Mattheus 6:1-4
Gelijk wij beter moeten doen dan de schriftgeleerden en Farizeeën in het vermijden van zonden van het hart-overspel in het hart, moord in het hart-zo moeten wij ook meer doen om den Godsdienst van het hart te handhaven en te bewaren, doende wat wij doen uit een innerlijk levensbeginsel, ten einde wèl Gods goedkeuring, maar niet de toejuiching van de mensen te verkrijgen, dat is: wij moeten waken tegen geveinsdheid, die, evenals hun leer, de zuurdesem was van de Farizeeën, Lukas 12:1. Het geven van aalmoezen, gebed en vasten zijn drie grote plichten van den Christen- de drie grondslagen der wet, zeggen de Arabieren, door dezen dienen wij God en doen Hem hulde, door gebed met onze ziel, door te vasten met ons lichaam, door aalmoezen te geven met onze bezittingen. Aldus moeten wij niet slechts afwijken van het kwade, maar het goede doen, en het goed doen, en aldus wonen in eeuwigheid. Nu worden wij in deze verzen gewaarschuwd tegen geveinsdheid in het geven van aalmoezen.
Hebt acht. Dat ons geboden wordt acht te hebben, of ons te hoeden, duidt aan, dat het zonde is.
1. Wij zijn er in groot gevaar van. Het is ene listige zonde, ijdelheid, eigen lof, mengt zich in hetgeen wij doen, eer wij het weten. De discipelen zouden er in verzoeking van kunnen komen, omdat zij de macht hadden vele wonderen te doen, en door hun wonen onder sommigen, die hen bewonderden, en anderen, die hen verachtten, want die beiden zijn ene verzoeking om een schoon gelaat te willen tonen naar het vlees.
2. Het is ene zonde, die ons in groot gevaar brengt. Wacht u voor geveinsdheid, want indien zij in u heerst, zal zij u in het verderf storten. Het is de dode vlieg, die de ganse fles met kostelijke zalve bederft. Er worden hier twee dingen verondersteld.
I. Het geven van aalmoezen is een grote plicht, een plicht, waarin al de discipelen van Christus naar vermogen overvloedig zijn moeten. Het is voorgeschreven door de wet der natuur en de wet van Mozes, en de profeten hebben er groten nadruk op gelegd. In verschillende oude handschriften leest men hier voor tèn eleemosunèn, uwe aalmoezen, ten dikaiosunen, uwe gerechtigheid, want aalmoezen, zijn gerechtigheid, Psalm 112:9, Prediker 10:2. De Joden noemden de armenbus, de bus der gerechtigheid. Van hetgeen aan de armen gegeven wordt, wordt gezegd dat het hun toekomt, Prediker 3:27. De plicht is er niet minder nodig en voortreffelijk om, dat geveinsden hem misbruiken tot streling van hun hoogmoed. Als bijgelovige Papisten werken van liefdadigheid als verdienste aanmerken, dan is dit voor geldgierige Protestanten gene verontschuldiging voor hun onvruchtbaarheid in goede werken. Het is waar: onze aalmoezen verdienen ons den hemel niet, maar even waar is het, dat wij zonder goede werken niet naar den hemel zullen gaan. Het is de zuivere Godsdienst, Jakobus 1:27, en zal op dien groten dag een toets wezen, Christus gaat hier uit van de stelling, dat Zijne discipelen aalmoes doen, en die het niet doen, zal Hij niet als Zijne discipelen erkennen.
II. Dat het een plicht is, waaraan een groot loon verbonden is, welk loon verloren wordt, indien de plicht uit veinzerij geschiedt. Soms bestaat het loon in tijdelijke zaken, in overvloed, Prediker 11:24, 25, 19:17, in beveiliging tegen gebrek, Prediker 28:27, Psalm 37:21, 25, in ondersteuning in nood of benauwdheid, Psalm 41:1, 2, in ere en een goeden naam, welke het meest te beurt vallen aan hen, die ze het minst begeren: Psalm 112:9. Evenwel, het zal beloond worden in de opstanding der rechtvaardigen, in eeuwigen rijkdom, Lukas 16:14.
