Exodus 14:10-14
1. Wij hebben hier de angst, waarin de kinderen Israëls zich bevonden, toen zij bespeurden dat Farao hen najoeg, vers 10. De woede en sterkte van de vijand en hun eigen zwakheid waren hun wel bekend, wel waren zij talrijk, maar zij waren allen te voet, ongewapend en ongeoefend, ontzenuwd door hun langdurige dienstbaarheid, en (hetgeen het ergste was) door de ligging van hun kamp waren zij nu ingesloten, zodat geen ontkoming mogelijk was. Aan de ene kant was Pi-Hachiroth, een reeks van hobbelige ontoegankelijke rotsen, aan de anderen kent Migdol en Baäl-Zefon, forten met garnizoenen-naar sommigen denken-aan de grenzen van Egypte, zodat er voor hen geen andere weg open was dan naar boven, en van daar is hun uitredding gekomen. Wij kunnen ons op de weg van de plicht bevinden, God volgende en ons heenspoedende naar de hemel, en toch in grote benauwdheid zijn, "in alles verdrukt," 2 Corinthiërs 4:8.
Geen wonder, dat zij in deze benauwdheid zeer verschrikt en bevreesd waren. Hun vader Jakob had zich in gelijk gevaar bevonden, Genesis 32:7, als er van buiten strijd is, dan kan het niet anders, of er is van binnen vrees. Wat nu was de vrucht van deze vrees? Naar die vrucht was, was de vrees goed of kwaad.
1. Sommigen van hen riepen tot de Heer, hun vrees bracht hen er toe om te bidden en dat was een goede uitwerking er van. God brengt ons in benauwdheid, ten einde ons op de knieën te brengen.
2. Anderen barstten uit in verwijten tegen Mozes, hun vrees bracht hen tot murmureren, vers 11, 12. Zij achtten zich verloren en, alsof de arm van God plotseling verkort was en Hij heden niet even machtig was om wonderen te doen als gisteren, zij wanhopen aan redding en kunnen op niets anders rekenen dan in de woestijn te sterven. Hoe onverschoonbaar was hun wantrouwen! Zagen zij zich dan niet onder de leiding en bescherming van een pilaar van de hemel? En kan de almachtige kracht hun falen, of de oneindige goedheid hun ontrouw worden? Maar dit was nog niet het ergste, zij twisten met Mozes omdat hij hen uitgevoerd had uit Egypte, en in dat twisten met hem beledigen zij God zelf, en verwekken Hem tot toorn, wiens gunst nu hun enige toevlucht was. Gelijk de Egyptenaren toornig waren op zichzelf om de beste daad, die zij ooit gedaan hadden, zo waren de Israëlieten toornig op God om de grootste vriendelijkheid, die hun ooit bewezen was, zo groot zijn de domheden van het ongeloof. Hier geven zij te kennen:
a. Een lage minachting van vrijheid, daar zij boven haar de voorkeur geven aan slavernij alleen maar omdat aan de vrijheid enige moeilijkheden verbonden waren. Mensen van een edelaardig gemoed zouden gezegd hebben: "Laat komen wat wil, het is beter op het veld van eer te sterven, dan in de ketenen van de slavernij te leven," maar onder de leiding van God kon het niet verkeerd met hen gaan, en daarom hadden zij kunnen zeggen: "Beter als Gods vrije mensen in de open lucht van een woestijn te leven, dan als de slaven van de Egyptenaren in de rook van de steenovens." Maar omdat zij nu voor het ogenblik in verlegenheid zijn vertoornt het hen dat zij niet levend begraven zijn gelaten in hun diensthuis.
