij slechts zuigelingen waren? Antwoord:
1. Ofschoon sommigen nog zeer zwak waren, toch waren anderen meer tot kracht gekomen, en die moesten in overeenstemming daarmee gevoed worden. En zij, die groeiende Christenen, zijn moeten gewillig horen naar de verkondiging van de eenvoudigste waarheden, ter wille van de zwakken, gelijk de zwakken bereid moeten zijn te horen naar de moeilijker en dieper waarheden, als die verkondigd worden aan de sterken.
2. Hij hoopte dat zij zouden toenemen in geestelijke kracht en gestalte, en daardoor geschikt worden voor vaste spijze.
I. De apostel noemt verscheidene fundamentele beginselen op, die eerst goed gelegd en waarop dan gebouwd worden moet. Maar zomin zijn tijd als de hun moet verspild worden in het eindeloos leggen van dit fondament. Deze grondslagen zijn zes in getal.
1. De bekering van dode werken, dat is: bekering en wedergeboorte, berouw over den geestelijken staat des doods. Hij wil zeggen: Wacht u er voor het leven der genade in uwe zielen te verwoesten, uw zielen werden door bekering veranderd, en uw leven evenzeer. Zorgt dat gij niet tot de zonde terugvalt, want dan zoudt gij het fondament opnieuw moeten leggen, dan zou een nieuwe bekering, een nieuw berouwen van de zonde nodig zijn, en van de dode werken.
A. De zonden van onbekeerde mensen zijn dode werken, zij worden bedreven door mensen, die geestelijk dood zijn, en leiden naar den eeuwigen dood.
B. Berouw van dode werken moet bekering uit dode werken zijn, een algehele verandering van hart en leven.
C. Bekering van en uit dode werken is een fundamenteel beginsel, dat niet wederom gelegd moet worden, ofschoon wij ons berouw dagelijks vernieuwen moeten.
2. Het geloof aan God, een krachtig geloof aan het bestaan van God, aan Zijn natuur, Zijne eigenschappen en volmaaktheden, de drieheid der personen in de eenheid van wezen, de gehele bedoeling en wil van God, zoals die geopenbaard zijn in Zijn Woord, voornamelijk met betrekking tot den Heere Jezus Christus. Wij moeten door het geloof ons deze dingen eigen maken, en ze alle op ons toepassen door daarmee overeenkomende gevoelens en handelingen.
A. Bekering van dode werken en geloof aan God worden samengevoegd en gaan altijd samen, zij zijn onafscheidelijke tweelingen, de ene kan niet leven zonder de andere.
B. Ze zijn beide fundamentele beginselen, welke eens gelegd en nooit opgebroken moeten worden, zodat men ze nog eens zou moeten leggen, wij moeten niet vervallen in ontrouw.
3. De leer der dopen, dat is van gedoopt te zijn door een dienaar van Christus, met water in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, als het afbeeldend teken en zegel van het verbond der genade, om daarin standvastig te blijven, het met den Heere te vernieuwen, het geheel ons leven te laten besturen, vertrouwende op de getrouwheid en waarachtigheid van God in het geven van de zegeningen die het bevat. En de leer van den inwendigen doop, waarbij de Geest onze harten besprengt met het bloed van Christus ter rechtvaardigmaking, en met de zegeningen des Geestes ter heiligmaking. De instelling van den doop is een fondament, dat behoorlijk gelegd, dagelijks herdacht, maar niet herhaald moet worden.
4. De oplegging der handen, aan personen, die plechtig overgaan uit hun door den doop onderstelden toestand in den toestand van bevestiging, door het geven van het antwoord van een goed geweten aan God en het zitten aan de tafel des Heeren. Dit overgaan uit den voorlopigen in den volmaakten toestand van lidmaatschap aan de gemeente werd verricht door het opleggen der handen met de buitengewone begeleiding van de voortgezette gaven des Heiligen Geestes. Wanneer dit eens geschied is, zijn allen gehouden daarbij te blijven en moeten zij geen herhaalde plechtige toelating nodig hebben, maar voortgaan en opwassen in Christus. Ook kan er door bedoeld worden de ordening van personen tot den dienst, wanneer zij er behoorlijk geschikt en genegen toe zijn, en zulks door vasten en gebed, met oplegging van de handen des ouderlingschaps. En dat behoort slechts eenmaal te geschieden.
5. De wederopstanding der doden, dat is: van de dode lichamen en hun hereniging met de zielen, om voor eeuwig elkanders deelgenoten te zijn van wel of van wee, overeenkomstig hun staat voor God toen zij stierven, en het leven dat zij in deze wereld geleid hebben.
