Lukas 2:41-52
Wij hebben hier het enige geschiedkundige bericht omtrent onzen gezegenden Zaligmaker van Zijne kindsheid tot aan den dag van Zijne vertoning aan Israël op negen en twintigjarigen leeftijd, en derhalve is het van groot belang voor ons om hier bijzondere aandacht aan te wijden, want het is vergeefs te wensen, dat wij er meer van hadden. Hier is:
1. Christus' opgaan met Zijne ouders naar Jeruzalem op het feest van het Pascha, vers 41, 42.
I. Het was hun vaste gewoonte om het feest aldaar te vieren, overeenkomstig de wet, hoewel het een lange reis voor hen was en zij arm waren, en dus wellicht niet instaat om er, zonder zich te bekrimpen, de onkosten van te bestrijden. Openbare inzettingen van den Godsdienst moeten bijgewoond worden, en wij moeten de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben. Wereldlijke zaken moeten wijken voor geestelijke belangen. Jozef en Maria hadden een zoon bij zich in huis, die beter instaat was hen te onderwijzen dan al de rabbijnen te Jeruzalem, toch zijn zij derwaarts opgegaan naar de gewoonte van den feestdag. De Heere bemint de poorten van Zion boven alle woningen van Jakob, en dat behoren ook wij te doen. Wij hebben reden te geloven, dat Jozef evenzo opging voor het Pinksterfeest en het Loofhuttenfeest, want al de mannen moesten daar drie maal in het jaar verschijnen, maar dat Maria slechts opging voor het feest van het Pascha, dat het grootste der drie feesten was, en waarin veel van het Evangelie lag opgesloten.
2. Het kind Jezus heeft toen Hij twaalf jaren oud was hen derwaarts vergezeld. De Joodse leraren zeggen dat kindeken van twaalf jaren al van tijd tot tijd moeten beginnen te vasten, teneinde te leren om op den Groten Verzoendag te vasten, en dat op dertienjarigen leeftijd een kind een "zoon des gebeds" begint te worden, dat is: de plichten op zich moet nemen van het lidmaatschap der kerk, terwijl hij van zijne kindsheid af, krachtens zijne besnijdenis, een zoon des verbonds was. Er wordt niet gezegd dat Jezus toen voor het eerst opging om te aanbidden op het feest, waarschijnlijk had Hij dit reeds enige jaren tevoren gedaan, daar Hij een geest van wijsheid bezat boven Zijne jaren, en allen, die verstandig zijn om te horen, behoren den openbaren eredienst bij te wonen, Nehemia 8:3. Die kinderen, welke vroeg gevorderd zijn in andere dingen, moeten ook vorderen in den Godsdienst. Het is tot eer van Christus dat kinderen den openbaren eredienst bijwonen, en Hij schept behagen in hun Hosanna's. En die kinderen. welke in hun kindsheid Gode werden gewijd, moeten, als zij tot jaren des onderscheids zijn gekomen, geroepen en uitgenodigd worden om tot het Evangelie-pascha, namelijk des Heeren Avondmaal te komen, opdat zij tonen dat hun eigen wil en wens is om zich bij den Heere te voegen.
II. Christus' verwijlen te Jeruzalem nadat Zijne ouders vertrokken waren, zonder dat zij dit wisten, waarmee Hij bedoelde reeds vroeg iets te tonen van hetgeen, waarvoor Hij bestemd was.
