Psalm 81:1-8
Als het volk van God bijeenvergaderd was op de plechtige dag, de feestdag des Heeren, dan moest hun gezegd worden dat zij werk te doen hadden, want wij gaan niet naar de kerk om te slapen, of er lui en ledig te zijn, er is te doen wat door de plicht van iederen dag geëist wordt, werk van de dag, dat op zijn dag gedaan moet worden. En hier,
I. Worden de aanbidders Gods opgewekt tot hun werk, wordt hen door het zingen van deze psalm geleerd om zichzelf en elkaar er toe op te wekken, vers 2-4. Wat wij te doen hebben is: Gode de eer te geven van Zijn naam, en dit moeten wij in al onze Godsdienstige vergaderingen als ons werk beschouwen.
1. Dit doende, moeten wij op God het oog hebben als onze sterkte, en als de God van Jakob, vers 2. Hij is de sterkte van Israël als een volk, want Hij is een God in verbond met hen, die hen krachtdadig zal beschermen, ondersteunen en verlossen, hun strijd strijdt, hen kloeke daden zal laten doen, daden van overwinning. Hij is de sterkte van iedere Israëliet, door Hem worden wij bekwaam gemaakt om door al onze dienst, ons lijden en onze strijd heen te gaan, tot Hem, als onze sterkte, moeten wij bidden, en wij moeten Zijn lof zingen als de God van al het worstelende zaad Jakobs, met hetwelk wij geestelijke gemeenschap hebben.
2. Wij moeten dit doen met al de uitdrukkingen van heilige blijdschap en triomf. Toen moest het gedaan worden door muziekinstrumenten, met de trommel, de harp en de luit, en door het blazen van de bazuin, sommigen denken dat dit was ter gedachtenis aan het bazuingeschal op de berg Sinas, dat al luider en luider werd, het werd toen gedaan, en moet ook nu gedaan worden, door het zingen van psalmen en door het maken van een blij geklank. Het lieflijke van de harp en het ontzaglijke van de bazuin geven te kennen dat God aangebeden moet worden met vrolijkheid, met heilige blijdschap, met eerbied en Godvruchtige vreze. Luid zingen en juichen geven te kennen dat wij warm en vol liefde moeten zijn in het loven van God, dat wij van harte Zijn lof moeten verkondigen als degenen, die ons niet schamen om ons steunen en vertrouwen op Hem en onze verplichtingen aan Hem te erkennen, en dat wij ons met velen moeten verenigen in dat werk, met hoe meer hoe beter, want dan gelijkt het meer op de hemel.
3. Dit moet gedaan worden ter bestemder tijd. Geen tijd is verkeerd of onvoegzaam om God te loven, ("ik loof U zevenmaal des daags, ja te middernacht sta ik op om U te loven)" maar sommige tijden zijn bestemd, niet voor God om ons te ontmoeten (want Hij is altijd bereid), maar voor ons om elkaar te ontmoeten ten einde ons te verenigen in het loven van God. De plechtige feestdag moet een dag wezen van lofzegging, als wij de gaven van Gods milddadigheid ontvangen en er ons in verblijden, dan is het voegzaam dat wij Zijn lof zingen.
II. Zij worden hier bestuurd in hun werk.
1. Zij moeten opzien naar de Goddelijke inzetting, die nu waargenomen wordt. In alle Godsverering moeten wij het oog hebben op het gebod, vers 5. Dit is een inzetting in Israël, het was een wet van de God Jakobs, die voor al het zaad Jakobs bindend was. God te loven is niet slechts goed, goed voor ons allen om te doen, maar het is onze onafwijsbare plicht, die wij hebben te vervullen, het is op ons gevaar zo wij hem verzuimen of veronachtzamen, en in al onze Godsdienstige verrichtingen moeten wij het oog hebben op de inzetting als onze volmacht en onze regel: "Dit doe ik, omdat God het mij geboden heeft, en daarom hoop ik dat Hij mij zal aannemen." Dan geschiedt het in het geloof.
