Job 21:17-26
Job had de voorspoed van de goddelozen uitvoerig beschreven, en nu:
I. Stelt hij dit in deze verzen tegenover hetgeen zijn vrienden gezegd hadden nopens hun gewis verderf in deze wereld. "Zegt mij, hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp van de goddelozen uitgeblust wordt? Ziet gij niet even dikwijls dat zij blijft branden totdat zij vanzelf uitgaat? vers 17. Hoe dikwijls ziet gij verwoesting over hen komen, of dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn? Ziet gij niet even dikwijls dat hun vrolijkheid en hun voorspoed tot het laatste toe voortduren?" Er zijn misschien evenveel voorbeelden van, dat bekende zondaren hun dagen eindigen in pracht en weelde als in ellende en armoede, en deze waarneming volstaat om hun argumenten tegen Job krachteloos te maken en aan te tonen dat het karakter van de mensen niet met zekerheid beoordeeld kan worden naar hun uitwendige omstandigheden.
II. Hij brengt dit overeen met de heiligheid en rechtvaardigheid van God, al is het ook, dat goddeloze mensen al hun dagen voorspoedig zijn, moeten wij daarom toch niet denken dat God hun boosheid altijd ongestraft zal laten. Neen:
1. Zelfs terwijl zij aldus voorspoedig zijn, zijn zij als stro voor de wind en gelijk kaf dat de wervelwind wegsteelt, vers 18. Zij zijn licht en waardeloos, van generlei beduidenis voor God of goede en wijze mensen. Zij zijn geschikt voor het verderf en er voortdurend aan blootgesteld, en als zij op de volle hoogte zijn van hun pracht en macht, is er slechts een schrede tussen hen en de ondergang.
2. Hoewel zij al hun dagen doorbrengen in rijkdom, legt God toch hun geweld weg voor hun kinderen, vers 19, en Hij zal het aan hun nakomelingen bezoeken als zij heengegaan zijn. De verdrukker legt zijn goederen op voor zijn kinderen om voorname lieden van hen te maken maar God legt zijn ongerechtigheid voor hen op om hen tot bedelaars te maken: Hij houdt nauwkeurig rekening van de zonden van de vaderen, "verzegelt ze in Zijn schatten," Deuteronomium 32:34, en zal rechtvaardiglijk de kinderen straffen, terwijl de schatten, waaraan de vloek kleeft, als nagelaten goederen in hun handen zijn.
3. Ofschoon zij voorspoedig zijn in deze wereld, zal er in een andere wereld toch met hen afgerekend worden. God vergeldt hem ten laatste naar zijn daden, vers 19, al wordt ook het vonnis, dat over zijn boze daden geveld wordt, niet snel ten uitvoer gebracht. Misschien zal hij er thans niet toe gebracht worden om te vrezen voor de toekomende toorn, maar kan hij zich nog vleien met de hoop, dat hij vrede zal hebben, al gaat hij ook voort in zijn zonde, maar die vrees zal hem overkomen in de dag van de openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods. Hij zal het gewaar worden vers 19, zijn ogen zullen zijn verderf zien waaraan hij niet heeft willen geloven. "Zij zien het niet, maar zij zullen het zien," Jesaja 26:11. De ogen, die moedwillig gesloten werden voor de genade Gods, zullen geopend worden om zijn verderf te zien. Hij zal drinken van de grimmigheid des Almachtigen, dat zal het deel Zijns bekers wezen Vergelijk Psalm 11:6 met Openbaring 14:10. De rampzaligheid van de veroordeelde zondaars wordt hier voorgesteld in weinige woorden, maar zij zijn schrikkelijk: zij liggen onder de toorn des almachtigen Gods, die in hun verderf beide Zijn toorn doet zien en Zijn macht bekendmaakt. Indien dit nu zijn toestand is in de andere wereld, welk goed zal zijn voorspoed in deze wereld hem dan doen? vers 21. Wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben? Onze Heiland heeft ons doen weten hoe weinig lust of vermaak de rijke man in de hel had aan zijn huis na hem, toen de herinnering aan het goede, dat hij in zijn leven ontvangen had, niet hielp om zijn tong te verkoelen, maar nog veel toedeed aan zijn rampzaligheid die ook vermeerderd werd door zijn smart, ja, zijn vijf broeders, die hij in zijn huis heeft achtergelaten, hem naar deze plaats van de pijniging zullen volgen, Lukas 16:25-28. Zo weinig zal het gewin van de wereld hem baten, die zijn ziel verloren heeft.