1. Zijne ouders keerden niet terug, voordat zij de dagen aldaar voleindigd hadden. Zij bleven er al de zeven dagen van het feest, hoewel het niet volstrekt noodzakelijk was, dat zij er langer dan de eerste twee dagen bleven, na welke velen huiswaarts keerden. Het is goed om tot het einde van een kerkdienst te blijven, gelijk het betaamt aan hen, die zeggen: het is goed hier te zijn, en ons niet weg te spoeden, alsof wij gelijk Doëg waren, die opgehouden werd voor het aangezicht des Heeren. 2. Het kind bleef te Jeruzalem, niet omdat Hij er afkerig van was om naar huis te gaan, of niet gaarne in het gezelschap Zijner ouders was, maar omdat Hij er iets te doen had, en Zijn ouders wilde doen weten, dat Hij een Vader had in den hemel, aan wie Hij meer opmerkzaamheid en eerbied verschuldigd was dan aan hen, en deze Zijn eerbied voor Hem moet niet opgevat worden als oneerbiedigheid jegens hen. Sommigen maken de gissing dat Hij in den tempel achterbleef, want het was gewoonte onder de vrome Joden, om op den morgen van den dag, waarop zij naar huis terugkeerden, eerst naar den tempel te gaan om God te aanbidden. Daar bleef Hij achter en vond er gastvrijheid, totdat zij Hem vonden. Of wellicht bleef Hij in het huis van een anderen vriend, en een kind zoals Hij was moet wel de lieveling geweest zijn van allen, die Hem kenden, zodat iedereen Hem zeker gaarne bij zich wilde hebben, -en dat Hij slechts naar den tempel ging als er dienst was, en zo was Hij dan achtergebleven. Het is goed om jonge lieden gewillig te zien om in het huis des Heeren te blijven, zij zijn dan gelijk Christus.
3. Zijne ouders legden de eerste dagreis af zonder te vermoeden dat Hij was achtergebleven, want zij meenden dat Hij in het gezelschap op den weg was, vers 44. Bij deze gelegenheden was de menigte van reizigers zeer talrijk, vooral op de eerste dagreis, en waren de wegen vol van mensen, en zo dachten zij, dat Hij met sommigen van de buren op weg was, en zij zochten Hem onder de magen en onder de bekenden, die op den weg waren. Hebt gij onzen zoon niet gezien? Of hebt gij Hem gezien? Gelijk de vraag der bruid: Hebt gij dien gezien, dien mijne ziel liefheeft? Dit was een juweel, wel waard om er naar te zoeken. Zij wisten dat iedereen Zijn gezelschap begeerde, en dat Hij bereid was om onder magen en bekenden goed te doen, maar onder hen vonden zij Hem niet, vers 45. Er zijn velen, te velen, die tot onze magen en bekenden behoren, en wier omgang wij niet kunnen mijden, maar onder wie wij weinig of niets van Christus vinden. Toen zij nu in dit of dat gezelschap op den weg niets van Hem konden vernemen, hoopten zij Hem toch te vinden ter plaatse, waar zij dien nacht vertoefd hadden, maar ook daar konden zij geen tijding van Hem krijgen. Vergelijk hiermede Job 23:8, 9.
4. Toen zij Hem niet vonden in de plaats, waar zij den nacht hadden doorgebracht, keerden zij den volgenden morgen terug naar Jeruzalem, Hem zoekende. Zij, die Christus willen vinden. moeten Hem zoeken totdat zij Hem vinden, want ten laatste zal Hij gevonden worden van hen, die Hem zoeken, en Hij zal bevonden worden een milde beloner te zijn voor hen. Zij, die hun vertroosting in Christus hebben verloren en de blijken van hun deel aan Hem, moeten zich bedenken waar en wanneer en hoe zij ze verloren hebben, en moeten terugkeren naar de plaats, waar zij die het laatst gehad hebben, moeten gedenken waarvan zij uitgevallen zijn, en zich bekeren, en de eerste werken doen, en tot hun eerste liefde wederkeren, Openbaring 2:4, 5. Zij, die hun verloren kennis van Christus willen herkrijgen, moeten naar Jeruzalem gaan, de plaats, die Hij verkoren heeft om er Zijn naam te stellen, moeten Zijne inzettingen waarnemen, het Evangelie-Pascha vieren, waar zij kunnen hopen Hem te ontmoeten.