Quas dederis, solas semper habebis, opes. De rijkdom, dien gij mededeelt, is de enige rijkdom, dien, gij altijd behoudt. -Martialis. Dit nu verondersteld zijnde, let nu op:
1. Hetgeen de praktijk was van de geveinsden ten opzichte van dezen plicht. Zij hebben dien plicht volbracht, voorzeker! maar niet uit het beginsel van gehoorzaamheid aan God, of uit liefde jegens de mensen, maar uit hoogmoed en verwaandheid, niet uit medelijden jegens de armen, maar uit praalzucht, om geroemd te worden als deugdzame mannen, en zich aldus de achting van het volk te verwerven, waarmee zij dan hun voordeel wisten te doen, zodat zij veel meer ontvingen dan zij gaven. Met deze bedoeling gaven zij dan ook hun aalmoezen in de synagogen, en in de straten, waar de grootste toeloop was van het volk, en zij dus het meest gezien werden door de lieden, die hun vrijgevigheid loofden, omdat zij er in deelden, maar te onwetend waren om hun' afschuwelijken hoogmoed te doorzien. Waarschijnlijk waren er in de synagogen collecten voor de armen, en de gewone bedelaars waren op straat en op de wegen, en zo verkozen zij dan dáár in het publiek hun aalmoes te doen. Niet, dat het onwettig is aalmoezen te geven waar de mensen ons zien kunnen, dit mogen wij doen en moeten wij doen, maar niet opdat de mensen ons zien zullen, veeleer behoren wij die voorwerpen van liefdadigheid te kiezen, die minder in het oog vallen. Als de geveinsden in hun eigene huizen aalmoes deden, lieten zij op de trompet blazen, onder voorwendsel van de armen samen te roepen om hun de aalmoezen uit te reiken, maar in werkelijkheid om hun liefdadigheid bekend te maken, er de aandacht op te vestigen, opdat men er van spreken zou. Het oordeel nu, dat Christus hierover uitspreekt, is zeer opmerkelijk: Voorwaar Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. Op den eersten aanblik schijnt dit ene belofte. Indien zij hun' loon weg hebben, dan hebben zij genoeg, maar er zijn twee woorden in, die het tot ene bedreiging maken.
a. Het is een loon, maar het is hun loon, niet het loon, dat God belooft aan hen, die weldoen, maar het loon, dat zij zich zelven beloven, en dat is een armzalig loon. Zij deden het om van de mensen gezien te worden, en zij zijn door de mensen gezien, zij verkozen hun eigene handelingen, waarmee zij zich zelven misleidden, en nu zullen zij hebben wat zij verkozen. Vleselijk gezinde belijders maken een beding met God voor bevordering, eer, rijkdom, en zij zullen hun buik vol krijgen, Psalm 17:14 van deze dingen, maar laten zij nu ook niets meer verwachten. Dat is hun troost, Lukas 6:24, hun goed, Lukas 16:25, en daarmee zullen zij weggezonden worden. "Zijt gij niet met mij eens geworden voor een penning? Het is de overeenkomst, waaraan gij u te houden zult hebben."
b. Het is een loon, maar het is een tegenwoordig loon, zij hebben het, en er is hun geen weggelegd in de toekomst. Al wat zij waarschijnlijk ooit van God zullen hebben, hebben zij nu, zij hebben hun loon hier, en hebben er geen te hopen hier namaals.
