3. Als die in hetgeen u, die tevoren heidenen was, geworden bent, openbaar bent geworden, dat u een brief van Christus bent, door Hem gemaakt en door Hem gedicteerd en door onze dienst, ons Nieuw-Testamentisch ambt bereid (
Vers 6). U bent een brief, die door mij en Silvanus en Timotheüs (
Hoofdstuk 1:19) geschreven is, niet evenals een menselijke brief wat de schrijfmiddelen betreft, met pen en inkt, maar door de Geest van de levende God en niet zoals de Mozaïsche wet (
Vers 7), wat het schrijfmaterieel aangaat, a) in stenen tafels, maar overeenkomstig de belofte, voor de tijd van het Nieuwe Testament gegeven, in vleselijke tafels van het hart (
Jeremia 31:31,
Ezechiel 11:19 v. ; 36:26).
a) Exodus 24:12; 34:1.
De apostel wist dat de tegenstanders hem beschuldigd hadden van zelfbehagen, daarom vraagt hij, of hij misschien nu weer zichzelf in zelfbehagen wilde aanbevelen, opdat daardoor dadelijk alle dergelijke uitingen zouden worden afgesneden. Tegelijk stelt hij door een tweede vraag: "of behoeven wij ook, zoals sommigen, brieven van voorschrijving aan u? " de hoogmoedige tegenstanders in hun naaktheid voor. Deze hadden in het gevoel van het goddelijk gezag, dat hun ontbrak, zich door aanbevelingsbrieven aan de Korinthiërs en door deze aan andere gemeenten, proberen te helpen.
Hier is het eerste spoor van aanbevelingsbrieven, die in de oude kerk zo veelvuldig voorkwamen en tot waarschuwing voor bedrog door valse broeders zo noodzakelijk waren geworden (literae systaticae, formatae, communicatoriae). Deze werden aan reizende Christelijke broeders door hun bisschop aan de bisschoppen van de gemeenten, die zij bezochten, meegegeven en dienden tevens als band van broederlijke gemeenschap tussen de verschillende gemeenten en haar opzieners. De brief aan de Romeinen (Romeinen 16:1) is enigszins ook zelf zo'n aanbevelingsbrief voor Febe.
Het "zoals sommigen" is een zijdelingse beschuldiging tegen anti-Paulinische leraars, die aanbevelingsbrieven, was het ook van aanzienlijke leraars of van gemeenten, tot de Korinthiërs hadden meebracht en die weer van Korinthe bij hun verder reizen hadden medegenomen. Toch hadden zij, die ze hadden medegebracht en die er zich op beroemden om Paulus in een ongunstig licht te stellen, die wel niet van de eerste apostelen (Jakobus) en de Jeruzalemse gemeente, die onder diens leiding stond, als zodanig, maar wellicht van enige leden van de laatste (Galaten 2:12) ontvangen.
Paulus zelf had het niet nodig aan haar, aan de gemeente, noch door haar met een brief te worden aanbevolen. Onze brief, zegt hij, bent u, een brief, die in onze harten staat geschreven, die ter kennis van alle mensen komt en door alle mensen wordt gelezen. Daarmee wijst hij op de aanbevelingsbrief, die hij en zijn ambtgenoten (Hoofdstuk 1:19) aan de gemeente bezitten, aan de ene kant als op een zodanigen, die in zijn hart is geschreven, waar die hem het inwendige, persoonlijke vertrouwen geeft, dat hij in en buiten de gemeente iets zal vermogen en niet, zoals men anders een brief bij zich draagt, van welks voorspraak men hoopt, dat hij er toe zal dienen, dat men invloed verkrijgen zal. Aan de andere kant stelt hij die voor als zo een, die hij niet eerst van plaats tot plaats behoeft te vertonen, opdat die tot aanbeveling zou dienen, maar als een, die voor aller ogen ligt. Het eerste zegt hij in tegenstelling tot de aanbevelingsbrieven, die die anderen aan de gemeente moesten afgeven en het laatste tegenover de brieven van voorschrijving, die anderen voor de gemeente meenamen. In aansluiting van het laatste kan de apostel overgaan van hetgeen de gemeente voor hem is tot dat wat zij zelf is en wel door hem is geworden. Hij gaat hiertoe over als hij zegt, waardoor zij hem een aanbevelingsbrief voor de overigen is. Zij is het namelijk daardoor, dat duidelijk zichtbaar is wat zij is, een brief van Christus, welks vervaardiging door hem is geschied. Christus zelf heeft daardoor, dat Hij de gemeente stichtte, een brief opgesteld en de apostel heeft tot oprichting van de gemeente gedaan wat hij doet, die op papier brengt, wat een ander hem beveelt te schrijven en die nu van de gemeente hoort, die hoort ook dat zij door zijn dienst is tot stand gebracht. Daarop geeft de apostel eerst het middel aan van het tot stand brengen van deze brief, dat bestond in de goddelijke Geest, die inwendig kan werken en wel leven kan scheppen; en in de tweede plaats zegt hij waarin de brief is geschreven, namelijk in harten, dat is het meest inwendige van hen, die de gemeente uitmaken, die als een brief van Christus wordt voorgesteld.
