Psalm 74:18-23
In de naam van de kerk bidt de psalmist hier vurig tot God, dat Hij voor hen tegen hun vijanden zal verschijnen, en een einde zal maken aan hun tegenwoordige beproeving. Ter bemoediging van zijn geloof klemt hij er zich aan vast, dat het Gods eigen zaak is, vers 22. Sta op, o God, twist Uwe twistzaak. Wij kunnen er zeker van zijn dat Hij dit doen zal, want Hij ijvert voor Zijn eigen eer, Hij zal haar handhaven met een sterke hand, Hij zal verschijnen tegen hen, die haar tegenstaan, en voor hen, die haar hartelijk hebben omhelsd. Hij zal opstaan, Zijn twistzaak twisten, hoewel Hij haar voor een tijd scheen te veronachtzamen, Hij zal zich opwekken, zal zich openbaren, Zijn eigen werk doen op Zijn eigen tijd. De zaak van de Godsdienst is Gods eigen zaak, en Hij zal haar gewis voorstaan.
Om nu te tonen dat het Gods zaak is, wijst hij er op:
I. Dat de vervolgers de gezworen vijanden van God zijn. Heere, zij hebben niets slechts ons mishandeld, maar zij waren en zijn nog beledigend voor U, wat om Uwentwil tegen ons gedaan wordt, zal bijgevolg terugwerking hebben op U. Maar dat is niet alles, zij hebben op directe wijze U gesmaad, Uwen naam gelasterd, vers 18. Dat was het wat zij in het heiligdom hebben gebruld, zij juichten en snoefden alsof zij nu het meesterschap hadden verkregen over de God Israëls, van wie zij zulke grote dingen hadden gehoord. Gelijk niets de heiligen meer grieft dan Gods naam te horen lasteren, zo is er niets, dat hen meer aanmoedigt om te hopen dat God tegen hun vijanden zal verschijnen, dan dat deze tot zo'n diepte van goddeloosheid zijn vervallen, dat zij God zelf smaden, dit doet de maat hunner zonden zeer snel vol worden en verhaast hun verderf. De psalmist legt hier sterk de nadruk op. Wij durven hun smaadredenen niet beantwoorden, Heere, antwoord Gij hen. Gedenk dat een dwaas volk Uwen naam heeft gelasterd vers 18, en dat U nog dagelijks smaadheid wedervaart van de dwaze. Let op de hoedanigheid van hen, die God smaden, zij zijn dwaas. Atheïsme is dwaasheid, Psalm 14:1, goddeloosheid en godslastering zijn het niet minder. Misschien worden zij, die Godsdienst en gewilde dingen bespotten, geroemd als schrandere mannen van de eeuw, meer in werkelijkheid zijn zij de grootste dwazen, en weldra zullen zij als zodanig voor geheel de wereld tentoongesteld worden. Maar zie hun boosaardigheid: dagelijks smaden zij God, even gedurig en standvastig als Zijn getrouwe aanbidders tot Hem bidden en Hem loven. Zie hun onbeschaamdheid, zij verbergen hun lasterlijke gedachten niet, houden ze niet voor zich, maar met luider stem verkondigen zij ze. Vergeet niet het geroep Uwer wederpartijders, vers 23 en dat wel met een vermetel trotseren van de Goddelijke gerechtigheid. Zij staan tegen U op, en door hun godslastering voeren zij krijg tegen de hemel, vatten zij de wapenen op tegen de Almachtige. Hun geraas en getier stijgen voortdurend op, zo lezen het sommigen, zoals het geroep van Sodom tot God opkwam, Genesis 18:21, roepende om wraak. Het neemt gedurig toe, zo lezen wij het. Zij worden al erger en erger, zijn door hun voorspoed verhard in hun goddeloosheid. Welaan, Heere, gedenk dit, vergeet het niet. God heeft het niet nodig om door ons herinnerd te worden aan hetgeen Hij te doen heeft, maar aldus moeten wij doen blijken dat Zijn eer ons ter harte gaat, en geloven dat Hij ons zal steunen en verdedigen.
II. Dat de vervolgden Zijn verbondsvolk zijn.
1. Zie in welke benauwdheid zij zich bevinden, zij zijn in de handen gevallen van de menigten van de goddelozen, vers 19. Hoe zijn zij vermenigvuldigd, die hen beroeren! Tegen een verwoede menigte is geen stand te houden inzonderheid als zij, gelijk dezen, gewapend zijn met macht, en gelijk zij talrijk zijn, zo zijn zij ook wreed, De duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld. Het land van de Chaldeen, waar niets was van het licht van de kennis van de ware God (hoewel het anders vermaard was voor geleerdheid en kunsten), was in waarheid een duistere plaats, de inwoners ervan waren vervreemd van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen was, en daarom waren zij wreed. Waar geen kennis was van de ware God, kon nauwelijks de gewone menselijkheid gevonden worden, inzonderheid waren zij wreed jegens het volk van God, zij hebben voorzeker geen kennis, die hen opeten Psalm 14:4. Zij zijn verdrukt, vers 21, omdat zij arm zijn, niet instaat zijn om zichzelf te helpen, zij zijn verdrukt, en aldus arm gemaakt.
2. Zie welke reden zij hadden om te hopen dat God hun te hulp zou verschijnen, en niet zou toelaten dat zij altijd aldus vertreden zouden worden.
Merk op hoe de psalmist voor hen pleit bij God.
a. "Het is Uwe tortelduif die op het punt is om door de menigte van de goddelozen te worden verslonden," vers 19. De kerk is een duif, vanwege haar onschadelijkheid en zachtmoedigheid, haar argeloosheid, reinheid en vruchtbaarheid, een duif, vanwege haar treurigheid in een dag van benauwdheid, een tortelduif vanwege haar trouw en de standvastigheid harer liefde, tortelduiven en jonge duiven waren de enige vogels, die geofferd mochten worden. "Zal Uwe tortelduif, die U getrouw is, U toegewijd is, toegewijd is aan Uwe eer, zal haar leven, haar ziel, haar alles, overgeleverd worden in de hand van de menigte van de goddelozen, voor wie zij spoedig een gemakkelijke en aangename prooi zal zijn? Heere, het zal Uwe eer Zijn de zwakken te helpen inzonderheid om de Uwen te helpen."
b. Het is de vergadering Uwer ellendigen, vers 19, en zij zijn er niet minder de Uwen om, wijl zij arm zijn, (want "God heeft de armen van deze wereld uitverkoren," Jakobus 2:5) maar wel hebben zij er te meer reden om, om te verwachten dat Gij voor hen verschijnen zult, omdat zij velen zijn het is de vergadering Uwer armen, laat hen niet voor eeuwig verlaten en vergeten worden."
c. "Zij zijn in verbond met U, en zult Gij het verbond niet aanzien vers 20. Zult Gij de beloften niet vervullen, die Gij hun in Uw verbond gedaan hebt? Zult Gij hen niet erkennen, die Gij in de band van het verbond gebracht hebt?" Als God Zijn volk verlost, dan is het omdat Hij gedenkt aan Zijn verbond, Leviticus 26:42. Heere, hoewel wij onwaardig zijn om aangezien te worden, zo aanzie toch het verbond."
d. "Zij vertrouwen op U en roemen op hun betrekking tot U, en hun verwachting van U, o laat hen niet beschaamd wederkeren van hun hoop, vers 21, zoals geschieden zou, indien zij teleurgesteld werden."
e. "Indien Gij hen verlost, dan zullen zij Uwen naam loven en U de eer geven van hun verlossing. Heere, verschijn voor hen, die Uwen naam zullen loven, tegen hen, die hem lasteren."