Psalm 94:12-23
De psalmist had verdrukking aangekondigd aan degenen, die Gods volk verdrukken, en nu verzekert hij rust aan degenen, die verdrukt worden. Zie 2 Thessalonicenzen 1:6, 7. Hij spreekt van vertroosting tot de lijdende heiligen, naar Gods beloften en uit zijn eigen ervaring.
I. Naar Gods beloften, wier inhoud is, niet alleen dat zij er voor behoed zullen worden om rampzalig te zijn, maar ook dat de zaligheid hun verzekerd is, vers 12. Welgelukzalig is de man, o Heere, die Gij tuchtigt. Hier ziet hij over de werktuigen van de ellende heen, en ziet de hand van God, die er een andere naam en een geheel ander aanzien aan geeft. De vijanden verbrijzelen Gods volk, vers 5, zij hebben niets minder op het oog, maar de eigenlijke zaak is dat God door hen Zijn volk tuchtigt, zoals de vader de zoon kastijdt, die hij liefheeft, en de vervolgers zijn slechts de roede, die Hij gebruikt. Hoe dit nu zij, zij menen het zo niet en hun hart denkt alzo niet, Jesaja 10:5-7. Nu wordt hier beloofd:
1. Dat Gods volk nut en voordeel zal hebben uit hun lijden. Als God hen kastijdt, zal Hij hen onderwijzen en zalig is de mens, die aldus onder de Goddelijke tucht wordt genomen, want niemand onderwijst zoals God. De beproevingen van de heiligen zijn vaderlijke kastijdingen, bedoeld ter oneer onderrichting en verbetering. Als het onderwijs van het Woord en van de Geest samengaat met de bestraffingen van de voorzienigheid Gods, dan is dit een voorbeduiding van der mensen zaligheid, en het draagt er toe bij om hen gelukkig en zalig te maken, want dan zijn die bestraffingen tekenen van aanneming en middelen tot heiligmaking. Als wij gekastijd worden, dan moeten wij bidden om onderricht te worden, en in de wet zien, als de beste verklaring van Gods voorzienigheid. Het is niet de kastijding zelf, die goeddoet, maar het onderricht, dat er mee gepaard gaat, en er de verklaring van geeft.
2. Dat zij door hun lijden heen zullen zien, vers 13. Om hem rust te geven van de kwade dagen. Er is een rust, die overblijft voor het volk van God na de dagen van hun tegenspoed die, hoewel zij vele en langdurig kunnen zijn toch ter bestemder tijd geteld en voleindigd zullen worden, en niet altijd zullen duren. Hij, die de benauwdheid zendt, zal de rust zenden, ten einde hen te troosten naar de dagen, in dewelke Hij hen gedrukt heeft. God onderwijst Zijn volk door hun benauwdheden, ten einde hen toe te bereiden voor hun verlossing, en hun alzo rust te geven van hun moeite, verbeterd zijnde kunnen zij verrichting erlangen, en daar dan de beproeving haar werk gedaan heeft, kan zij opgeheven worden.
3. Dat ze het verderf zullen zien van hen die de werktuigen zijn geweest van hun lijden hetgeen een belofte is, niet om aan enigerlei hartstocht van hen bevrediging te geven, maar als uitlopende op de eer en heerlijkheid Gods, totdat de kuil voor de goddeloze gegraven wordt, of liever, terwijl de kuil voor de goddelozen gegraven wordt. God gebiedt vrede voor hen terzelfder tijd, dat Hij Zijn pijlen gereed maakt tegen de vervolgers.
