1 Samuël 17:1-11
Het was niet lang geleden, dat de Filistijnen volkomen verslagen werden en het onderspit moesten delven voor Israël, en zij zouden geheel ten onder zijn gebracht, indien Sauls roekeloosheid het niet verhinderd had, maar hier zien wij hen het hoofd weer opsteken.
Merk op
I. Hoe zij hun heir ten strijde verzamelden tegen Israël, vers 1.
Zij deden een inval in het land Israëls, en schijnen zich van een gedeelte er van meester gemaakt te hebben, want zij legerden zich in een plaats, die aan Juda behoorde.
Israëls grond zou nooit door Filistijnse legers betreden zijn, indien Israël getrouw was geweest aan hun God.
De Filistijnen hadden waarschijnlijk gehoord, dat Samuël in onenigheid was met Saul en hem had verlaten, hem niet langer bijstond in de openbare aangelegenheden, en dat Saul droefgeestig was geworden en ongeschikt was voor de zaken. Dit moedigde hen aan om een poging te doen om hun verloren eer en aanzien te herwinnen.
De vijanden van de kerk staan op de loer om zich van alle gunstige gelegenheden meester te maken, en nooit is de gelegenheid voor hen gunstiger dan wanneer haar beschermers Gods Geest en Gods profeten er toe gebracht hebben om hen te verlaten. Saul monsterde zijn krijgsvolk en stelde zich in slagorde tegen hen, vers 2, 3. En hier moeten wij er op letten:
1. Dat de boze geest Saul voor het ogenblik had verlaten, Hoofdstuk 16:23. Davids harp had hem enige verlichting gegeven, en misschien was zijn hart nu zó vervuld van de zaken des krijgs, dat hij zijn droefgeestigheid van zich heeft kunnen afschudden. Druk werk is een goed tegengif voor droefgeestigheid.
Laat de geest zich met iets kunnen bezighouden, en hij zal minder in gevaar zijn om in zichzelf te wroeten. In Zijn goedertierenheid over Israël heeft God het oordeel voor een wijle opgeschort, want in welk een verwarring zouden de openbare zaken geraakt zijn, indien op dat ogenblik en in die omstandigheden het verstand van de vorst in verwarring was!
2. Dat David voor het ogenblik het hof had verlaten en naar Bethlehem was teruggekeerd, vers 15. Toen Saul hem niet meer nodig had tot verlichting van zijn ziekte was hij naar Bethlehem teruggekeerd om de schapen zijns vaders te hoeden, ofschoon hij, gezalfd zijnde, een goede persoonlijke reden had om aan het hof te blijven, en als Sauls wapendrager er ook wel recht op had, dit was in een jong man, die zulke goede kansen had op bevordering, wel een zeldzaam voorbeeld van nederigheid en liefde voor zijn ouders. Hij wist beter dan de meesten om, na begonnen te zijn met verhoogd te worden, weer af te dalen, en heeft een verwonderlijke voorkeur getoond voor de afzondering van een herdersleven boven de genoegens en vermaken van het hof. Niemand was meer geschikt voor eer, en niemand heeft haar ook meer verdiend, dan hij, en toch was niemand er meer ongevoelig voor. II. Hoe de Filistijnen Israël hoonden door hun kampvechter Goliath, op wie zij bijna even trots waren als hij op zichzelf was hopende door hem hun krijgsroem en hun heerschappij te zullen herwinnen.
Misschien was het leger van de Israëlieten talrijker en sterker dan dat van de Filistijnen, en dat daarom de Filistijnen de veldslag ontweken, en de uitsla" van de krijg liever wilden doen afhangen van een tweegevecht, waarin zij zo'n kampvechter hebbende, de overwinning hoopten te behalen. Merk nu op betreffende deze kampvechter:
1. Zijn buitengewone grootte. Hij behoorde tot de Enakieten, die in Jozua's tijd stand hielden te Gath, Jozua 11:22, en daar een reuzengeslacht vormden, waarvan Goliath er een was en waarschijnlijk een van de grootsten. Hij was zes ellen en een span hoog, vers 4.
De geleerde bisschop Cumberland heeft uitgerekend dat de el van de Schrift meer was dan een en twintig duim, en de span was een halve el volgens welke berekening Goliath dus op acht duim na vier yards hoog was, dat is elf voet, vier duim, een monsterachtige grootte, die hem zeer geducht maakte, inzonderheid als zijn kracht en moed er aan geëvenredigd waren.
2. Zijn wapenrusting. De kunst zowel als de natuur maakte hem schrikkelijk. Hij was wèl voorzien van wapens ter verdediging, vers 5, 6.
Een koperen helm op zijn hoofd, een maliënkolder, vervaardigd van koperen platen, die over elkaar lagen, zoals de schubben van een vis, en, omdat zijn benen het meest binnen het bereik waren van een gewoon man, droeg hij een koperen scheenharnas, en tussen zijn schouderen droeg hij een koperen schild.