Apechousi ton misthon. Het betekent volledige ontvangst, algehele afbetaling. Het loon, dat de Godvruchtigen in dit leven ontvangen, is slechts ene betaling in mindering, er zal meer volgen, veel meer, maar de geveinsden hebben hun al in deze wereld zo zal hun oordeel wezen, zij hebben het zelf beslist. Voor de heiligen is de wereld slechts teerkost voor de geveinsden is zij betaling, het is hun deel. 2. Wat hieromtrent het gebod is van onzen Heere Jezus, vers 3, 4. Hij, die zelf zulk een voorbeeld was van ootmoed, dringt er bij Zijne discipelen op aan, als volstrekt noodzakelijk voor het welbehaaglijk zijn van hetgeen zij doen, "Laat uwe linkerhand niet weten, wat uwe rechter doet, als gij aalmoes doet". Wellicht was dit ene toespeling op de plaatsing van het Corban, de armenbus, of de kist, waarin zij hun vrijwillige offergaven wierpen, aan de rechterzijde van den ingang des tempels, zodat zij er hun gaven met de rechterhand in deden. Of wel, het geven van aalmoezen met de rechterhand, duidt bereidwilligheid en vastberadenheid er toe aan, doe het geschikt, handig, niet links of met ene linkse bedoeling. De rechterhand kan gebruikt worden om de armen te helpen, hen op te heffen, voor hen te schrijven, hun wonden te verbinden, en op andere wijzen, behalve nog voor het geven, maar "welke vriendelijkheid gij ook met uwe rechterhand doet aan de armen, laat uwe linkerhand het niet weten, verberg het zoveel gij kunt, doe al het mogelijke om het voor u te houden. Doe het, omdat het een goed werk is, niet omdat het u een goeden naam zal geven." In omnibus factis, re, non teste, moveamur. -In al onze handelingen moeten wij ons door het beoogde doel, niet door den toeschouwer laten influenceren. Cicero. Er wordt te kennen gegeven, dat wij anderen niet moeten laten weten wat wij doen, neen, niet hen die aan onze linkerhand staan, die zeer dicht bij ons zijn. In plaats van hen er mede bekend te maken, verberg het voor hen, zo het mogelijk is, toon, dat gij zo verlangt om het voor hen te verbergen, dat zij uit beleefdheid er niet over spreken, en het ook aan anderen niet mededelen.
a. Dat wij er zelf niet te veel acht op moeten slaan, de linkerhand is een deel van ons, wij moeten ook bij ons zelven niet al te veel letten op het goede dat wij doen, er ons zelven niet om bewonderen. Eigenwaan en zelfbehagen, en een aanbidden van onze eigene schaduw zijn uitspruitsels van hoogmoed, even gevaarlijk als verwaandheid en praalzucht, het verlangen om door de mensen gezien te worden. Wij bevinden, dat aan diegenen hun goede werken in ere herdacht werden, die ze zelf hadden vergeten: Wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig?
3. Wat de belofte is aan hen, die aldus oprecht en nederig zijn in hun aalmoes doen: Uwe aalmoes zij in het verborgen, dan zal uw Vader, die in het verborgen ziet, ze opmerken. Als wij zelf van onze goede daden het minst notitie nemen, worden zij door God het meest opgemerkt. Gelijk God het onrecht hoort, dat ons wordt aangedaan, als wij het niet horen, Psalm 38:14, 15, zo ziet Hij het goed, dat door ons gedaan wordt, als wij het niet zien. Gelijk het ene verschrikking is voor de geveinsden, dat God ziet in het verborgen, zo is dit voor oprechte Christenen ene vertroosting. Maar dit is niet alles, niet slechts het opmerken en de lof, maar het loon is van God, Hij zelf zal het u in het openbaar vergelden. Zij, die bij hun aalmoes doen er naar streven zich Gode welbehaaglijk te maken, nemen Hem aan als hun Betaalmeester. De geveinsde grijpt naar de schaduw, maar de oprechte verzekert zich van het wezen. Let op den nadruk, waarmee dit hier gezegd wordt: Hij zelf zal vergelden, Hij zelf zal de Beloner wezen, Hebreeën 11:6. Laat het Hem gerust over om het te vergelden, ja Hij zelf zal het Loon wezen, Genesis 15:1, uw loon zeer groot. Hij zal u belonen als uw Vader, niet als een meester, die zijn dienstknecht geeft wat hij verdiend heeft en niets meer, maar als een vader, die veel meer geeft, en zonder beperking, aan zijn zoon, die hem dient. Ja, Hij zal u in het openbaar vergelden, indien niet heden, dan toch in dien groten dag, alsdan zal een iegelijk lof hebben van God, openlijk lof, gij zult beleden worden voor de mensen. Indien het werk niet openbaar was, zal het loon wel openbaar wezen, en dat is beter.