Jesaja 45:20-25
Hetgeen hier gezegd wordt heeft dezelfde strekking als het voorgaande.
I. Ter overtuiging van de afgodendienaars, om hun hun dwaasheid te tonen in het aanbidden van goden, die hen niet helpen kunnen en het verwaarlozen van de God, die dat wel kan. Laat allen, die van de heidenen ontkomen zijn, niet alleen de Joden, maar ook de andere volken, welke Cyrus uit de Babylonische gevangenschap ontslagen heeft, laat hen allen komen en horen wat er gezegd wordt tegen hun afgodendienst, opdat zij zowel als de doden daarvan genezen mogen worden, opdat Babel, dat vanouds de wieg van de afgoderij is, er nu het graf van moge worden. Laat de ontkomenen zich vergaderen en samenkomen, God heeft hun iets te zeggen tot hun eigen bestwil, en dat is: dat de afgoderij in tweeërlei opzicht dwaasheid is.
1. Ze maken voor zichzelf een toevlucht voor de leugen. Zij dragen hun houten gesneden beelden of richten die op, want hout zijn ze en meer niet, al zijn ze nog zo mooi met goud overtrokken en met sieraden overdekt, zij zijn en blijven hout. Zij roepen een God aan die niet verlossen kan, want hij kan niet horen en niet helpen, hij kan niets doen. Hoe vernederen zij zichzelf, die zo iets als een god vereren dat hun als een god niets doen kan? Hoe bedriegen zij zichzelf, die om redding aanroepen een ding, dat niet het minste vermogen heeft om te redden! Zeker, zij hebben geen kennis en zijn verdwaasd in hun verstand, die zoveel moeite doen om de gunst van een volstrekt-machtelozen god te verwerven.
2 Zij maken een mededinger voor God, de enig levende en waren God, vers 21. Roept hen allen samen, verkondigt hun dat de grote zaak nog eens op de proef gesteld worden zal, ofschoon die reeds eens beslist is tussen God en Baäl. Treedt hiertoe en beraadslaagt tezamen, wat er te zeggen is ter verdediging van uzelf en van uw afgoden. De proef op de som zal genomen worden: laat hen nu aantonen dat een van hun goden ooit met volkomen zekerheid toekomstige dingen verkondigd heeft, gelijk de God van Israël dat gedaan heeft, en dan zullen wij erkennen dat er enige grond is voor hun aanspraken. Maar dat heeft nooit een van hen gedaan, hun profeten waren leugenprofeten. Doch de Heere heeft het doen horen van oudsher, lang voor het kwam, daarom moet ge toestemmen dat er geen God is behalve Ik.
a. Hij is de enige God die regeren kan, en Hij is een rechtvaardig God, die oordeelt in gerechtigheid en recht doet aan de verdrukten.
b. Er is geen ander in staat om te helpen, en daar Hij de rechtvaardige God is, is Hij de redder, die voor zijn verlossingen geen hulp van anderen nodig heeft, maar buiten wie niemand redden kan. Zij, die iets anders buiten Hem als hun god oprichten, hebben dus geen gevoel voor waarheid en leugen, voor goed en kwaad, ook niet voor hun eigen belang.
II. Ter vertroosting en bemoediging van al Gods getrouwe aanbidders, wie zij ook zijn, vers 22. Zij, die de afgoden vereren, aanbidden goden die niet redden kunnen, maar de God van Israël zegt: zegt het tot al de einden van de aarde, tot Zijn volk, hoewel het verstrooid is tot in de uiterste hoeken van de wereld, en in zijn verstrooiing verloren en vergeten schijnt te zijn, dat zij slechts door geloof en gebed zich tot Hem hebben te wenden, van alle werktuigen en tweede oorzaken moeten afzien, van alle voorgewende helpers moeten afzien, en op Hem zien moeten, dan zullen zij behouden worden. Dit schijnt in de tweede plaats te zien op de bekering van de heidenen, die aan de einden van de aarde leven, de verst-gelegen volken, onder welke de banier des Evangelies opgericht is, tot Hem zullen de heidenen komen. Toen Christus van de aarde verheven werd gelijk de koperen slang, trok Hij de ogen van allen tot zich, allen worden thans uitgenodigd om op Hem te zien, gelijk de Israëlieten op de koperen slang zien moesten. En zo sterk is het oog des geloofs, dat het door Gods genade de Zaligmaker bereiken zal en zelfs van de einden van de aarde Hem vasthouden, want Hij is God en niemand meer.
Twee dingen worden hier beloofd als overvloedige vergelding voor allen, die door het geloof op de Zaligmaker zien.