De maliënkolder had een gewicht van vijf duizend sikkelen, een sikkel was een half ons avoir du poids, dus 2 duizend vijf honderd onsen, waarvan er 16 in een Engels pond gaan, wel een zeer groot gewicht om te dragen voor een man, als al de andere stukken er evenredig aan zijn.
Maar sommigen denken dat het vertaald moet worden, niet: het gewicht des pantsers, maar de waarde er van, was vijf duizend sikkelen, zoveel heeft het gekost.
Zijn wapens ten aanval waren buitengewoon, alleen de spies wordt beschreven, vers 7. Zij was als een weversboom, zijn arm was instaat haar te hanteren. terwijl een gewoon man haar nauwelijks zou kunnen opheffen.
Alleen zijn schild, dat van al de stukken van zijn krijgsrusting het lichtst was, werd door zijn schildknaap voor hem uitgedragen, waarschijnlijk voor staatsie, want hij, die geheel in koper gekleed was, had weinig behoefte aan een schild.
3. Zijn uitdaging. De Filistijnen hem tot hun kampioen gekozen hebbende, om de gevaren van een veldslag te ontgaan, werpt hij hier de handschoen neer en trotseert al de heirscharen Israëls, vers 8-10. Hij kwam in het dal, dat tussen de twee legers lag, en (zijne stem waarschijnlijk evenveel sterker zijnde dan die van andere mensen, als zijn arm sterker was dan die van anderen) riep hij, zodat allen het konden horen: Kiest een man om met mij te strijden.
Hij ziet met bewondering zichzelf aan, omdat hij zoveel groter en sterker was dan allen, die rondom hem waren, terwijl zijn hart-zegt bisschop Hall-niets was dan een klomp hoogmoedig vlees.
Hij ziet met minachting op Israël, omdat er onder hen niemand was van zo'n monsterachtige grootte en daagt hen uit, om een man te vinden, kloekmoedig genoeg om met hem in het strijdperk te treden.
a. Hij verwijt hun hun dwaasheid om een leger in slagorde te stellen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Hoe durft gij aan de machtige Filistijnen tegenstand bieden?" Of: "Waarom zouden de twee legers met elkaar strijden, als de twist toch spoediger beslecht kan worden door een enkel leven op te offeren, en een leven in gevaar te brengen?"
b. Hij biedt aan om de krijg geheel en al van de uitslag van het door hem voorgestelde tweegevecht te laten afhangen: "Indien uw kampioen mij doodt, dan zullen wij uw knechten zijn, zo ik hem dood, zult gijlieden onze knechten wezen." Dit-zegt bisschop Patrick-was slechts snoeverij, want geen volk zou zijn al, geheel zijn lot, op het succes van een man willen wagen, en het zou ook niet te rechtvaardigen zijn.
In weerwil van Goliaths beding hier, hebben de Filistijnen, toen hij gedood was, zijn woord niet gestand gedaan zich niet als knechten aan Israël onderworpen. Als hij snoeft: Ik ben een Filistijn, en gij zijt knechten van Saul, wil hij het als een grote inschikkelijkheid beschouwd hebben, dat hij, die een voornaam overste was van Gath, met een Israëliet in het strijdperk wilde treden, want hij beschouwde hen als niet meer dan slaven.
De Chaldeër stelt hem voor als er zich op beroemende dat hij de man was, die Hofni en Pinehas had gedood, en de ark had genomen, maar dat de Filistijnen hem zelfs nooit een regiment hadden gegeven om er het bevel over te voeren ter beloning van zijn diensten, terwijl Saul voor zijn diensten koning was gemaakt. "Laat hem daarom de uitdaging aannemen."
4. De schrik, die hierdoor in Israël teweeggebracht werd, vers 11.
Saul en het gehele leger ontzetten zich en vreesden zeer. Het volk zou niet ontzet zijn geweest, als zij niet hadden gezien dat aan Saul de moed ontzonk, en als de aanvoerder laf en versaagd is, dan kan men niet verwachten dat de volgelingen kloekmoedig zullen wezen. Tevoren hebben wij gezien dat als de Geest des Heeren vaardig werd over Saul, Hoofdstuk 11:6, niemand stoutmoediger en ijveriger kon zijn dan hij, om op de uitdaging van Nahas, de Ammoniet, te antwoorden, maar nu de Geest des Heeren van hem geweken was, kunnen de grote woorden van een enkelen Filistijn hem doen verbleken.
Maar waar was Jonathan al die tijd? Waarom heeft hij de uitdaging niet aangenomen, die in de laatste krijg zo kloekmoedig geheel een leger van Filistijnen heeft aangevallen? Ongetwijfeld gevoelde hij zich niet door God opgewekt om het te doen, zoals hij het toen gedaan heeft. Evenals de beste, zo zijn ook de dapperste mannen niets meer dan wat God hen doet zijn.
Jonathan moet nu stilzitten, omdat de eer van met Goliath te strijden voor David is weggelegd. In grote en goede daden blaast de wind des Geestes wanneer en waar Hij wil. Nu treurden de Godvruchtige Israëlieten over de breuk, die tussen hun koning en Samuël was ontstaan.