Psalm 89:16-19
De psalmist had uitvoerig de zaligheid aangetoond van de God Israëls, en nu toont hij hier de zaligheid van het Israël Gods. Evenals niemand gelijk is aan de God van Jeshurun zo ook: Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is U gelijk, inzonderheid als type van het Israël des Evangelies, bestaande uit alle gelovigen, wier gelukzaligheid hier beschreven wordt.
1. Heerlijke ontdekkingen worden hun gedaan, en blijde tijdingen van het goede worden hun gebracht. Zij horen, zij kennen het blijde geklank, vers 16. Dit kan een toespeling zijn:
a. Op het gejuich van een overwinnend leger, het geklank eens konings, Numeri 23:21. Israël heeft de tekenen van Gods tegenwoordigheid onder hen in hun oorlogen, het geruis van een gang in de toppen van de moerbeziënbomen was in waarheid een blij geklank 2 Samuël 5:24 en dikwijls hebben zij bij hun terugkeer uit de krijg de aarde doen weerklinken van hun zegezangen, dat waren blijde klanken. Het kan ook een toespeling zijn:
b. Op het geklank, dat over de offers werd gemaakt, en op de plechtige feestdagen, Psalm 81:2-4. Het was Israëls geluk, dat er de vrije en openlijke belijdenis van Gods heilige Godsdienst onder hen was, en dat zij overvloedige blijdschap hadden in hun offeranden. Het kan ook een toespeling zijn:
c. Op het bazuingeschal van het jubeljaar. Een blij geklank was dit voor dienstknechten en schuldenaars, aan wie het vrijlating verkondigde. Het Evangelie is in waarheid een blij geklank, een gejuich van overwinning, van vrijheid, van gemeenschap met God, en het geruis eens overvloedigen regens, welgelukzalig het volk, dat het hoort, en het kent, en het welkom heet.
2. Er zijn hun bijzondere tekenen van Gods gunst geschonken: o Heere, zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen, zij zullen zich laten regeren door Uw leiding, zich laten leiden door Uw oog, en zij zullen zich verlustigen in Uw vertroostingen, zij zullen de gunst van God hebben, zij zullen weten dat zij haar hebben, en dat zal hun tot voortdurende blijdschap en verheuging zijn, zij zullen door al de oefeningen heengaan van een heilig leven onder de machtige invloeden van Gods goedertierenheden, die hun plicht aangenaam voor hen zal maken, er hen oprecht in zal doen zijn, zich dit als hun doel voor ogen stellende: de Heere welbehaaglijk te wezen. Wij wandelen dan in het licht des Heeren, als wij al onze vertroostingen aan de gunst van God ontlenen en ons zeer zorgvuldig bewaren in Zijn liefde.
3. Nooit ontbreekt hun stof tot blijdschap. Zalig is Gods volk want in Zijn naam, in alles waardoor Hij zich bekend heeft gemaakt, zal het indien het niet door eigen schuld dat verhindert zich de gehele dag verheugen. Zij, die zich verblijden in Christus Jezus, die God tot hun blijdschap en verheuging maken, hebben genoeg om tegen hun smart te kunnen opwegen, en daarom is hun blijdschap vervuld, 1 Johannes 4, en blijvend, het is hun plicht om zich te allen tijde te verblijden.
4. Hun betrekking tot God is hun eer en hun waardigheid, zij zijn gelukkig, want zij zijn verhoogd. Gewis in de Heere, in de Heere Christus, hebben zij gerechtigheid en sterkte, en zo worden zij door Hem des Goddelijken welbehagens aanbevolen, en daarom zal in Hem het gehele zaad Israëls zich beroemen, Jesaja 45:24, 25. Zo is het ook hier, vers 17, 18. a. Door Uwe gerechtigheid zullen zij verhoogd worden, en niet door een gerechtigheid van henzelf. Wij zijn verhoogd uit gevaar, en tot eer, zuiver en alleen door de gerechtigheid van Christus, die een kleed is beide tot sieraad en tot beschutting.
b. Gij zijt de heerlijkheid hunner sterkte, dat is: Gij zijt hun sterkte, en het is hun heerlijkheid, dat Gij dit zijt, en het is hetgeen, waarin zij roemen. Gode zij dank, die ons allen tijd doet triomferen.
c. "In Uwe gunst, waarop wij door Christus hopen zal onze hoorn verhoogd worden", de hoorn duidt schoonheid, overvloed en macht aan, die hebben zij, die begenadigd zijn in de Geliefde. Tot welke hogere bevordering kan de mens komen in deze wereld, dan om Gods gunstgenoot te zijn?
5. Hun betrekking tot God is hun bescherming en veiligheid, vers 19. "Want ons schild is van de Heere, en onze koning is van de Heiige Israëls." Indien God onze heerser is, dan zal Hij onze beschermer zijn, en wie is hij die ons dan kan schaden?" Het was het geluk van Israël, dat God zelf hun bolwerken heeft opgericht, en dat het aan Hem was om een koning over hen aan te stellen. Zo vatten sommigen het op. Of liever, dat Hij zelf een vurige muur rondom hen was, en als de Heilige de oorsprong en het middelpunt van hun heilige godsdienst, was Hij hun Koning, en aldus hun heerlijkheid in het midden van hen. Christus is de Heilige Israëls, "dat Heilige", en in niets is dit bijzondere volk meer gezegend geweest dan hierin, dat Hij de geboren Koning van de Joden was. Nu wordt deze zegen, dit hoge voorrecht van Gods Israël, hier aangevoerd als hetgeen zo moeilijk overeen te brengen was met hun tegenwoordige rampspoedige toestand.