26. a) Velen, ja de meeste mensen zoeken, door zulke mensenvrees gedreven, het aangezicht des heersers, in het algemeen eens machtigen, al ware hij ook een goddeloze, wiens macht en invloed hen zou kunnen schaden; zij dingen naar zijne gunst en regelen zich naar zijne gedachten en wensen; maar, wat baat het hun, een ieders recht, ook van den rijkste en machtigste, is van den HEERE 1) en hun lot is in Zijne handen; zo is het dan zeker beter en wijzer, geen mens, maar Hem alleen te vrezen, in wiens hand de harten der koningen zijn als waterbeken, en die ze neigt, tot al wat Hij wil.
a) Spreuken 19:6.
1) De Heere God is de eerste oorzaak. Hij is de Fontein aan alle goeds, de Bron aan alle heil. Niet de machtigste hier op aarde, maar God alleen is het, die in waarheid gelukkig maakt, die recht doet aan de verdrukten en het recht der armen op geestelijk en tijdelijk gebied bestelt. Salomo zegt hier hetzelfde als wat de dichter in Psalm 146 uitspreekt. 27. Een ongerechtig man, die niet naar Gods gebod vraagt, maar zich overgeeft aan de lusten van zijn tot het kwade geneigd hart, is den rechtvaardige, die in de vreze Gods den weg Zijner geboden wandelt, een gruwel, hij gevoelt zich innerlijk van hem gescheiden; maar ook het omgekeerde is waar: want die recht is van weg, is den goddeloze een gruwel, en wordt dodelijk door hem gehaat. Even groot als de tegenstelling tussen beiden is, even verschillend zal ook hun beider oordeel (Vers 26) zijn.
Met deze duidelijke uiteenzetting van de nooit op te heffen tegenstelling, die sedert Adams val tussen de goddelozen en rechtvaardigen bestaan heeft, sluiten de mannen aan Hizkia hun verzameling.
Maar deze tegenstelling tussen goeden en bozen scherp te doen uitkomen en in een helder licht te stellen is ook de taak van de wereldgeschiedenis, het doel aan alle goddelijke onderwijzing en leiding in den loop der gebeurtenissen.
Er bestaat velerlei en grote verscheidenheid en tegenstelling onder de mensen, maar het sterkst openbaren die zich tussen goddelozen, ongelovigen, gewetenlozen en tussen vromen, gelovigen, wedergeborenen. De wereld tracht altijd gaarne dat onderscheid te verbloemen. Zij zou zo gaarne de weinige vromen voor goddeloos en de vele goddelozen, d.i. alle onbekeerden en ongelovigen vroom verklaren. En toch wil zij aan den anderen kant slechts geheel heiligen als vromen en grove misdadigers als goddeloos aanmerken. De ganse Heilige schrift ijvert en getuigt daartegen. Zij tracht even als hier, ons geweten wakker te schudden en sterker te doen spreken, opdat wij ons ernstig onderzoeken en ons in het licht van Gods woord afvragen: tot welke behoort gij?.
Daar is een onophoudelijke strijd tussen deugd en ondeugd, even als tussen licht en duisternis, vuur en water, maar dit is in het bijzonder waar, met betrekking tot de oude vijandschap tussen het Zaad der vrouw en het zaad der slang. Allen, die geheiligd zijn, stellen belang in het heil der zielen van anderen, maar zij haten de wegen en daden van hen, die God niet voor ogen houden, en de mensen tot het verderf brengen; zij verfoeien hun gedrag, maar bidden voor hun personen, die zij beklagen..
De rechtvaardige verfoeit de zonden der goddelozen, mijdt hun gezelschap en getuigt door woord en daad tegen hun ongerechtigheden. Zijn afkeer van dezelve is een deel van zijne gelijkvormigheid met Christus, die de huichelaars ten toon stelde, en tegen de goddeloosheid der mensen getuigde, die evenwel allen tot bekering riep, en voor de goddelozen bad, toen zij Hem kruisigden. Haat tegen de zonde in ons zelven en anderen is noodzakelijk in den Christus. Indien wij vrienden van Christus zijn, zullen wij vijanden zijn van hen, die Hem op het kruis brachten..
Allen, die ongeheiligd zijn, hebben een even diep gewortelden afkeer van godsvrucht en vromen. De goddeloosheid der goddelozen openbaart zich daarin, dat zij degenen haten, die God liefheeft, maar hun ellende bestaat daarin, dat zij hen haten, die zij eerlang eeuwige eer en zaligheid zullen zien genieten, en die eenmaal heerschappij over hen zullen voeren..