5. a) Doe den goddeloze, die het welzijn des volks benadeelt, weg van het aangezicht des konings, 1) en b) zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden. 2)
a) Psalm 101. Spreuken 20:8. b) Spreuken 16:12; 20:28; 29:14.
1) Dit wil niet zozeer zeggen, uit de omgeving, uit den raad des konings, maar verdreven van zijn aangezicht. Wat de wijze koning hier zegt, is een beoefening van hetgeen zijn vader David in Psalm 101 uitspreekt.
2) Maar wanneer de goddeloosheid in het hart des konings woont, zo als het schuim in het zilver is, dan baat het niet, wanneer zijne goddeloze vrienden van hem weggedaan worden. Daarom heeft Luther, geheel algemeen, "goddeloos bestaan" vertaald, en den goddeloze in en buiten den koning zamengevat. De smelter echter, die alleen den goddeloze, die den waren koning wil onderdrukken en vervangen, uit het hart kan verdrijven, is volgens Hoofdstuk 17:3. Jesaja 48:10. Psalm 66:10, Hij, die de harten kent en de nieren proeft. Maar-wilt gij, die geen koning zijt, niet ook uw ondoorgrondelijk hart onderzoeken en toezien, of het met u anders gesteld is? Een ieder toch streeft in zijne blindheid naar iets hogers, waardoor hij zijn hart, zich zelven leert begrijpen: nu laat u dan van Boven den sleutel en den hamer toereiken voor de met schuim overdekte diepte uws harten, opdat de zilverglans der kennis van uw ingeschapen beeld Gods, dat nog niet geheel verloren is, en van uwe roeping, om een koning te worden te voorschijn trede; wees daarom getroost, wanneer de Heere wil zitten en louteren. -Hij kan het met al Zijne macht niet bij u tot stand brengen, wanneer gij u niet bekeren en der zonde wilt afsterven. Het geldt loutering, een uitdrijven van den goddeloze voor den geroepen koning-dan worden het ongetwijfeld enkel koningen, slechts vrije, edele heersers, die in den dienst Gods en voor de gerechtigheid werkzaam zijn. Zo zal in gerechtigheid ook uw troon bevestigd worden, en gij zult een wijze zijn te midden van het gewoel der dwazen. Reinig u niet slechts van de gemeenschap met de vaten ter onere daar buiten, maar voornamelijk van de ongerechtigheid, van welke hij, die den Naam des Heeren noemt, afstand moet doen, en gij zult een bruikbaar vat worden voor den groten Heer des huizes, die zo gaarne niets dan koningen en deelgenoten Zijner heerlijkheid uit de goddelozen voor zich wil toebereiden.