Psalm 146:1-4
Men onderstelt dat David deze psalm geschreven heeft, en hij was zelf een prins, een machtige prins, en als zodanig kon men gedacht hebben:
1. Dat hij vrijgesteld zou zijn van de dienst om God te loven, dat hij er mee kon volstaan om te zorgen dat zijn priesters en zijn volk dit deden, maar dat hij dit niet zelf, in eigen persoon, zou behoeven te doen. Michal dacht dat het een verkleining voor hem was om te huppelen voor de ark, maar hij zelf was zo weinig van die mening, dat hij de eerste en de voornaamste wilde zijn in dit werk, vers
2. Hij dacht dat zijn waardigheid er hem zo weinig van vrijstelde, dat zij het hem eerder ten plicht stelde om er anderen in voor te gaan, en dat het hem zo weinig vernederde, dat hij er juist door verhoogd werd, daarom wekt hij er zich toe op om er zien werk van te maken: O mijn ziel! prijs de Heere. En hij besluit om er bij te blijven, er mee voort te gaan, "Ik zal Hem prijzen met mijn hart, met mijn mond zal ik Hem psalmzingen. Hierin wil ik het oog op Hem hebben als de Heere, oneindig zalig en heerlijk in zichzelf, en als mijn God, in verbond met mij." Lof is dan het lieflijkst, als wij bij het loven van God het oog op Hem hebben als onze God, in wie wij deel hebben, en tot wie wij in betrekking staan. "Dat zal ik voortdurend doen, zolang als ik leef, elke dag van mijn leven, en tot aan het einde van mijn leven, ja ik zal het doen terwijl ik nog ben, want als ik niet meer ben, niet meer besta op de aarde, dan hoop ik te bestaan in de hemel, daar een nog beter aanzijn te hebben, en dit werk dus nog beter te doen." Datgene, hetwelk het grote doel is van ons bestaan, behoort onze grote bezigheid en verlustiging te zijn terwijl wij bestaan. in U en voor U moeten onze tijd en onze krachten gebruikt worden "
3. Men zou kunnen denken dat hij, die zo groot een zegen is geweest voor zijn land, aangebeden zou zijn geworden naar de gewoonte van de heidense volken, die hun helden vergood hebben, dat zij allen zouden komen om zich te vertrouwen onder zijn schaduw, dat zij hem tot hun steun en sterkte zouden maken. "Neen," zegt David, "Vertrouwt niet op prinsen, vers 3, niet op mij, noch op een ander, stelt geen vertrouwen in hen, hebt geen verwachtingen van hen. Weest niet al te zeker van hun oprechtheid, sommigen hebben gedacht dat zij zoveel beter konden regeren naarmate zij beter wisten te veinzen, weest niet al te zeker van hun standvastigheid en trouw, het is mogelijk dat zij van zin veranderen en hun woord breken." Maar al veronderstellen wij ook dat zij wijs en goed zijn, zoals David zelf het was, moeten wij toch niet al te zeker zijn van hun macht en van hun standvastigheid, want zij zijn van Adam, zwak en sterflijk. Er is in waarheid een Zoon des mensen in wie hulp is, in wie heil is, en die hun, welken op Hem vertrouwen niet zal falen. Maar alle anderen zijn als de mens, van wie zij afstammen.
A. Wij kunnen niet zeker zijn van hun vermogen, zelfs de macht van koningen kan zo gekortwiekt en verzwakt zijn, dat zij niet instaat zijn om voor ons te doen wat wij van hen verwachten. David zelf heeft erkend: ik ben heden zwak hoewel ik tot koning gezalfd ben 2 Samuël 3:39, zodat in des mensen zoon dikwijls geen hulp, geen heil is, hij is in verlegenheid, ten einde raad, versaagd, en hoewel hij een held is, kan hij dan toch niet verlossen, Jeremia 14:9.
B. Wij kunnen niet zeker zijn van hun duurzaamheid. Gesteld eens dat hij het in zijn macht heeft om ons te helpen, terwijl hij leeft, maar hij kan plotseling weggenomen worden op het ogenblik, wanneer wij het meest van hem verwachtten, vers 4. Zijn geest gaat uit, zijn adem gaat uit, dat doet hij ieder ogenblik, maar dan komt hij terug, maar het is hier een wenk dat hij weldra voor goed zal uitgaan en niet zal wederkeren, en dan keert hij wederom tot zijn aarde. De aarde is zijne, ten opzichte van zijn oorsprong als mens, de aarde, uit welke hij genomen was, en tot welke hij daarom moet wederkeren, naar luid van het vonnis, Genesis 3:19. Zij is zijne, indien hij een wereldsgezind man is, ten opzichte van keus, zijn aarde, die hij gekozen heeft tot zijn deel, en op de dingen waarvan hij zijn hart gezet heeft. Hij zal heengaan naar zijn eigen plaats. Of liever, het is zijn aarde, vanwege het bezit, dat hij erin heeft, en hoewel hij grote bezittingen op aarde heeft gehad, is een graf alles wat er voor hem van overblijft. De aarde heeft God de kinderen van de mensen gegeven en veel getwist is er over, en als een teken van hun gezag noemen de mensen de landen naar hun namen. Maar na een wijle zal geen deel van de aarde het hunne zijn, behalve dat deel, waarin het bed is voor hun dood lichaam en dat zal het hunne blijven, zolang de aarde blijft. Maar als hij tot zijn aarde wederkeert, te dienzelfde dage vergaan zijn gedachten, al de plannen en voornemens, die hij had omtrent vriendelijkheid jegens ons, verdwijnen, zijn heengegaan, en hij kan er geen enkele stap meer in doen, al zijn bedoelingen zijn afgesneden en met hem begraven, Job 17:11 En wat komt er dan van onze verwachtingen van hem? Prinsen zijn sterflijk, zowel als andere mensen, en daarom kunnen wij die zekerheid niet hebben van hulp van hen te zullen ontvangen, die wij hebben van die potentaat, die onsterfelijkheid heeft. Laat af van de mens, wiens adem in zijn neus is, en daar niet lang zijn zal.