b. Lage ondankbaarheid jegens Mozes, die getrouw het middel is geweest tot hun bevrijding, zij veroordelen hem alsof hij hen hard en onvriendelijk had behandeld, terwijl het toch onbetwistbaar bleek, dat wat hij ook deed, en hoe hetgeen hij deed ook mocht uitkomen, door hem gedaan werd op bevel en aanwijzing van God, en hun welzijn bedoelde. Wat zij in een vorige gisting, toen zij vanwege de benauwdheid van de geest naar Mozes niet hoorden, gezegd hebben, herhalen en rechtvaardigen zij nu in dit: Wij zeiden in Egypte: Houd af van ons, en het was slecht het te zeggen, maar toch meer te verontschuldigen, omdat zij toen nog niet zoveel ondervinding hadden als nu van Gods optreden ten gunste van hen. Maar zij hadden even spoedig de wonderen van genade vergeten, als de Egyptenaren de wonderen van de toorn hadden vergeten, en zij hebben, zowel als de Egyptenaren, hun hart verhard, tot hun verderf ten slotte. Evenals Egypte na de tien plagen, zo is Israël na tienmaal de Heer verzocht te hebben-het was nu de eerste maal-veroordeeld om in de woestijn te sterven, Numeri 14:22.
II. De tijdige bemoediging, die God hun gaf in deze benauwdheid, vers 13, 14. Hij heeft deze dwazen niet geantwoord naar hun dwaasheid. God verdroeg hun terging, en heeft niet, (gelijk Hij rechtvaardig had kunnen doen) hun veranderlijkheden gekozen, en hun vrezen over hen doen komen, en daarom kon Mozes ook wel de belediging voorbijzien, die zij hem aandeden.
In plaats van hen te bestraffen, vertroost hij hen, en met een bewonderenswaardige kalmte en tegenwoordigheid van geest, is hij evenmin door het dreigen van Egypte ontmoedigd, als door het beven en sidderen van Israël, maar brengt hij hun murmureren tot zwijgen door de verzekering van een snelle en volkomen uitredding: Vreest niet. Het is onze plicht en ons belang, om als wij niet uit onze moeilijkheden kunnen komen, ons toch te verheffen boven onze vrees, zodat die slechts dient om ons aan het bidden te brengen en te doen wat wij kunnen, maar niet zo de overhand over ons krijgt, dat zij ons geloof en onze hoop doet bezwijken.
1. Hij verzekert hun dat God hen zal verlossen, dat Hij hun redding op zich zal nemen, de Heer zal voor u strijden, en dat Hij die verlossing zal werken door de algehele ondergang van hun vervolgers. Mozes zelf was hiervan overtuigd, en hij wilde dat ook zij die overtuiging zouden hebben, hoewel hij vooralsnog niet wist, hoe of waardoor het zou geschieden. God had hem verzekerd dat Farao en zijn leger ten verderve zouden gaan, en hij vertroost hen met dezelfde vertroostingen, waarmee hij vertroost was geworden.
2. Hij zegt hun het alles aan God over te laten, in stille verwachting van hetgeen geschieden zou. "Staat vast, en denkt er niet aan uzelf te redden, hetzij door te strijden of door te vluchten, wacht op Gods orders, bedenkt niet zelf wat gij doen moet maar volgt uw leider, wacht op de verschijningen van God, let er op, opdat gij ziet hoe dwaas gij zijt in ze te wantrouwen. Stelt uzelf gerust, weest kalm door een volkomen vertrouwen in God en hebt een blijde, vredige verwachting van de grote verlossing, die God nu voor u zal werken. Zwijgt stil, gij behoeft niet eens een juichkreet aan te heffen tegen de vijand, zoals later, Jozua 9:16. Het werk zal gedaan worden zonder uw medewerking".
Als God zelf Zijn volk in de engte brengt, dan zal Hij zelf een weg ontdekken, om hen er uit te voeren. In tijden van grote moeilijkheid en grote verwachting zullen wij wijs doen met onze geest kalm en rustig te houden, want dan zijn wij in de beste gemoedsgesteldheid zowel om ons eigen werk te doen, als om het werk Gods te aanschouwen. "Stilzitten zal uw sterkte zijn," Jesaja 30:7, want Egypte zal tevergeefs helpen en tevergeefs dreigen.