2. a) Rijken en armen ontmoeten elkaar gedurig, zij hebben elkaar nodig, en kunnen elkaar in het geheel niet ontberen; want zij moeten den een den ander wederkerig helpen en ondersteunen in alle lichamelijke behoeften; de HEERE heeft hen allen gemaakt; maar ofschoon zij allen voor God gelijk zijn, bestaan er toch verschillende rangen en standen, en dat is de heilige en wijze beschikking van God, die men niet ongestraft mag verachten, en nog minder verstoren. Iedere stand heeft zijn eigene bijzondere roeping ontvangen en door deze trouw waar te nemen en te vervullen, bewerkt hij zijne zaligheid, en helpt het rijk van God opbouwen (
Jesaja 34:14.
Job 31:15.
Hoofdstuk 14:31;
17:5).
a) Spreuken 29:13.
Is het echter Gods ordening, zo mort niet, gij, wien God in armoede laat leven; weest niet ontevreden met uw lot, en verbeeldt u niet, dat u ongelijk aangedaan wordt in vergelijking van anderen. Uw God en Vader, die u deze plaats aanwees, is de alwijze God, die het beste weet wat tijdelijk en eeuwig goed voor u is. Hij is een rechtvaardig God, die u zeker geen haarbreed van dien weg doet afgaan, die u waarlijk gelukkig maakt. -Is het Gods beschikking, dat rijken en armen op aarde onder elkaar wonen, weest daarom niet trots of gierig, niet hard of onbarmhartig, gij, aan wien God rijkdom heeft geschonken. Bedenkt, dat uwe aardse goederen u door God gegeven zijn, om daarover goed te beschikken, om daarmee in Zijnen naam en op Zijn bevel goed te doen, en dat Hij u rekenschap daarvoor zal afeisen, en het u streng zal vergelden wanneer gij het u toevertrouwde pand niet goed hebt aangewend. Maar de rijke wordt om zijn rijkdom niet veroordeeld, evenmin heeft ook de armoede den armen Lazarus zalig gemaakt. Abraham, Izak, Jakob, Jozef, David zijn ook rijk geweest, maar zij waren Gode aangenaam en welgevallig, omdat zij God vreesden. Daarentegen zijn vele profeten, apostelen en andere kinderen Gods zeer arm en ellendig geweest, en zijn toch dierbaar geweest in Gods ogen, omdat zij toch rijk waren in hun hart, dat met geestelijk goed vervuld was.
God heeft den mens geschapen, opdat hij Hem zou dienen, opdat hij onder Hem zijne ordinantiën zou onderdanig zijn, maar ook opdat zij elkaar zouden dienen. Waar de eerste mens God de gehoorzaamheid had opgezegd, daar was ook bij den mens de zucht tot heersen over elkaar opgekomen. Kaïn wilde over Abel heersen en waar hij bevreesd was, ja meende, dat Abel nu over hem, den oudere, dacht te heersen, omdat God zijn offer had aangenomen daar sloeg hij hem dood, hoewel God hem had gezegd, dat Abels begeerte tot hem, Kaïn, was, d.w.z. dat Abel hem wilde blijven dienen.
Hier wijst Salomo er duidelijk op, dat de rijke den arme te dienen heeft en de arme den rijke.