6. Het eeuwig oordeel, de beslissing over ieders ziel, wanneer zij door den dood het lichaam verlaat, en van ziel en lichaam beide ten jongsten dage, hun eeuwigen toestand, ieder naar zijn eigen gezelschap en bestemming, waarvoor hij hier op aarde gevormd werd, de bozen tot eeuwige straf en de rechtvaardigen tot het eeuwige leven. Deze zijn de grote fundamentele beginselen, welke de dienaren duidelijk en overtuigend moeten ontvouwen en ernstig toepassen. Daarin moet de gemeente goed onderwezen en bevestigd zijn, en deze mag zij nimmer verlaten. Zonder deze hebben de overige delen van den godsdienst geen grondslag, op welken zij rusten kunnen.
II. De apostel verklaart zijn bereidvaardigheid en zijn besluit om de Hebreeën bij te staan in het bouwen van zich zelven op dit fondament, totdat zij de volmaaktheid zullen verkregen hebben. En dit zullen wij doen, indien het God toelaat, vers 3. Daardoor leert hij hen:
1. Dat een vast besluit zeer nodig is om te wassen en voortgang te maken in den godsdienst. 2. Dat zulk een besluit het rechte is, wanneer het genomen wordt niet alleen in oprechtheid des harten, maar ook in nederige afhankelijkheid van God, om sterkte, bijstand, gerechtigheid en aanneming, en ook om tijd en gelegenheid daartoe te hebben.
3. Dat de dienaren niet alleen de gemeente moeten onderwijzen wat zij doen moet, maar haar ook moeten voorgaan en met haar gaan in den weg van plicht.
III. Hij toont aan dat deze geestelijke wasdom het beste middel is om de vreeslijke zonde van afval van het geloof te voorkomen.
1. Hij wijst er op hoever mensen in den godsdienst gaan kunnen en ten slotte toch terugvallen en voor eeuwig verloren gaan, vers 4, 5.
A. Zij kunnen verlicht zijn. Sommigen van de ouden verstaan dit van het gedoopt zijn: maar er moet veeleer onder verstaan worden verstandelijke kennis en algemene verlichting, waarvan de mensen zeer veel kunnen bezitten en toch buiten den hemel blijven. Bileam was de man, wiens ogen geopend waren, Numeri 24:3, en toch met geopende ogen ging hij heen in de buitenste duisternis.
B. Zij kunnen de hemelse gave gesmaakt hebben, iets gevoeld hebben van de werking des Heiligen Geestes aan hun zielen, waardoor zij iets gevoelden van den godsdienst, en toch zijn zij gelijk mensen, die de markt bezoeken, de goederen betasten, maar den gevraagden prijs niet willen betalen, zodat het bij bekijken en betasten blijft en zij weer weggaan. De mensen kunnen den godsdienst betasten, er wel zin in hebben, maar ze zouden hem aannemen indien slechts tot lager prijs dan de zelfverloochening, het opnemen van het kruis en het volgen van Christus.
C. Zij kunnen des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, dat is: aan Zijn buitengewone en wonderdadige gaven, zij kunnen in den naam van Christus duivelen uitgeworpen en andere machtige daden verricht hebben. In den apostolischen tijd werden zulke gaven soms verleend aan hen, die geen zaligmakende genade bezaten.
D. Zij kunnen gesmaakt hebben het goede woord Gods. Zij hebben wellicht enig vermaak in de leer van het Evangelie, zij horen het Woord met genoegen en onthouden er veel van en spreken er goed over, en zijn toch nooit goed ingeleid in de waarheid ervan, en het heeft nooit rijkelijk in hen gewoond.
E. Zij kunnen gesmaakt hebben de krachten der toekomende eeuw. Zij kunnen onder sterke indrukken gekomen zijn aangaande hemel en hel, zij kunnen begeerte gevoeld hebben om naar den hemel te gaan en vrees om in de hel te komen. Zover kunnen huichelaars gaan, en toch afvallig worden, Merk hieromtrent nu op:
a. Deze grote dingen worden hier gezegd van hen, die afvallig kunnen worden, maar toch wordt er niet gezegd dat zij waarachtig bekeerd waren, of dat zij gerechtvaardigd waren, de ware zaligmakende genade heeft meer dan alles wat hier van de afvalligen gezegd wordt.
b. Dit is dus geen bewijs voor den blijvenden afval van ware heiligen. Die kunnen inderdaad meermalen en diep vallen, maar zij zullen nooit geheel van God afvallen. Het voornemen en de macht Gods, de vrijkoping en het gebed van Christus, de belofte van het Evangelie, het eeuwig verbond, dat God met hen gemaakt heeft, in alle dingen wel-verordineerd en zeker, de inwoning des Geestes en het onsterfelijk zaad des Woords, zijn hun zekerheid. Maar de boom, die deze wortelen niet heeft, zal vallen.
