2 Koningen 6:24-33
Deze laatste paragraaf van dit hoofdstuk had eigenlijk de eerste van het volgende behoren te wezen, want zij begint een nieuwe geschiedenis, welke daar voortgezet en geëindigd wordt. Hier is:
I. Het beleg, dat de koning van Syrië voor Samaria sloeg, en de grote nood, die daardoor in de stad heerste. De Syriërs hadden spoedig de vriendelijkheid vergeten, die zij onlangs in Samaria ontvangen hadden, en zeer ondankbaar zoeken zij nu, zonder dat zij er-voorzover blijkt reden of aanleiding toe hadden, haar te verderven, vers 24. Het land was, naar wij kunnen veronderstellen, reeds geplunderd en verwoest, toen de hoofdstad tot de uiterste ellende was gebracht, vers 25. De schaarste, die kortgeleden in het land had geheerst, was waarschijnlijk de oorzaak, dat de voorraadschuren leeg waren, of de belegering moet zo plotseling en snel hebben plaatsgehad, dat zij geen tijd hadden de stad te provianderen, zodat, terwijl van buiten het zwaard verteerde de honger van binnen nog meer ellende veroorzaakte, Klaagliederen 4:9, want het schijnt dat de Syriërs geen plan hadden de stad te bestormen, maar haar wilden uithongeren. Zó groot was de schaarsheid van de levensmiddelen, dat een ezelskop, waaraan slechts weinig vlees is, en dan nog zeer onsmakelijk, ongezond en ceremonieel onrein, verkocht werd voor zestig gulden, en een kleine hoeveelheid van wikken, of linzen, of een dergelijke grove korensoort, toen duivenmest genaamd, voor vijf zilverlingen, of ongeveer negen gulden. Leer overvloed te waarderen en er dankbaar voor te zijn, zie hoe weinig geld waard is, als het in tijden van hongersnood zo geredelijk wordt afgestaan voor iets, dat eetbaar is.
II. De droeve klacht, waarmee een arme vrouw tot de koning kwam in deze ontzettende hongersnood. Hij ging voorbij op de muur, om orders te geven voor het betrekken van de wacht, het posteren van de schutters, het herstellen van de bressen en dergelijke zaken meer, toen een vrouw uit de stad hem toeriep: Help mij, heer koning! vers 26. Tot wie zal de onderdaan, die in nood is, zich om hulp wenden dan tot de koning, die door zijn ambt de beschermer is van het recht en de wreker van het onrecht? Hij geeft een droevig antwoord vers 27. De Heere helpt u niet, waarvan zou ik u helpen? Sommigen denken dat het een twistend woord was, de taal van zijn gemelijk gemoed. "Waarom verwacht gij iets van mij, nu God zelf hard met ons handelt?" Omdat hij haar niet kon helpen, zoals hij gaarne gewild zou hebben, van de dorsvloer of van de wijnpers, wil hij haar in het geheel niet helpen, wij moeten ons er voor wachten om door beproevingen zuur of gemelijk te worden. Maar het schijnt veeleer een kalmerend woord te zijn: "Laat ons tevreden wezen en ons voordeel doen met de beproeving door tot God op te zien, want voordat Hij ons helpt kan ik u niet helpen."
1. Hij betreurt de leegte van de dorsvloer en de wijnpers, die waren niet wat zij geweest zijn, zelfs die van de koning faalden. Wij lezen in vers 23 van de grote voorraad van levensmiddelen, waarover hij te beschikken had, voldoende om een leger te kunnen onthalen, maar nu heeft hij niets, waarmee hij een arme vrouw te hulp kon komen. Op grote overvloed volgt soms schaarste, wij kunnen er niet zeker van wezen, dat "de dag van morgen zal zijn als deze," Jesaja 56:12, Psalm 30:7.
2. Hij bekent zich hiermede onmachtig om te helpen, tenzij God hen hielp. Zonder God zijn schepselen hulpeloos want ieder schepsel is al hetgeen, maar ook alleen hetgeen God het doet zijn. Maar hoewel hij haar niet kan helpen, is hij toch bereid haar te horen, vers 28. " Wat is u? Is er iets bijzonders met u of gaat het u slechter dan uw naburen?" Gewis, zij en een van haar naburen hadden een wrede barbaarse overeenkomst gemaakt, namelijk dat, al haar voorraad levensmiddelen op zijnde, zij eerst haar zoon zouden koken en opeten, en dan die van haar buurvrouw, de hare was gekookt en opgegeten, (wie kan er zonder afgrijzen aan denken!) en nu heeft haar buurvrouw haar zoon verborgen, vers 28, 29. Zie hier een voorbeeld van de heerschappij, die het vlees heeft verkregen over de geest, als de meest natuurlijke genegenheid van het hart aldus door de natuurlijke lusten overheerst kunnen worden, zie het woord van God vervuld, onder de bedreigingen van Gods oordelen over Israël om hun zonden, was deze, dat zij het vlees van hun eigen kinderen zullen eten, Deuteronomium 28:53-57, hetgeen men ongelooflijk zou achten, en toch is het gebeurd.
