Psalm 69:1-13
In deze verzen klaagt David over zijn moeilijkheden en met deze klachten zijn gebeden om hulp en redding vermengd.
I. Zijn klachten zijn zeer treurig en hij stort ze uit voor de Heere, als een, die hoopte zich aldus van een last te bevrijden, die hem zeer zwaar drukte.
1. Hij klaagt over de diepe indruk door zijn lijden en verdriet teweeggebracht op zijn gemoed, vers 2, 3. De wateren van de beproeving deze bittere wateren, zijn gekomen tot aan de ziel, bedreigen niet slechts mijn leven, maar ontrusten mijn geest, zij vullen mijn hoofd met verbijsterende zorgen, en mijn hart met neerdrukkende smart, zodat ik God en mijzelf niet meer genieten kan, zoals ik placht." Wij zullen staande blijven onder onze moeilijkheden en beproevingen, zo wij ze slechts buiten ons hart kunnen houden, maar als zij de uitwerking op ons hebben dat wij onze eigen ziel niet kunnen bezitten, dan is onze toestand zeer slecht. De geest van een man zal zijn ziekte ondersteunen, maar wat zullen wij doen als de geest verslagen is? Dat was nu het geval met David. In zijn gedachten zocht hij naar iets om op te kunnen steunen en waarmee hij zijn hoop levendig kon houden, maar hij vond niets, hij zonk weg in diepe modder, waar hij niet kon staan, geen vaste grond onder de voeten had, de overwegingen, die hem plachten te steunen en te bemoedigen, faalden hem nu, en hij was gereed zich als verloren te beschouwen. Hij zocht naar iets, waarmee hij zich kon vertroosten, maar vond zich in diepe wateren, die hem overstelpten. Hij was als iemand die in het water wegzinkt en verdrinkt, in verwarring en verbijstering. Dit wijst op Christus' lijden in Zijn ziel, de innerlijke doodsbenauwdheid, waarin Hij zich bevond toen Hij zei: Nu is Mijn ziel ontroerd, en: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe, want het was Zijn ziel, die Hij tot een offer voor de zonde gesteld heeft. En het leert ons om, als wij in beproeving zijn, de bewaring van onze ziel aan God over te geven, opdat wij noch verzuurd noch verbitterd worden door ontevredenheid, noch tot wanhoop vervallen.
2. Hij klaagt over het lange aanhouden van zijn leed, vers 4. Ik ben vermoeid van mijn roepen. Ofschoon hij zijn hoofd niet boven water kon houden, riep hij toch tot zijn God en hoe meer hij de dood voor ogen had, hoe meer leven er was in zijn gebed. Toch werd hem niet terstond een antwoord des vredes gegeven, neen, zelfs mocht hij de steun en de troost niet hebben in het gebed, die Gods volk plachten te hebben, zodat hij bijna moede was van roepen, hees werd, en zijn keel zo droog werd, dat hij niet meer roepen kon. Hij smaakte ook zijn gewone voldoening niet in te geloven, te hopen en hulp te verwachten. Mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God. Hij had zich bijna blind gestaard in zijn uitzien naar hulp. Maar dat hij hierop pleitte bij God is een aanduiding, dat hij vast besloten is het geloven en bidden niet op te geven. Zijn keel is droog, maar zijn hart is het niet, zijn ogen zijn bezweken maar zijn geloof bezwijkt niet, faalt niet. Zo heeft onze Heere Jezus aan het kruis uitgeroepen: Waarom hebt Gij Mij verlaten? maar heeft Hij terzelfder tijd vastgehouden aan Zijn betrekking tot Hem: Mijn God, mijn God.