5. Op den derden dag vonden zij Hem in den tempel, in een van de vertrekken, die tot den tempel behoorden, waar de leraren der wet niet hun gerechtszitting hielden, maar veeleer hun scholen voor openbare gesprekken, en daar vonden zij Hem, zittende in het midden der leraren, vers 46, niet staande, als een leerling om door hen ondervraagd en onderwezen te worden, want Hij had hun zulk ene mate van kennis en wijsheid ontdekt, dat zij Hem toelieten om onder hen plaats te nemen, als een medelid van hun vereniging of gezelschap. Dit is een voorbeeld en bewijs, dat Hij niet slechts vervuld was met wijsheid, vers 40, maar dat Hij de begeerte had om haar te vermeerderen, en vaardigheid had om haar mede te delen. En hierin is Hij een voorbeeld voor kinderen en jonge lieden, die van Christus behoren te leren om zich te verlustigen in het gezelschap van hen, van wie zij iets goeds kunnen leren, en liever te verkiezen om neer te zitten onder de leraren, dan onder de spelers. Laat hen beginnen, als zij twaalf jaren oud zijn, en nog eerder, om kennis te zoeken en het gezelschap van hen, die instaat zijn hun onderricht te geven, het is zulk een moedgevend, veelbelovend teken in jonge lieden, als zij begerig zijn naar onderwijs. Menig jongeling van den leeftijd, waarop Christus toen was, zou met de kinderen in den tempel gespeeld hebben, maar Hij was zittende onder de leraren.
a. Hij hoorde hen. Zij, die willen leren, moeten ras zijn om te horen.
b. Hij ondervroeg hen. Of het was als leraar-als zodanig had Hij macht te vragen-of als leerling-en als zodanig had Hij ootmoed genoeg om te vragen-weet ik niet, of als medelid en mede- onderzoeker naar de waarheid, die door wederzijdse vriendelijke navorsing ontdekt moest worden.
c. Hij antwoordde hun, en Zijne antwoorden waren zeer verrassend en overtuigend, vers 47. Zijn wijsheid en verstand blonken evenzeer uit in Zijne vragen als in Zijne antwoorden, zodat allen, die Hem hoorden zich ontzetten. Nooit hadden zij iemand, die zo jong was, ja nooit hadden zij iemand uit hun grootste leraren, zulke verstandige redenen horen voortbrengen, als zij van Hem hoorden. Evenals David was Hij verstandiger dan al Zijne leraars, ja zelfs dan de ouden, Psalm 119, 99, 100. Nu heeft Christus enkele stralen van Zijne heerlijkheid getoond, maar zij werden terstond weer terug gehouden. Hij gaf hun een proeve-zegt Calvijn-van Zijn Goddelijke wijsheid en kennis. Mij dunkt dat deze openbare verschijning van Christus als een leraar in den tempel, was als Mozes' eerste poging om Israël te verlossen, die door Stefanus in dier voege verklaard wordt, dat hij meende dat zijne broeders zouden verstaan, dat God door zijne hand hun verlossing geven zou, Handelingen 7:24, 25. Zij zouden den wenk hebben kunnen begrijpen en toen verlost zijn kunnen worden, maar zij hebben het niet verstaan. En zo zouden zij nu terstond-voorzover ik weet-Christus gehad kunnen hebben om Zijn werk onder hen te beginnen, maar zij waren slechts ontzet, en verstonden de aanduiding niet, en daarom trekt Hij zich, evenals Mozes, terug in de afzondering, en gedurende vele jaren daarna horen zij niet meer van Hem.
6. Zijne moeder had hierover een vertrouwelijk gesprek met Hem. Toen het gezelschap zich op weg begaf nam zij Hem ter zijde en ondervroeg Hem hieromtrent met grote tederheid en liefde, vers 48. Jozef en Maria werden beiden verslagen toen zij Hem daar vonden, en zagen dat Hem zoveel eerbied betoond werd, zodat Hij zelfs werd toegelaten om neer te zitten onder de leraars, en dat men acht op Hem sloeg. Zijn vader wist dat hij slechts den naam had van Zijn vader te zijn, en daarom zei hij niets. Maar
a. Zijne moeder zei tot Hem, hoe kwalijk zij het namen: Kind! waarom hebt gij ons zo gedaan? Waarom hebt gij ons zulk een angst aangejaagd? Zij waren gereed te zeggen, zoals Jakob van Jozef: Een wild dier heeft hem verscheurd, of: "hij is een nog wreder vijand in handen gevallen, die ten laatste ontdekt heeft dat hij dit kindeke was, dat Herodes enige jaren geleden wilde ombrengen." Wij kunnen ons voorstellen hoe zij door duizenderlei gedachten, de ene nog schrikkelijker dan de andere, gekweld werden. "Waarom nu hebt gij ons dezen angst veroorzaakt? Uw vader en ik hebben u met angst gezocht, niet slechts bevreesd u verloren te hebben, maar verdrietig op ons zelven, omdat wij niet beter zorg voor u hebben gedragen om u bij ons te houden". Diegenen hebben wel reden om over hun verlies te klagen, die denken dat zij Christus verloren hebben. Maar hun wenen heeft hun zaaien niet verhinderd, zij treurden niet op zulk een wijze, dat zij in wanhoop neder zaten, neen, zij treurden en zochten. Indien wij Christus willen vinden, moeten wij Hem treurende en met angst zoeken, treurende, omdat wij Hem verloren hebben, dat wij Hem tot toorn verwekt hebben, zodat Hij zich van ons terugtrok, en dat wij Hem niet eerder gingen zoeken. Zij, die Hem aldus in droefheid en angst zoeken, zullen Hem ten laatste met zoveel te meer blijdschap vinden.
