20. Want de kwade zal gene beloning hebben, hoe goed voor het ogenblik zijn uitwendige toestand ook zijn moge; a) de lamp der goddelozen, de glans van hun leven en geluk zal, dikwijls reeds hier op aarde, zeker echter na hunnen dood in eeuwige duisternis uitgeblust worden.
a) Job 18:5,6. Spreuken 13:9; 20:20.
Ook ten opzichte van den tijd, waarin de gedachten en begeerten der mensen zich bewegen, onderscheiden zij zich het meest van elkaar. De ongelovigen leven over het algemeen slechts voor het tegenwoordige; want de toekomst, die zij zich gedroomd hebben, zal zich nooit verwezenlijken, en wanneer zij zich den "goeden ouden tijd" voor den geest halen, zo geschiedt dit met een eenzijdig te hoog schatten van dit verledene en ene hoogmoedige geringschatting van het tegenwoordige. Alleen de gelovige, wiens leven gegrondvest is in dien God, die is, die was en die komen zal, leeft zowel in het verledene als in het tegenwoordige en de toekomst, maar rusten kan hij slechts in die toekomst, die hem door de levende hoop op de erve der heiligen in het licht, naar de beloften Gods voorgehouden wordt, en ook hierin toont de gelovige een waarlijk ruim en vrij standpunt te bezitten, tegenover den bekrompen blik der wereld, die slechts op het zichtbare, op het kortstondig schitterende gericht is. Hij alleen weet, welk einde de uiterlijk zo schitterende ontwikkeling der wereld hebben zal; hij weet, dat het ene grote leugen des Satans is, die zich als een engel des lichts voordoet, wanneer er beweerd wordt, dat de wereld in het goede, in volmaakte kennis der waarheid, in diepe zedelijke vorming vooruitgaat; hij weet, dat de wereld de genadegaven Gods hoe langer hoe meer veracht en verwerpt, en alzo voor het oordeel rijp wordt; hij weet, dat de ontwikkeling der wereld slechts van kwaad tot erger voortgaat. Maar hij kent ook de organische ontwikkeling van het rijk Gods tegenover die der wereld en weet, dat, hoe slechter de tijden zijn, de tijd ook des te meer nadert, waarin voor de gelovigen het geroep weerklinkt: "Heft uwe hoofden op, want ziet uwe verlossing is nabij." Daarheen gaat zijn verlangen uit; op die heerlijke toekomst van den Zoon des mensen richten zich al zijne gedachten en wensen. Hij alleen heeft daarom ene zekere, gewaarborgde toekomst; maar de heidenen hebben gene hoop..