4. Dat zij wel ternedergeworpen kunnen zijn, maar gewis niet zullen worden verlaten vers 14. Laat Gods lijdend volk hiervan verzekerd wezen, dat, wat hun vrienden ook mogen doen, God hen niet zal begeven, hen noch buiten Zijn verbond, noch buiten Zijn zorg zal stoten. Hij zal hen niet verlaten, omdat zij Zijn erfdeel zijn, het recht waarop Hij niet prijs zal geven. Hiermede heeft Paulus zich vertroost, Romeinen 11:1. 5. Dat, hoe slecht het ook staat met de zaken er verbetering in komen zal, want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid, vers 15, de schijnbare wanorde in de handelingen van Gods voorzienigheid (want een wezenlijke is er nooit geweest) zal weer hersteld worden. Gods oordeel, Zijn regering heeft soms het aanzien, alsof zij op een afstand was van de gerechtigheid, daar de goddelozen voorspoedig zijn en de beste mensen de slechtste behandeling ondervinden, maar dit schijnbare onrecht zal hersteld worden, hetzij in deze wereld, of op zijn laatst in het oordeel van de grote dag, dat alles in orde en harmonie zal brengen. Dan zullen alle oprechten van hart het navolgen, zij zullen het volgen met hun lof en met algehele voldoening, zij zullen wederkeren tot een voorspoedige, bloeiende toestand, en uit de duisternis van de onbekendheid in het licht treden, zij zullen zich schikken naar de beschikkingen van de Goddelijke voorzienigheid en met een gepaste gezindheid des harten op al haar bewegingen acht geven. Zij "zullen de Heere achterna wandelen," Hosea 11:10. Dr. Hammond denkt dat dit bij uitnemendheid vervuld werd, eerst in de verwoesting van Jeruzalem, en later van het heidense Rome, in de kruisigers van Christus en de vervolgers van de Christenen, en in de rust die de gemeenten hierdoor verkregen, toen is het oordeel wedergekeerd tot de gerechtigheid, tot genade en goedertierenheid en gunst jegens Gods volk, dat toen evenzeer ondersteund werd als het eerst vertreden was geworden.
II. Uit zijn eigen ervaring en waarneming.
1. Hij en zijn vrienden waren verdrukt geworden door wrede, heerszuchtige mensen die de macht in handen hadden en haar misbruikten door alle Godvruchtigen te mishandelen. Zij waren zelf boosdoeners en werkers van de ongerechtigheid, vers 16, zij gaven zich over aan allerlei goddeloosheid en onzedelijkheid, en toen was hun troon een stoel van de schadelijkheden, vers 20. Hun aanzien, hun hoge rang diende om de zonde in eer te brengen, en hun gezag werd gebruikt om haar te steunen en om hun goddeloze doeleinden tot stand te brengen. Het is te betreuren dat ooit een troon, die een verschrikking moest wezen voor de boosdoeners, en een bescherming voor hen, die goeddoen, de zetel en de toevlucht wordt van de ongerechtigheid. Het is een stoel van de schadelijkheden, die door zijn raad, zijn staatkunde, moeite verdicht bij inzetting en haar door zijn gezag tot wet maakt en doet uitvoeren. De ongerechtigheid is vermetel genoeg zelfs als de menselijke wetten er tegen zijn, die dikwijls te zwak blijken om haar met kracht te beteugelen, maar hoe onbeschaamd, hoe boosaardig is zij niet, als zij door de wet wordt gesteund! De ongerechtigheid is er niet beter, maar wel slechter om als zij bekrachtigd, goedgekeurd wordt door de wet, ook zal het hen, die haar bedrijven, niet verontschuldigen, als zij zeggen dat zij slechts deden, wat hun bevolen werd te doen. Deze werkers van de ongerechtigheid moeite verdicht hebbende bij inzetting, dragen er zorg voor om die inzetting, deze wet, ten uitvoer te leggen, want zij rotten zich samen tegen de ziel des rechtvaardigen, die de inzettingen van Omri niet durven onderhouden, noch de wet van het huis van Achab, en zij verdoemden onschuldig bloed wegens het overtreden van hun wetten. Zie een voorbeeld hiervan in Daniëls vijanden, zij verdichtten moeite bij inzetting, toen zij een goddeloos edict uitlokten tegen het gebed, Daniël 6:8, en toen Daniël er niet aan wilde gehoorzamen, verzamelden zij zich tegen hem, vers 12, en verdoemden zijn onschuldig bloed om de leeuwen ten prooi te zijn. De grootste weldoeners van de mensheid zijn dikwijls aldus onder schijn van wet en recht als de grootste kwaaddoeners behandeld.