b. Met zachtheid bestraft Hij hun buitensporige bezorgdheid over Hem, vers 49 :"Wat is het, dat gij Mij gezocht hebt? Gij had gerust kunnen vertrouwen, dat Ik u naar huis gevolgd zou zijn, nadat Ik het werk, dat Ik hier te doen had, gedaan zou hebben. In Jeruzalem kon Ik niet verloren zijn. Wist gij niet dat Ik moest wezen en tois tou patros mou, in Mijns Vaders huis?" zoals sommigen dit lezen. "Waar anders zou de Zoon wezen, die eeuwiglijk in het huis blijft? Ik moet wezen. a: Onder de zorg en bescherming Mijns Vaders, en daarom behoordet gij uwe zorg over Mij op Hem te werpen, en er niet uzelven mede te bezwaren." Christus is een pijl, verborgen in den pijlkoker Zijns Vaders, Jesaja 49:2. Hij draagt ook zorg voor Zijne kerk, en daarom moeten wij nooit wanhopen aan hare veiligheid.
b, Aan het werk Mijns Vaders -zo verstaan wij het-"Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders, en daarom kon Ik niet even spoedig huiswaarts keren als gij. Wist gij niet? Hebt gij nog niet in Mij opgemerkt, dat Ik Mij aan den dienst van den Godsdienst gewijd heb, en Mij dus met de aangelegenheden er van moet bezighouden?" Hierin heeft Hij ons een voorbeeld nagelaten, want het betaamt den kinderen Gods, om in gelijkvormigheid met Christus bezig te zijn met de zaken huns hemelsen Vaders, waarvoor alle andere zaken achtergesteld moeten worden. Wij denken nu dat wij dit woord van Christus zeer goed verstaan, want Hij heeft het verklaard door hetgeen Hij gedaan en gezegd heeft. Het was Zijne opdracht in de wereld, en het was Zijne spijs en drank in de wereld, om den wil Zijns Vaders te doen en Zijn werk te voleindigen, maar toenmaals hebben Zijne ouders het woord niet verstaan, dat Hij tot hen sprak, vers 50. Zij begrepen niet wat Hij toen voor werk had te verrichten voor Zijn Vader in den tempel. Zij geloofden dat Hij de Messias was, die den troon van Zijn vader David behoorde te hebben, maar zij dachten dat dit Hem eerder naar het koninklijk paleis dan naar den tempel moest voeren. Zij verstonden Zijn profetisch ambt niet, en veel van Zijn werk had Hij hierin te verrichten.