III. De toorn van de koning tegen Elisa bij die gelegenheid, hij betreurde de ramp, scheurde zijn kleren, en had een zak over zijn vlees, vers 30, als iemand wie de ellende van zijn volk van harte leed is, en die het betreurt dat hij de macht niet heeft hen te helpen, maar hij treurt niet over zijn eigen ongerechtigheid noch over de ongerechtigheid van zijn volk, die de oorzaak was van deze ramp, hij bemerkt niet dat zijn weg en handelingen hem deze dingen gedaan hebben, dat is zijn boosheid, dat het zo bitter is. De dwaasheid van de mensen zal zijn weg omkeren, en dan gaat zijn hart zich tegen de Heere vergrammen. In plaats van de gelofte te doen dat hij de kalveren van Dan en Bethel zal vergruizen, het recht zijn loop zal laten hebben tegen de profeten van Baäl en van het bos, zweert hij de dood van Elisa, vers 31. Maar waarom? Wat heeft Elisa gedaan? Zijn hoofd is het onschuldigste en het kostbaarste van geheel Israël, maar toch moet dit vallen, tot een anathema worden gemaakt. Zo werd in de dagen van de vervolgzieke keizers van Rome, als het rijk door een buitengewone ramp werd getroffen, aan de Christenen de schuld gegeven, en werden zij ten verderve gewijd: "Christianos ad leones! De Christenen voor de leeuwen!" Misschien was Joram aldus in toorn ontstoken tegen Elisa, omdat hij dit oordeel voorzegd had of hem bewogen had om vol te houden en de stad niet over te geven, of liever omdat hij door zijn gebeden het beleg niet heeft doen opbreken en de nood van de stad niet heeft verlicht, dat hij naar hij, Joram, dacht, kon doen maar niet wilde doen, terwijl zij, voor zij zich bekeerden, en aldus voor verlossing bereid waren gemaakt geen reden hadden om te verwachten dat de profeet voor hen zou bidden.
IV. Elisa voorzag des konings raadslag tegen hem, vers 32. Hij zat kalm en rustig in zijn huis in gezelschap van de oudsten, nuttig en Godvruchtig bezig ongetwijfeld, terwijl de koning als een wilde os in het net was of als de onstuimige zee, die niet tot bedaren kan komen. Hij zei aan de oudsten dat een beambte van de koning in aantocht was, om zijn hoofd af te hakken, en verzocht hun hem op te houden aan de deur en hem niet binnen te laten, want de koning, zijn meester, volgde hem om de order te herroepen, gelijk wij kunnen veronderstellen. Dezelfde geest van de profetie die Elisa instaat stelde om te zeggen wat er op een afstand voorviel, machtigde hem om de koning de zoon van een moordenaar te noemen, hetgeen wij, niet een gelijke buitengewone opdracht hebben, niet mogen navolgen, verre zij het van ons de heerschappij te verachten en de heerlijkheden te lasteren. Hij beroept zich op de oudsten of hij dit kwaad aan de koning verdiend heeft, zie of hij hierin de zoon van een moordenaar niet is. Want welk kwaad had Elisa gedaan? Hij heeft de dodelijke dag niet begeerd, Jeremia 17:16.
V. De hartstochtelijke spraak van de koning toen hij kwam om de tenuitvoerbrenging van zijn bevel om Elisa te onthoofden te voorkomen. Er schijnt een strijd te zijn geweest in zijn binnenste tussen zijn overtuiging en zijn bederf, hij wist niet wat te zeggen, maar ziende dat de zaken tot het uiterste zijn gekomen, geeft hij zich aan wanhoop over, vers 33. Dat kwaad is van de Heere, hierin waren zijn denkbeelden juist en goed toegepast, het is een algemene waarheid, dat alle kwaad, dat als straf komt, van de Heere is, als de eerste oorzaak er van, en als de soevereine rechter, Amos 3:6, en dit behoren wij toe te passen op onze particuliere zaken en toestanden, indien alle kwaad, dan ook dit kwaad wèlk het ook zij, waaronder wij nu zuchten, en wie er ook de werktuigen voor zijn, God is er de eerste werker van. Maar wat hij afleidt uit deze waarheid was dwaas en goddeloos: Wat zou ik verder op de Heere wachten? Als Eli, en David en Job zeiden: "Het is van de Heere," dan werden zij er geduldig onder, maar deze slechte man werd er beledigend onder: "Ik zal noch erger vrezen, want erger kan er niet komen noch iets beters verwachten, want iets beters zal nooit komen, wij zijn allen verloren, en het is niet te verhelpen." Het is onredelijk om het wachten op God moede te zijn, want Hij is een God van het gericht, en zalig zijn allen, die Hem verwachten.