III. Hij vindt de oplossing van het raadsel nopens dit verschil, dat Gods voorzienigheid maakt tussen de ene goddeloze en de andere in de wijsheid en de vrijmacht van God, vers 22. Zal men God wetenschap leren? Durven wij Gods handelingen aanklagen, Zijn gedrag afkeuren? Zullen wij het op ons nemen om aan God te zeggen hoe Hij de wereld moet regeren, welke zondaar Hij moet sparen, en welke Hij moet straffen? Hij heeft beide gezag en macht om de hogen te richten. Engelen in de hemel, vorsten en magistraten op aarde zijn aan God rekenschap verschuldigd, en moeten hun oordeel van Hem ontvangen, Hij bestuurt hen, en maakt het gebruik van hen dat Hem behaagt, zal Hij dan rekenschap verschuldigd zijn aan ons, of van ons raad ontvangen? Hij is de rechter van de gehele aarde, en daarom zal Hij ongetwijfeld recht doen, Genesis 18:25-Romeinen 3:6, en deze handelingen van Zijn voorzienigheid, die met elkaar in strijd schijnen te zijn, kan Hij niet slechts met elkaar overeenbrengen, maar ze gezamenlijk Zijn eigen doeleinden doen dienen.
Het kleine verschil tussen het onboetvaardig sterven van de ene goddeloze in vrede en pracht, en het onboetvaardig sterven van een anderen goddeloze in pijn en armoede zal, als zij ten laatste in de hel elkaar ontmoeten, opgehelderd worden door het kleine verschil dat er is tussen het plotseling sterven van de een en het langzaam sterven van de ander, als zij elkaar weldra zullen ontmoeten in het graf. Zó groot is de onevenredigheid tussen de tijd en de eeuwigheid, dat, indien ten laatste de hel het deel is van iedere zondaar, het weinig verschil uitmaakt, als de een er zingende en de ander er zuchtende heengaat. Zie:
1. Hoe verschillend de omstandigheden zijn onder welke de mensen sterven. Er is een weg om in de wereld te komen, zeggen wij, maar vele om er uit heen te gaan, maar gelijk sommigen door een snelle en gemakkelijke anderen door een moeilijke en zeer pijnlijke arbeid van de moeder in de wereld komen, zo is ook het sterven veel schrikkelijker voor de een dan voor de ander. En daar de dood des lichaams de geboorte van de ziel in de andere wereld is, kan de doodstrijd niet ongevoeglijk vergeleken worden bij de barensweeën, onder welke de mens geboren wordt. Merk het verschil op:
A. De een sterft plotseling, in zijn volle kracht, onverzwakt door ouderdom of ziekte, vers 23, hij is stil en gerust, onder generlei vrees voor de nadering des doods, integendeel, daar zijn melkvaten vol zijn van melk, en het merg van zijn beenderen bevochtigd is, vers 24, dat is: daar hij sterk en gezond is, een goed lichaamsgestel heeft zoals een vette melkkoe, die in goeden doen is, rekent hij op niets anders, dan om nog vele jaren in vrolijkheid en genoegen te leven. Zó vele kansen heeft hij om te leven, en toch wordt hij in een ogenblik neergeveld door de dood. Het is een gewone zaak, dat mensen door de dood worden weggenomen als zij in hun volle kracht zijn, de hoogste mate van gezondheid genieten, de dood het minst verwachten, er zich het best tegen gewapend denken, en bereid zijn om de dood niet alleen op een grote afstand te stellen, maar hem te trotseren. Laat ons dus nooit wanen veilig en zeker te zijn, want wij hebben menigeen gekend, die in een week tijds, ja op een dag, in een uur, of misschien in een enkele minuut gezond en dood was. Zo laat ons dan altijd bereid zijn.
B. Een ander sterft langzaam en na zeer veel pijn geleden te hebben, vers 25, met een bittere ziel, een bitterheid van ziel, als die waarin de arme Job nu zelf was, nooit eet hij met genot, hij heeft geen lust in zijn voedsel, ziekte, ouderdom of harteleed benemen hem alle smaak en eetlust. Hoe grote reden tot dankbaarheid hebben diegenen, die een goede gezondheid genieten en altijd met smaak kunnen eten! En hoe weinig reden tot klagen hebben zij, die soms niet aldus kunnen eten, als zij horen van velen, die het nooit kunnen!
2. Hoe onbespeurbaar dit is in het graf, daar rijken en armen, de gezonden en de ongezonden er samenkomen, vers 26. Zij liggen tezamen neer in het stof, en het gewormte overdekt hen, voedt zich met hen. En zo zullen de goddelozen, als een van hen sterft in een paleis en een ander in een kerkerhol, elkaar ontmoeten in de vergadering van de doden en veroordeelden, en daar zal de worm, die niet sterft, en het vuur, dat niet uitgeblust wordt, voor hen gelijk wezen, waardoor deze verschillen onbeduidend worden, en niet de moeite waard om ons het hoofd er over te breken.