Eindelijk. Wij hebben hier hun terugkeer naar Nazareth. Deze flikkering van den glans Zijner heerlijkheid moest van korten duur zijn. Zij was nu voorbij, en het heeft Zijne ouders niet gedrongen om zich te Jeruzalem te vestigen, of er Hem zich te laten vestigen, hoewel dit de plaats was voor bevordering, en waar Hij de beste gelegenheid had om Zijne wijsheid te tonen, heeft Hij zich toch zeer gewillig teruggetrokken in de afzondering te Nazareth, waar Hij gedurende vele jaren als levend begraven was. Ongetwijfeld is Hij drie maal in het jaar voor de feesten opgegaan naar Jeruzalem, maar of Hij ooit weer naar den tempel is gegaan om er met de leraren te redetwisten, wordt ons niet gezegd, het is niet onwaarschijnlijk, dat Hij het gedaan heeft. Maar hier wordt ons gezegd:
1. Dat Hij Zijnen ouders onderdanig was. Hoewel Hij, om te tonen dat Hij meer dan mens was, zich eens van Zijne ouders teruggetrokken heeft om in de dingen Zijns Vaders te zijn, heeft Hij dit vooralsnog niet tot Zijne gewoonte gemaakt, niet dan vele jaren later deed Hij dit, maar nu was Hij hun onderdanig, volgde hun bevelen, ging en kwam zoals zij het Hem zeiden, en heeft ook, naar het schijnt, met Zijn vader in diens beroep als timmerman gearbeid. Hierin heeft Hij een voorbeeld gegeven aan kinderen om hun ouders gehoorzaam te zijn in den Heere. Geworden zijnde uit ene vrouw, was Hij geworden onder de wet van het vijfde gebod, om aan het zaad der gelovigen te leren zich Hem als een getrouw zaad te bewijzen. Hoewel Zijne ouders arm en gering waren, hoewel Zijn vader slechts Zijn vermeende vader was, was Hij hun toch onderdanig. Hoewel Hij gesterkt was in den geest, en vervuld met wijsheid, ja, hoewel Hij de Zone Gods was, was Hij toch onderdanig aan Zijne ouders, hoe zullen dan zij, die zwak en dwaas zijn, het verantwoorden, als zij hun ouders ongehoorzaam zijn?
2. Dat Zijne moeder, hoewel zij de woorden haars Zoons niet ten volle begreep, ze toch in haar hart bewaarde, verwachtende dat zij haar later verklaard zouden worden, en zij ze dan ten volle zou verstaan en weten zou hoe ze te gebruiken. De woorden der mensen kunnen wij, als zij duister zijn, wel veronachtzamen (Si non vis intelligi, debes negligi - Als het niet verstaanbaar is, heeft het gene waarde), maar van Gods woorden moeten wij dit niet denken. Hetgeen in het eerst duister is, zodat wij niet weten wat er van te maken, kan later duidelijk en gemakkelijk te verstaan worden, daarom moeten wij het voor later bewaren, Johannes 2:22. Datgene, hetwelk ons nu niet nuttig schijnt te zijn, kan ons later van veel nut worden. Een scholier bewaart de regelen der spraakkunst in zijn geheugen, waarvan hij voor het ogenblik het nut niet begrijpt, omdat hem gezegd wordt dat zij hem later nuttig zullen wezen. Evenzo moeten wij met Christus' woorden doen.
3. Dat Hij in alles verwonderlijk toenam, vers 52. Hij nam toe in wijsheid en in grootte. ln de volkomenheid Zijner Goddelijke natuur kon geen toeneming plaatshebben, maar dit wordt bedoeld van Zijn menselijke natuur. Zijn lichaam nam toe in grootte, Hij groeide in de jaren van groei, en Zijne ziel nam toe in wijsheid, in alle de gaven en vermogens der menselijke ziel. Hoewel van Zijne ontvangenis af het eeuwige Woord verenigd was met de menselijke ziel, heeft toch de Godheid, die in Hem woonde, zich trapsgewijze aan Zijne mensheid geopenbaard, ad modum recipientis -naar Zijne bevatting, al naar de vermogens Zijner menselijke ziel er al meer en meer toe instaat waren, werden de gaven, die zij van de Goddelijke natuur ontving, al meer en meer meegedeeld. En Hij nam toe in genade bij God en de mensen, dat is: in al die gaven der genade, die Hem bij God en de mensen aangenaam maakten. Hierin heeft Christus zich geschikt naar Zijn staat van vernedering, zodat gelijk Hij zich neerboog om een zuigeling, een kind te zijn, ook het beeld Gods helderder in Hem schitterde naarmate Hij opgroeide tot man, dan toen Hij nog een zuigeling, een kind was. Jonge lieden behoren, naarmate zij toenemen in grootte, ook toe te nemen in wijsheid, dan zullen zij, naarmate zij toenemen in wijsheid, ook toenemen in genade bij God en de mensen.