Psalm 90:12-17
Dat zijn de beden van dit gebed, gegrond op de voorgaande overdenkingen en belijdenissen. Is iemand in lijden? Dat hij lere aldus te bidden.
Zij worden hier geleid om te bidden om vier dingen.
1. Om een geheiligd gebruik van de treurige beschikking, waaronder zij nu waren. Veroordeeld zijnde, dat onze dagen verkort zullen worden: Heere, leer ons alzo onze dagen tellen, vers 12. Heere, geef ons genade om goed te bedenken, hoe weinige zij zijn, hoe kort een wijle wij nog in deze wereld te leven hebben." Het is een uitnemende kunst, om op de rechte wijze onze dagen te tellen, zodat wij ons niet misrekenen, zoals hij die nog op vele jaren rekende toen in dienzelfde nacht zijn ziel van hem geëist werd. Wij moeten leven onder het voortdurend besef van de kortheid en onzekerheid van het leven en het snelle naderen van de dood en de eeuwigheid. Wij moeten zo onze dagen tellen, dat wij er ons werk mee vergelijken, en er dienovereenkomstig dubbele vlijt aan besteden, als degenen, die geen tijd hebben om te beuzelen. Zij, die deze rekenkunst willen leren, moeten bidden om Goddelijk onderwijs, moeten tot God gaan en Hem vragen om hun door Zijn Geest te leren nadenken en hun een goed verstand te geven. Wij zullen onze dagen nuttig tellen, als er ons hart door geneigd wordt tot ware wijsheid, dat is tot het beoefenen van ernstige Godsvrucht. Godsdienstig te zijn is wijs te wezen. Dit is een zaak, waarvoor het nodig is dat wij er ons hart toe begeven, en wel met grote ernst, :en de gedachte aan de onzekerheid van ons verblijf hier beneden, en de stellige zekerheid van ons heengaan van hier, zal daar zeer veel toe bijdragen.
2. Om het afwenden van Gods toorn over hen. Het raadsbesluit was uitgegaan, en kon niet worden herroepen, het was niet te verhelpen: zij moeten sterven in de woestijn. Maar toch, Keer weer, Heere wees met ons verzoend, en het berouwe U over Uwe knechten, vers 13, zend ons tijdingen van vrede, om ons na die zo zware tijdingen weer te vertroosten. Hoe lang moeten wij op onszelf zien als zijnde onder Uwen toorn, en wanneer zal ons een teken gegeven worden van ons herstel in Uwe gunst? Wij zijn Uwe knechten, Uw volk Jesaja 64:9. Wanneer zult Gij Uwe handelwijze jegens ons veranderen? In antwoord op dit gebed en het uitspreken van hun berouw, Numeri 14:39, 40, is God in het volgende hoofdstuk voortgegaan met de wet op de offeranden, Numeri 15:1 en verv, hetgeen een teken was dat het Hem over Zijn knechten berouwde, want "zo de Heere lust had gehad hen te doden, Hij zou hun dit alles niet getoond hebben."
3. Om vertroosting en blijdschap in het wederkeren van Gods gunst over hen, vers 14, 15. Zij bidden om de genade Gods, want zij kunnen op generlei verdienste van henzelf pleiten. Ontferm U over ons, wees ons genadig, o Heere, is een gebed, waarop wij allen amen moeten zeggen. Laat ons bidden om vroegtijdige genade, de tijdige mededelingen van de Goddelijke genade, dat Gods goedertierenheden ons spoedig mogen voorkomen, in de morgenstond van onze dagen, als wij jong en bloeiend zijn, vers 6. Laat ons bidden om de ware verzadiging en het geluk, die alleen in de gunst en genade van God gevonden worden. Een godvruchtige ziel zal, zo zij slechts verzadigd mag worden van Gods goedertierenheid er mee tevreden zijn, zal daar genoegen mee nemen, maar met niets minder. Op twee dingen wordt gepleit ter versterking van die bede om Gods goedertierenheid.
a. Dat het een volle fontein zou wezen van toekomstige blijdschap en genietingen: "Verzadig ons met Uwe goedertierenheid, niet alleen opdat wij gerust en rustig kunnen zijn in onszelf, dat wij niet kunnen wezen zolang wij onder Uwen toorn liggen, maar opdat wij juichen en verblijd zijn in onze dagen, niet slechts voor een tijd, bij de eerste aanduidingen van Uwe gunst, maar al onze dagen, al moeten wij ze ook doorbrengen in de woestijn. Voor hen, die God tot hun voornaamste blijdschap maken, zal gelijk hun blijdschap vervuld kan zijn, 1 Johannes 4, zij ook voortdurend zijn, zelfs in dit tranendal. Het is hun eigen schuld, zo zij niet al hun dagen verblijd zijn, want Zijn goedertierenheid zal hen voorzien van blijdschap in verdrukking, en niets kan hen er van scheiden.
