12. Het is der koningen gruwel, goddeloosheid te doen, zowel wanneer hij zelf het onrecht, dat hij naar Gods verordening moet bestraffen, doet, als dat zijn volk de geboden Gods overtreedt; want zowel zijne eigene zonde als die van zijn volk vernietigt de heerlijkheid, die den koning door den Heere gegeven is, en brengt Gods gericht over hem en zijn land; maar door gerechtigheid, die de koning handhaaft, en die zijn volk in handel en wandel oefent, wordt de troon door God bevestigd, zodat geen vijand of enige ramp hem kan schaden (Hoofdst 14:34; 25:5).
In dit en in het volgende vers is het vertrouwen uitgedrukt, dat een koning zich nooit zo ver kan vervreemden van de verplichtingen, die God zelf aan zijn ambt heeft verbonden, dat daarvan in de uitoefening van zijne heilige taak niet iets zou overblijven..
Zoals Vers 10b een vermaning tot de koningen behelst, welke zich met de daadzaak in Vers 10b genoemd in verband staat, zo bevat Vers 12a een vermaning, welke door de daadzaak van vers 12b bevestigd wordt. Het is een feit, dat de troon slechts door gerechtigheid vaststaat, derhalve zij het den koningen een gruwel, middellijk en onmiddellijk goddeloosheid te plegen, door zich, in despotische willekeur, te stellen boven de wet. Zulk een goddeloosheid zal hen een afschuw zijn en pleegt het ook te zijn, wijl zij weten, dat zij daardoor de vastigheid van hun troon in gevaar stellen..
Wat hier van de koningen gezegd wordt, is ook, zo als van zelven spreekt, op elke Overheid toepasselijk. Alleen het vasthouden aan hunnen eigenen goddelijken oorsprong, aan de goddelijke openbaring, aan de eeuwige goddelijke instellingen, geeft haar vastheid en bestendigheid. Zodra zij zich daarentegen van haren oorsprong van Boven losmaakt, hare macht en waardigheid uit het volk, uit menselijke overeenkomsten afleidt, en zo als dit b.v. door de afschaffing van de doodstraf geschiedt, dat men God niet meer als de hoogste macht eerbiedigt, dan houdt hare macht ook op ene hogere macht te zijn, en is ook inderdaad gene Overheid meer..