3. Hij klaagt over de boosaardigheid en de menigte van zijn vijanden, hun onrechtvaardigheid en wreedheid, vers 5. Zij haatten hem, zij wilden hem vernielen, want haat beoogt het verderf van de persoon die gehaat wordt, maar wat was zijn ongerechtigheid, zijn zonde wat had hij tegen hen misdaan, dat zij zo boosaardig tegen hem waren? Niets, volstrekt niets. "zij haten mij zonder oorzaak, ik heb hun nooit het minste leed toegebracht, waarom zij zo kwaadwillig jegens mij zijn." Onze Heiland past dit op zichzelf toe, Johannes 15:25 "Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat." Wij zijn geneigd om ter rechtvaardiging van onze hartstochtelijke toorn tegen hen, die ons haten, aan te voeren dat wij hun nooit reden hebben gegeven om ons te haten. Maar dit is veeleer een reden, waarom wij het geduldig moeten dragen, omdat wij dan lijden zoals Christus geleden heeft, en dan kunnen verwachten dat God ons recht doen zal. Zij zijn ten onrechte mijn vijanden, want ik ben hun geen vijand geweest." In een wereld, waar het onrecht zozeer de overhand heeft, moet het ons niet verwonderen dat wij degenen ontmoeten, die ten onrechte onze vijanden zijn. Laat ons zorgdragen om nooit onrecht te doen, dan zullen wij het te beter kunnen dragen als ons onrecht gedaan wordt. Deze vijanden waren niet te verachten, zij waren geducht, zowel om hun aantal: Zij zijn meer dan de haren op mijn hoofd, ( Christus vijanden waren talrijk, een schare kwam om Hem gevangen te nemen, hoe waren Zijn tegenpartijders vermenigvuldigd!) als om hun macht: zij zijn machtig geworden, hebben macht en gezag. Wij zijn zwak, maar onze vijanden zijn sterk, want wij hebben de strijd tegen de overheden en machten. Wat ik niet geroofd heb moet ik alsdan wedergeven. Dit toepassende op David:
a. Was het hetgeen waar zijn vijanden hem toe noodzaakten, zij lieten hem lijden om een overtreding, een misdaad, waaraan hij zich nooit schuldig had gemaakt.
b. Was het hetgene, waarin hij bewilligde, teneinde hen, zo mogelijk, te bevredigen, hen met hem te verzoenen. Hij zou zich hebben kunnen beroepen op de wetten van de gerechtigheid en van de eer, de wet van de gerechtigheid eiste niet dat men zou wedergaven wat men niet geroofd had, de wetten van de eer verboden het, want het zou wezen onrecht te doen aan onszelf, daar wij ons dan tekort doen in ons eigendom en schade doen aan onze goeden naam. Toch kan soms het bevel zo staan, dat het een plicht voor ons wordt. Paulus, hoewel hij vrij was van allen, heeft zichzelf aan allen dienstbaar gemaakt. Maar, toegepast op Christus, is het een opmerkelijke beschrijving van de voldoening door Hem gedaan aan God voor onze zonde door Zijn bloed. Toen heeft Hij weergegeven wat Hij niet had geroofd, Hij onderging de straf, die ons toekwam, Hij heeft om onze overtreding geleden. In sommige opzichten was door de zonde van de mens Gods heerlijkheid weggenomen, des mensen eer, en vrede en geluk waren weggenomen-Hij was het niet die ze weggenomen, geroofd heeft, en toch heeft Hij ze door de verdienste van Zijn dood wedergegeven.
4. Hij klaagt over de onvriendelijkheid van zijn vrienden en bloedverwanten, en dit is een leed, dat een edelaardig gemoed zeer diep treft, vers 9. Ik ben mijn broeders vreemd geworden, zij houden zich als vreemden voor mij, en behandelen mij als een vreemde, zij schromen met mij om te gaan, schamen zich om mij te erkennen." Dit werd vervuld in Christus, wiens "broeders niet in Hem geloofden," Johannes 7:5, "Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen" en Hij werd verlaten door Zijn discipelen, die door Hem als broeders behandeld waren geworden.