Zij zijn een brief, die Jezus opgesteld en door de apostel heeft doen schrijven, niet met inkt en op papier, zoals de aanbevelingsbrieven van de gedachte dwaalleraars, maar die de Geest van God zelf geschreven heeft. Dit laatste woord nu geeft de Apostel aanleiding om aan beeld en denkbeeld nog een nieuwe wending te geven. Bovengemelde dwaalleraars roemden op de Mozaïsche wet en haar strenge vervulling. Paulus daarentegen stelt de Christelijke gemeente boven de Mozaïsche wet. Ook de wet was een brief van God aan de mensen, maar zij was door Gods vinger slechts in stenen tafels gegraveerd. De Christelijke gemeente daarentegen is een brief geschreven op de tafels van het hart, omdat God in het Nieuwe Verbond datgene, wat Hij beveelt, door Zijn Geest ook in de harten schrijft. Vgl. de drie hoofdbeloften Ez. 11:19; 36:26. Zo is dus de Korinthische gemeente een aanbevelingsbrief, die niet slechts meer betekent dan alle, die de dwaalleraars zich laten schrijven, maar die zelfs hoger staat dan de wet van God, die zij als hun hoogste aanbevelingsbrief steeds met zich omdroegen.
EPISTEL OP DE TWAALFDE ZONDAG NA TRINITATIS
In verband met het epistel van de vorige zondag (1 Corinthiërs 15:1) handelt deze over de heerlijkheid van het ambt van de evangelieprediking, in zoverre die de bediening van de Geest, die de gerechtigheid predikt, stelt tegenover de bediening van de letter, die de verdoemenis predikt en de bekwaamheid om het waar te nemen enkel en alleen van God afleidt. Zien wij nu in de doofstomme, van wie het Evangelie van de zondag (Markus 7:31) verhaalt, ons zelf, zoals wij van nature ook in geestelijke zin doof en stom zijn en onbekwaam om te horen en te spreken, totdat het wonderbare Effatha ons mond en oren opent, dan is het Evangelie een praktische tegenhanger van ons epistel.
De doofstomme, die niet hoorde noch sprak, is Paulus en zijn met hem allen, die de bediening van het Nieuwe Testament hebben. De Kerk ziet, met dit Evangelie als tekst te kiezen, op de bedienaren van het heilig ambt en in de doofstomme moeten allen, die het ambt bedienen, hun voorbeeld en de weg erkennen, waarop ook zij komen tot het kennen en het getuigen.
De heerlijkheid van de evangeliebediening: deze rust 1) op haar oorsprong, 2) op haar Geest, 3) op haar inhoud, 4) op haar duur.
De dienst van het nieuwe verbond: 1) haar verheven waarde, 2) haar heerlijk voorwerp, 3) haar blijvende bestemming.
Sinaï en Golgotha, of de heerlijkheid van het oude en de veel grotere heerlijkheid van het nieuwe verbond: 1) daar op Sinaï een machtig profeet, hier op Golgotha een bloedend Lam van God; 2) daar op Sinaï een stenen letter, hier op Golgotha de levendmakende Geest; 3) daar op Sinaï dood en verdoemenis, hier op Golgotha gerechtigheid en leven 4) daar op Sinaï een pelgrimsstation in de woestijn, hier op Golgotha een eeuwig thuis.
De bediening van het Nieuwe Testament: 1) hoe die wordt volbracht; 2) welke heerlijkheid die heeft. Waarom de dienaren van de Heere Jezus Christus altijd een goed vertrouwen moeten hebben? 1) om de krachtige bijstand, waarop zij moeten rekenen: 2) om het heerlijk ambt, dat zij hebben te bedienen.
Wet en Evangelie: 1) daar een dodende letter, hier een levendmakende Geest; 2) daar een prediking van de verdoemenis, hier een prediking van de gerechtigheid; 3) daar een ambt, dat ophoudt. Hier een ambt, dat blijft.
Wet en Evangelie: 1) Wat groots en heerlijks bevat de wet? waarom is zij evenwel niet toereikende voor onze zaligheid? wat verkondigt het Evangelie, dat veel groter en zaliger is? en hoe zullen wij er een echt gebruik van maken? (EIG. ARB.).