2. De verdrukking, die zij leden, was zeer zwaar en drukte ook hun geest terneder. Laat lijdende heiligen niet wanhopen, al is het ook dat zij onder de vervolging geheel verlegen en verslagen staan, zo was het hier met de psalmist: zijn ziel had bijna in de stilte gewoond, vers 17. Hij was ten einde raad, en wist niet wat te zeggen of te doen, hij gevoelde zich aan het einde des levens, gereed om neer te dalen in het graf, dat land van de stilte. In een dergelijke toestand heeft Paulus "het vonnis des doods in zichzelf" ontvangen, 2 Corinthiers 1:8, 9. Hij zei: "Mijn voet wankelt, vers 18, het is niet te verhelpen, ik moet vallen, een van deze dagen zal ik door de hand van Saul omkomen, de hoop begeeft mij, ik heb niet meer zo'n vaste grond voor mijn geloof als ik placht te hebben." Zie Psalm 73:2. Hij had een menigte van verwarde, ingewikkelde denkbeelden over zijn toestand en over de verklaring, die er aan gegeven moest worden, alsmede over de maatregelen, die genomen moesten worden, hetgeen er het einde van zijn zou.
3. In deze benauwdheid verlangden zij naar hulp en uitkomst.
a. Zij zagen om zich heen om haar te vinden, maar werden teleurgesteld, vers 16. Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Heb ik ergens een vriend, die uit liefde voor mij wil optreden ten mijnen behoeve? Heeft de gerechtigheid een vriend, die in vrome verontwaardiging tegen de ongerechtigheid voor mijn benadeelde zaak zal opkomen?" Hij zag toe, maar er was niemand om te verlossen, niemand om te ondersteunen. Als aan de zijde van de verdrukkers macht is, dan is het niet te verwonderen dat de verdrukten geen vertrooster hebben, er niemand is, die hen durft erkennen, een goed woord voor hen durft spreken, Prediker 4:1. Toen Paulus voor Nero's stoel van de schadelijkheden was gebracht, is "niemand bij hem geweest", 2 Timotheus 4:16.
b. Zij zagen er voor op, vers 20. Zij doen een nederig vertoog bij God: "Heere, zou zich de stoel van de schadelijkheden met U vergezelschappen? Zult Gij deze tirannen steunen in hun goddeloosheid? Wij weten dat Gij het niet zult." Een troon vergezelschapt zich met God als hij een troon van de gerechtigheid is en beantwoordt aan het doel, waarmee hij is opgericht, want door Hem regeren de koningen, en als zij voor Hem regeren, dan is hun oordeel Zijn oordeel en erkent Hij hen als Zijn dienaren, en allen, die hen weerstaan en zich tegen hen stellen, zullen over zichzelf een oordeel halen, maar als het een troon van de ongerechtigheid, een stoel van de schadelijkheden wordt, dan vergezelschapt hij zich niet langer met God. Verre zij het van de rechtvaardige en heilige God om de begunstiger te zijn van ongerechtigheid, zelfs in vorsten en in hen, die op tronen zitten, ja al waren het ook de stoelen, of tronen, van het huis van David.
4. Zij vonden hulp en uitkomst in God, en in Hem alleen, toen andere vrienden feilden, hadden zij in Hem een getrouw en machtig vriend, en het wordt allen lijdende heiligen aanbevolen om op Hem te vertrouwen.
A. God helpt in dringende nood, vers 17. "Toen ik bijna in stille had gewoond, is de Heere mij een hulp geweest, Hij heeft mij in het leven behouden, de moed in mij opgehouden en ten ware ik Hem tot mijn hulp gemaakt had door op Hem te vertrouwen, zou ik nooit mijn eigen ziel hebben kunnen blijven bezitten, maar levende in Hem door het geloof heb ik mijn hoofd boven water kunnen houden, heb ik adem verkregen, en iets om te zeggen."