2. Zij moeten terugzien op die werkingen van de Goddelijke voorzienigheid, waarvan het de gedachtenis viering is. Deze plechtige dienst werd verordineerd tot een getuigenis, vers 6, een blijvend, overgeleverd bewijs om van de feiten te getuigen. Het was een getuigenis voor Israël, opdat zij zouden weten en gedenken wat God gedaan had voor hun vaderen, indien zij het niet wisten of het vergaten.
A. In de naam des volks roept de psalmist zich het werk, dat God in het algemeen voor Israël gedaan heeft, in de herinnering terug dat door dit en andere feesten herdacht werd, vers 6. Toen God uittoog tegen het land van Egypte om het te verwoesten, ten einde Farao te noodzaken Israël te laten trekken, heeft Hij plechtige feestdagen ingesteld, om als een inzetting ten eeuwigen dage in hun geslachten waargenomen te worden als een gedachtenis er aan, inzonderheid het Pascha, dat misschien als de feestdag bedoeld werd, vers 4 en juist ingesteld werd toen God door het land van Egypte toog om de eerstgeborenen te doden, en de huizen van de Israëlieten voorbijging, Exodus 12:23, 24. Hierdoor moest dat wonder in eeuwige gedachtenis worden gehouden, opdat alle tijden en eeuwen er de goedheid en strengheid Gods in zouden zien. Sprekende in de naam van zijn volk, neemt de psalmist nota van deze verzwarende omstandigheid hunner slavernij in Egypte, dat zij daar een taal hoorden, die zij niet verstonden, dat zij daar vreemdelingen waren in een vreemd land. De Egyptenaren en de Hebreën verstonden elkanders taal niet, want Jozef sprak tot zijn broeders door een tolk, Genesis 42:23, en de Egyptenaren worden gezegd voor het huis van Jakob een volk te zijn, "dat een vreemde taal had," Psalm 114:1. Om van een verlossing het genaderijke en heerlijke te meer in het licht te stellen, is het goed om te letten op alles wat het leed, waarvan wij verlost werden, te smartelijker heeft gemaakt.
B. In de naam van God brengt de psalmist het volk sommige bijzonderheden van de verlossing in de herinnering. Hier verandert hij de persoon, vers 7. God spreekt door hem, zeggende: Ik heb zijn schouder van de last onttrokken. Laat hem op de feestdag hen eraan herinneren:
a. Dat God hen uit het diensthuis heeft uitgevoerd, hun schouder van de last van de verdrukking heeft onttrokken, waaronder zij op het punt waren om te bezwijken, hun handen van de potten heeft ontslagen, of van de manden, waarin zij leem en tichelstenen droegen. Verlossing uit slavernij is een zeer merkbare zegen, die in eeuwige gedachtenis moet worden gehouden. Maar dit was niet alles.
b. God had hen verlost bij de Rode Zee, toen zij in hun benauwdheid tot Hem riepen, en Hij hen redde en de raadslagen hunner vijanden tegen hen verijdelde, Exodus 14:10. Toen heeft Hij hun geantwoord met een wezenlijk antwoord uit de schuilplaats des donders, dat is: uit de vuurkolom, in werke Hij zag op het leger van de Egyptenaren, en het verschrikte, Exodus 14:24, 25. Of, het kan bedoeld zijn van de wetgeving op de berg Sinas, die de verborgen plaats was, want het was de dood om er op te zien, Exodus 19:21, en het was in de donder, dat God toen sprak. Zelfs de verschrikkingen van Sinai waren gunstbetoningen jegens Israël, Deuteronomium 4:33. c. God had hun zeden verdragen in de woestijn: "Ik beproefde u aan de wateren van Meriba, daar hebt gij uw aard getoond, getoond welk een ongelovig, murmurerend volk gij waart, en toch bleef Ik u Mijn gunst betonen." Sela. Let hier op. Vergelijk Gods goedheid met der mensen slechtheid, en zij zullen tegenhangers van elkaar zijn. Indien zij nu op hun plechtige feestdagen aldus hun verlossing uit Egypte moesten gedenken, zoveel te meer moeten wij op de Christelijke sabbatdag de nog heerlijker verlossing gedenken, door Jezus Christus voor ons gewrocht, een verlossing uit een erger slavernij dan die van Egypte, en de vele genaderijke antwoorden, die Hij ons gegeven heeft niettegenstaande onze menigvuldige tergingen.