Spreuken 14:21
Ziehier hoe het karakter van de mensen en hun toestand afgemeten en beoordeeld worden naar hun gedrag en handelwijze jegens hun arme naburen.
1. Aan hen, die met minachting op hen nederzien, wordt hier een slecht karakter toegeschreven en in overeenstemming hiermede zal hun toestand zijn. Hij, die zijn naaste veracht omdat hij van geen aanzien is in de wereld, van geringe afkomst is, een boerse opvoeding heeft gehad, die het beneden zich acht om notitie van hem te nemen, met hem te spreken, of zich aan hem gelegen te laten liggen, en hem bij de honden van zijn kudde stelt, is een zondaar, is schuldig aan een zonde, is op weg naar erger, en zal als een zondaar worden behandeld, hij is rampzalig.
2. Zij, die hen aanzien met ontferming, worden hier gezegd in een goede toestand te zijn in overeenstemming met hun karakter. Die zich der nederiger ontfermt is bereid om hun alle goede diensten te bewijzen, die in zijn vermogen zijn, en hiermede doet hij hun eer aan, hij is welgelukzalig. Hij doet hetgeen welbehaaglijk is aan God, hetgeen, waaraan hij zelf later met grote voldoening zal denken, waarvoor de armen hem zullen zegenen, en dat hem overvloedig zal betonen in de dag van de opstanding van de rechtvaardigen.