Spreuken 16:2
1. Wij zijn geneigd om partijdig te zijn in ons oordeel over onszelf. Alle wegen des mans, al zijn voornemens, al zijn handelingen zijn zuiver in zijn ogen, hij ziet er niets verkeerds in, niets om hetwelk hij zich zou moeten veroordelen, niets gebrekkigs in zijn plannen, waardoor zij zouden moeten mislukken, en daarom vertrouwt hij vast voorspoed te zullen hebben, en dat het antwoord van de tong zal wezen naar de verwachting van zijn hart, maar er is zeer veel onreins, dat onze wegen aankleeft, waarvan we ons niet bewust zijn, of waarvan wij niet zo slecht denken als wij behoorden.
2. Gods oordeel, ons betreffende, dies zijn wij zeker, is naar waarheid. Hij weegt de geesten in een rechte, onfeilbare weegschaal, Hij weet wat in ons is, en daarnaar spreekt Hij een oordeel over ons uit, Tekel schrijvende op hetgeen in onze weegschaal is goedgekeurd, in de weegschaal gewogen en te licht bevonden, en naar Zijn oordeel moeten wij staan of vallen. Hij ziet niet slechts der mensen wegen, maar beproeft hun geesten, en wij zijn zoals onze geest is.