1. Dat de heerlijkheid van de God, die zij dienen, grotelijks zal vermeerderd worden, en dit is goed nieuws voor het gehele volk des Heeren, dat hoe meer en hoe lang het ook zelf moge verdrukt en belasterd worden, God zal verhoogd worden, vers 23. Dit wordt bevestigd met een eed, opdat wij er sterke vertroosting van hebben zouden. "Ik heb gezworen bij mij zelf" (en God kan bij geen meerderen zweren, Hebreeën 6:1 en het woord van de gerechtigheid is uit mijn mond gegaan, en het zal nimmer herroepen worden en nooit ledig weerkeren, want het is uitgegaan als een woord van de gerechtigheid omdat het de meest natuurlijke zaak ter wereld is: dat Hij die alles geschapen heeft de Heere van alles zijn zal, en dat, gelijk nu de meeste schepselen van Hem vervreemd zijn, zij eens allen zo aan Hem gewild zullen worden. Hij heeft het gezegd en Hij zal het vervullen: "Ik zal verhoogd worden," Psalm 46:10. Hij heeft ons verzekerd:
A. Dat eens het heelal aan Hem onderworpen zal zijn, dat de koninkrijken van de wereld zijn koninkrijk zullen worden, dat zij Hem hulde brengen zullen, voor mij zal alle knie zich buigen, en zij zullen zich met een eed van huldiging aan Hem verbinden, alle tong zal mij zweren. Dit wordt in Romeinen 14:10 toegepast op de heerschappij, van Christus: Wij zullen allen voor de rechterstoel van Christus geopenbaard worden en Hem rekenschap geven, want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heere, voor mij zal alle knie zich buigen en alle fond zal God belijden, en het schijnt te verwijzen naar Psalm. 2:9, 10. Indien het hart gebracht is tot de gehoorzaamheid aan Christus en willig gemaakt op de dag van zijn heirkracht, zal de knie zich voor Hem buigen in de nederige aanbidding en smeking, in bereidwillige gehoorzaamheid aan zijn gebeden, onderwerping aan zijn beschikkingen en overeenstemming met zijn wil. En de tong zal Hem zweren, zal de ziel de verplichting opleggen om voor altijd in zijn dienst te blijven, want hij die een oprecht gemoed heeft zal noodt op zijn verbintenis afdingen.
B. Dat Hij algemeen zal gezocht worden, en in alle delen van de wereld aangeroepen. Uit de verst-gelegen landen zal men komen om zijn gunst te smeken en tot Hem zal alle vlees komen, Psalm 65:2. En wanneer Christus van de aarde zou verhoogd zijn, zou Hij hen allen tot zich trekken.
C. Het zal tevergeefs zijn zich tegen Hem te verzetten. Allen, die tegen Hem ontstoken zijn, die zich tegen zijn banden verzetten, zullen beschaamd worden. De volken, die toornig geworden zijn omdat Hij zijn grote macht aangenomen heeft en geregeerd heeft, die in woede ontbranden tegen de gestrengheid van zijn wetten en de voorspoed van zijn Evangelie en het geestelijk karakter van zijn koninkrijk, zullen beschaamd worden, sommigen met berouwhebbende schaamte, anderen zonder berouw tot hun eeuwigen ondergang. Op de een of andere wijze, vroeger of later, zullen allen die zich verzetten tegen de regering en de overwinningen van Christus, beschaamd worden over hun dwaasheid en verzet. 2. Dat het welzijn van de zielen zeker zal bevestigd worden. Men zal van mij zeggen, en de één zal door zijn voorbeeld de ander leren het ook te zeggen, zodat al het zaad Israëls door de Geest het zeggen en er bij blijven zal:
a. Dat God voor hen algenoegzaam is en dat er in Christus alles is om in hun noden te voorzien. In de Heere zijn gerechtigheden en sterkte. In de Heere is alle gerechtigheid en kracht, zo lezen sommigen. Hij zelf is gerechtig en sterk, Hij kan doen wat Hem behaagt, maar doet niets dat niet volkomen recht is, Hij heeft dus al wat nodig is om te voorziet in de noden van hen, die Hem zoeken en op Hem rekenen, op de volheid van Zijn voorzienigheid en van de schatten van Zijn genade. Ja, wij mogen zeggen, dat niet alleen Hij dat alles heeft, maar dat wij het in Hem hebben, want Hij heeft gezegd dat Hij onze God zal zijn. In de Heere hadden de gevangen Joden gerechtigheid, dat is genade, zowel om de beproevingen aan hun hart te heiligen als om hen voor de bevrijding voor te bereiden, en sterkte voor het dragen van hun lot en voor hun uittocht. In de Heere Jezus hebben wij gerechtigheid om ons aan te bevelen in Gods welwillendheid voor ons, en kracht om het goede werk in ons te beginnen en voort te zetten. Hij is de fontein van beide en wij moeten voor beide op Hem vertrouwen. "Wij moeten heengaan in de mogendheden des Heeren en Zijn gerechtigheden vermelden, de Zijne alleen," Psalm 71:16. b, Zij zullen daarin overvloedige zegening en voldoening genieten. Het volk van de Joden zal in de Heere gerechtvaardigd worden voor de mensen en openlijk zegevieren in zijn God. De verdrukkers deden hun verwijten, overlaadden hen met lasteringen en beroemden zich op hun goed recht om hen te overheersen omdat zij hun God verlaten bedden, maar wanneer God hun verlossing bewerken zal, dan zullen zij daardoor van al die harde beoordelingen gerechtvaardigd worden, en daardoor worden zij verheerlijkt. Alle oprechte Christenen, die voor gerechtigheid en sterkte zich aan Christus toevertrouwen zullen in Hem gerechtvaardigd en daardoor verheerlijkt worden.
Merk op: Alle gelovigen zijn het zaad van Israël, een oprecht biddend zaad. Het grote voorrecht, dat zij in Christus genieten, is dat zij in Hem en om Zijnentwil gerechtvaardigd zijn voor God, aangezien Christus hun geworden is rechtvaardigheid Gods. Allen die gerechtvaardigd worden, danken hun rechtvaardigmaking aan Christus, zij konden op geen andere wijze gerechtvaardigd worden, en daarom roemen zij, die gerechtvaardigd zijn zullen ook verheerlijkt worden. En daarom is de grote plicht van hen, die in Christus geloven, Hem te verheerlijken, in Hem zich te beroemen daarom is Hij ons alles in allen geworden, opdat wie zich beroemt, die beroeme zich in de Heere.