B. Gods goedheid is de grote steun voor de wegzinkenden moed, vers 18. "Als ik zei: mijn voet wankelt, glijdt uit naar zonde, naar het verderf, naar wanhoop, heeft Uwe goedertierenheid, o Heere, mij ondersteund, mij voor vallen behoed, en de aanslag verijdeld van hen die beraadslaagd hebben om mij van mijn hoogheid te verstoten, Psalm 62:5. Dat wij geestelijk gesteund worden, hebben wij dus niet alleen aan Gods macht te danken, maar ook aan Zijn ontferming. Uwe goedertierenheid, de gaven van Uwe genade, en mijn hoop op Uwe goedertierenheid ondersteunden mij. Gods rechterhand ondersteunt Zijn volk, als zij aan hun rechterhand zien en aan hun linkerhand en er niemand is om te ondersteunen. Wij zijn toebereid voor Zijn genaderijke ondersteuning, als wij ons bewust zijn van onze eigen zwakheid en onmacht om te staan in onze eigen kracht en tot God komen om het te erkennen, en Hem te zeggen dat onze voet wankelt.
C. Goddelijke vertroostingen zijn de krachtdadige, afdoende hulp voor een ontroerd gemoed, vers 19. "Als de gedachten zich in mij vermenigvuldigden, gelijk een luidruchtige, woelige menigte werden, die elkaar stoten en verdringen, een weerstrevende, onhandelbare menigte, in die menigte van mijn treurige, bezorgde, vreesachtige gedachten, hebben Uwe vertroostingen mijne ziel verkwikt, en nooit zijn zij verkwikkender, dan wanneer zij zo ter rechter tijd komen, om mijn onrustige gedachten tot zwijgen te brengen en mijn hart gerust te doen zijn." De vertroostingen van de wereld bieden slechts weinig vertroosting aan de ziel als zij door treurige gedachten wordt verontrust, zij zijn liedekens bij een treurig hart, maar Gods vertroostingen zullen doordringen tot de ziel en niet slechts de verbeelding treffen, zij zullen de vrede en de lieflijkheid medebrengen, die de glimlachjes van de wereld niet geven kunnen en de afkeurende, donkere blikken van de wereld niet kunnen wegnemen.
5. God als de rechtvaardige rechter is en zal zijn de begunstiger en beschermer van het recht, de straffer en wreker van onrecht, daarvan had de psalmist beide de zekerheid en de ervaring.
A. Hij zal aan de benadeelden recht doen, vers 22. "Als niemand anders mij wil, of kan, of durft beschutten, is de Heere mijn hoog vertrek, om mij te bewaren voor het kwaad mijner beproevingen, mij er voor te bewaren om er onder weg te zinken, er door in het verderf gestort te worden, en is Hij de steenrots mijner toevlucht, in welks kloven ik een schuilplaats kan vinden, op welks top ik mijn voeten kan stellen, teneinde buiten het bereik te zijn van gevaar." God is de toevlucht Zijns volks, tot welke zij zich heen kunnen begeven, in wie zij veilig zijn. Hij is de rotssteen hunner toevlucht, zo sterk, zo vast, zo onwrikbaar zo onbeweeglijk als een rots, natuurlijke sterkten overtreffen soms door kunst gebouwde vestingen.
B. Hij zal afrekenen met hen, die onrecht doen, vers 23. Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren. Hij zal naar verdienste met hen handelen, en het kwaad, dat zij beraamd hebben tegen Gods volk, zal over henzelf gebracht worden, er volgt op: Hij zal hen in hun boosheid verdelgen. Een mens kan niet meer rampzalig zijn dan zijn eigen goddeloosheid hem maken zal, indien God haar aan hem bezoekt. De herinnering er aan zal hem doorpriemen, de vergelding er voor zal wezen dat hij verdelgd wordt. Met de blijde, triomfantelijke verzekering hiervan eindigt de psalm, ja, de Heere onze God, die onze partij neemt en ons voor de Zijnen erkent, zal hen verdelgen, hen afsnijden van alle gemeenschap met Hem en hen aldus volkomen rampzalig maken, en dan zullen hun pracht en macht hun van generlei nut of dienst zijn.