2. De apostel beschrijft het vreeslijke lot van hen, die terugvallen nadat zij zover gegaan zijn in de belijdenis van den godsdienst.
A. De grootheid van de zonde van afval. Zij is den Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken. Zij verklaren dat zij goedkeuren wat de Joden deden toen zij Christus kruisigden, en dat zij gaarne hetzelfde zouden doen indien het in hun macht stond. Zij gieten de grootste schande uit over den Zoon van God, en daardoor over God zelf, die wil dat allen den Zoon zullen eren gelijk zij den Vader eren. Zij doen al wat zij kunnen om Christus en het Christendom als schandelijk voor te stellen, en zouden Hem gaarne overgeven aan algemene schande en verachting. Dit is de aard van den afval.
B. De grote ellende van de afvalligen.
a. Het is onmogelijk hen wederom te vernieuwen tot bekering. Het is buitengewoon gevaarlijk. Zeer weinig voorbeelden kan men aanvoeren van mensen, die zover gegaan waren en terugvielen, en daarna opnieuw tot waarachtig berouw gebracht werden, zulk een berouw, dat waarlijk een vernieuwing der ziel is. Sommigen hebben gedacht dat hier van de zonde tegen den Heiligen Geest gesproken wordt, doch zonder grond. De zonde hier bedoeld is openlijke afval van de waarheid en van den weg van Christus. God kan hen vernieuwen tot bekering, maar Hij doet het zelden, en voor de mensen is het onmogelijk.
b. Hun ellende wordt afgeschilderd door een eenvoudige vergelijking, met den grond, die na veel bebouwing en verzorging niets dan doornen en distels voortbrengt, en daarom verwerpelijk is en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding, vers 8. Om daaraan te meerder kracht bij te zetten, wordt de aandacht gevestigd op het verschil tussen goeden en slechten grond, opdat de tegenstelling daarvan het voorbeeld des te beter moge toelichten.
Ten eerste. Hier is een beschrijving van een goeden grond. Die drinkt den regen in, die menigmaal op hem komt. Gelovigen, die het Woord Gods niet alleen smaken, maar ook indrinken, zijn als de goede aarde, die vrucht voortbrengt naar gelang van de moeite, die aan haar besteed wordt, vruchten tot ere van Christus en tot troost van Zijn getrouwe dienaren, die onder Christus de bewerkers van die aarde zijn. En deze vruchtbare aarde ontvangt zegen. God verklaart vruchtbare Christenen voor gezegend, en alle wijze en goede mensen achten hen gezegend, zij worden gezegend met toeneming van genade, met nadere bevestiging en eindelijk met heerlijkheid.
Ten tweede. Hier is het tegenovergestelde. geval van de slechte aarde. Die draagt doornen en distels. Die is niet alleen ontbloot van goede vruchten, maar overvloedig in slechte, doornen en distels, vruchtbaar in zonden en goddeloosheid, die bedroevend en nadelig zijn voor allen rondom hen, en het in de hoogste mate ten laatste zullen zijn voor de zondaars zelven. Die aarde is verwerpelijk. God zal met zulke godloze afvalligen geen bemoeienis meer hebben, Hij zal hen alleen laten en uit Zijn zorg uitwerpen, Hij zal de wolken gebieden dat zij geen regen meer op zulke bodem uitgieten. Goddelijke invloeden zullen teruggetrokken worden, en dat is niet alles, maar die grond is nabij de vervloeking. Die is zover af van gezegend te worden, dat een schrikkelijke vloek over hem hangt, ofschoon vooralsnog, door het geduld Gods, die vloek nog niet ten volle wordt uitgevoerd.
Ten derde. Haar einde is tot verbranding. Afval zal worden gestraft met eeuwigdurende verbranding, het vuur zal nooit worden uitgeblust. Dat is het treurige einde van den afval, en daarom behoren de Christenen te wassen in de genade, uit vrees dat zij, indien zij niet vooruitgaan, achteruit zullen gaan, tot zij zich zelven storten in dit uiterste van zonde en ellende.