b. Dat dit dan genoegzaam zou opwegen tegen hun vorige ellende, "Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, laat de dagen van blijdschap in Uwe gunst even vele zijn als de dagen van onze smart onder Uw misnoegen geweest zijn, en even lieflijk als die somber geweest zijn. "Heere, Gij placht de ene tegenover de andere te maken," Prediker 7:14, doe het in ons geval, laat het genoeg zijn dat wij zolang van de beker van de grimmigheid hebben gedronken, geef nu de beker des heils, van de verlossingen, in onze handen." Gods volk acht het terugkeren van Gods goedertierenheden een genoegzame vergoeding voor al hun ellende.
4. Om de voortgang van Gods werk onder hen desniettemin, vers 16, 17.
A. Dat Hij zich zou openbaren door dat werk voort te zetten. "Laat Uw werk aan Uwe knechten gezien worden, laat het blijken dat Gij in ons gewerkt hebt om ons tot U terug te brengen en ons voor U geschikt te maken." Gods dienstknechten kunnen niet voor Hem werken, tenzij Hij op hen en in hen werkt beide het willen en het werken, en wij kunnen hopen dat de werkingen van Gods voorzienigheid blijkbaar zijn voor ons, als de werkingen van Zijn genade blijkbaar zijn aan ons. Laat Uw werk gezien worden, dan zal Uwe heerlijkheid er in blijken aan ons en aan hen, die na ons komen zullen." In het bidden om Gods genade moeten Gods eer en heerlijkheid ons doel wezen, en daarbij moeten wij het oog hebben op onze kinderen, zowel als op onszelf, dat ook zij mogen ervaren dat Gods heerlijkheid aan hen gezien worde, zodat zij naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd worden van heerlijkheid tot heerlijkheid. Misschien onderscheiden zij in dit gebed tussen henzelf en hun kinderen want die onderscheiding heeft God gemaakt in Zijn laatste boodschap aan hen, Numeri 14:31. "Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen, maar uw kinderkens zal Ik in Kanaan brengen". "Heere," zeggen zij, "laat Uw werk aan ons gezien worden, om ons te verbeteren, en breng ons tot een betere gemoedsgesteldheid, en laat dan Uwe heerlijkheid gezien worden over onze kinderen, door aan hen de belofte te vervullen, waarvan wij het voorrecht en het voordeel verbeurd hebben."
B. Dat Hij hen steunen en sterken zal in de voortzetting ervan.
a. Dat Hij hen daarbij in gunst zal aanzien: De lieflijkheid des Heeren onzes Gods zij over ons. Laat het blijken dat God ons gunstig is, laat Gods inzettingen onder ons onderhouden worden, en de tekenen van Gods tegenwoordigheid bij Zijn inzettingen zijn, zo vatten sommigen het op. Wij kunnen deze bede toepassen beide op onze heiligmaking en onze vertroosting. Heiligheid is de schoonheid des Heeren onzes Gods, laat die over ons wezen in alles wat wij zeggen en doen, laat de genade van God in ons het licht van goede werken voortbrengen, ons aangezicht doen glinsteren, dat is de schoonheid, die God ons bijzet, en diegenen zijn in waarheid schoon, die aldus versierd zijn. En laat dan Goddelijke vertroostingen blijdschap in ons hart brengen en glans op ons aangezicht, en ook dat zal de schoonheid of lieflijkheid des Heeren als onze God over ons wezen. b. Dat Hij er hen wel in zal doen slagen. Bevestig Gij het werk onzer handen over ons. Gods werken aan ons, vers 16, ontheft ons niet van de plicht om Hem te dienen met al onze krachten en onze eigen zaligheid te werken. Maar als wij alles gedaan hebben, moeten wij op God zien voor de goede uitslag, en Hem bidden om het werk van onze handen voorspoedig te maken en ons te doen bereiken wat wij beoogden voor Zijn eer. Wij zijn de Goddelijke hulp geheel onwaardig, maar wij zijn zo volkomen onbekwaam om iets zonder haar tot stand te brengen, dat het ons nodig is er vaak om te bidden, en aldus de bede te herhalen, ja het werk onzer handen bevestig dat, en maak Gij er ons bekwaam toe.