5. Hij klaagt over de minachting die hem werd betoond, en de smaad, waarmee hij voortdurend werd overladen. En hierin inzonderheid wijst zijn klacht op Christus, die zich om onzentwil aan de grootste schande en versmaadheid heeft onderworpen, en zich heeft vernietigd. Daar wij God in Zijn eer hebben tekort gedaan door onze zonde, heeft Christus Hem voldoening gegeven niet alleen door zichzelf te ontdoen van de eer, die aan de mens geworden God toekwam, maar ook door zich te onderwerpen aan de grootste smaad, die een mens aangedaan kon worden. David neemt hier nota van twee dingen, die een verzwaring waren van de hoon, die hem werd aangedaan. A. De zaak om welke zij hem smaadden, vers 11, 12. Zij smaadden en bespotten hem om hetgeen, waarmee hij zichzelf verootmoedigde en God eerde. Als mensen zich verheffen in hoogmoed en verwaandheid, hem uitlachen, die vastte en een zak aan als kleed aandeed, deze zelfvernedering was hun een aanleiding om hem te vertreden. Als de mensen God onteren, dan is het rechtvaardig dat dit op hun eigen oneer uitloopt, maar als David uit zuivere godsvrucht en om uitdrukking te geven aan zijn eerbied voor Hem, weende en zijn ziel verootmoedigde met vasten, en een zak tot zijn kleed nam, zoals nederige boetelingen plachten te doen, hebben zij, inplaats van zijn godsvrucht te loven en haar als een groot voorbeeld van vroomheid aan te bevelen, alles gedaan wat zij konden om er hem in te ontmoedigen en anderen te beletten om zijn goed voorbeeld te volgen, want dat was zijn smaad, zij belachten hem als een dwaas, omdat hij zich aldus vernederde, en zelfs daarom werd hij hun tot een spreekwoord, zij maakten hem tot het voorwerp van hun spot en scherts. Wij moeten het niet vreemd vinden als er kwaad van ons gesproken wordt omdat wij goed doen, om hetgeen waarvan wij reden hebben om te hopen dat wij er Gode welbehaaglijk mee zijn. Onze Heere Jezus werd gestenigd om Zijn goede werken, Johannes 10:32, en toen Hij uitriep Eli, Eli, Mijn God, Mijn God, werd Hij bespot, alsof Hij om Elia riep.
B. De personen, die hem smaadden, vers 13.. De voornaamste en achtbaarste personen van wie men betere dingen had kunnen verwachten: Die in de poort zitten, roddelen over mij, en hun smaadredenen gelden voor het gebod van senatoren en de uitspraken van rechters, en dienovereenkomstig worden zij geloofd en aangenomen. De geringsten en verachtelijksten, het schuim van het land, "kinderen van de dwazen en kinderen van geen naam," Job 30:8, "een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken," het spotlied van dronkaards, die zich en elkaar vrolijk over hem maakten. Zie de kwade gevolgen van dronkenschap, zij maakt de mensen "tot verachters van de goeden," 2 Timotheus 3:3. "Als de koning ziek gemaakt werd door verhitting van de wijn, strekte hij zijn hand voort met de spotters, Hosea 7:5. De bank van de dronkaards is het gestoelte van de spotters. Zie wat gewoonlijk het lot is van de besten van de mensen, zij, die de lof zijn van de wijzen, zijn het spotlied van de dwazen, maar voor hen, die een recht inzicht hebben in de dingen, is het gemakkelijk om het te verachten om aldus geminacht te worden.
II. Zijn belijdenis van zonde is zeer ernstig vers 6. "O God, Gij weet van mijn dwaasheid, beide die is, en die niet is, mijn zonden, waaraan ik schuldig ben, zijn niet voor U verborgen en daarom weet Gij hoe onschuldig ik ben aan de misdaden, die zij mij ten laste leggen." Zelfs dan, als wij ons ten opzichte van de onrechtvaardige beschuldigingen van de mensen onschuldig verklaren, moeten wij toch voor God erkennen alles verdiend te hebben wat over ons gebracht is, ja nog veel erger. Dit is de oprechte bekentenis van een boetvaardige, die weet dat hij niet voorspoedig kan zijn in het bedekken van zijn zonde, en dat het dus zijn wijsheid is om haar te erkennen, omdat zij naakt en geopend is voor God.
1. Hij kent het bederf van onze natuur, Gij kent de dwaasheid, die in mijn hart gebonden is. Al onze zonden komen voort uit onze dwaasheid.
2. Hij kent de overtredingen van ons leven, zij zijn niet voor Hem verborgen, neen, niet de zonden van ons hart, neen, niet die welke in het verborgenste hebben plaats gehad. Zij zijn allen begaan onder Zijn ogen, en worden niet achter Zijn rug geworpen, voordat zij betreurd en vergeven zijn. Dit kan toegepast worden op Christus, want Hij heeft geen zonde gekend, maar Hij is zonde voor ons gemaakt, en God wist het, en het was niet voor Hem verborgen, toen het de Heere behaagde Hem te verbrijzelen, en Hij Hem ziek heeft gemaakt.
III. Zijn smekingen zijn zeer ernstig.
1. Voor hemzelf, vers 2. "Verlos mij, o God! behoed mij voor verzinken, voor wanhoop." Zo werd Christus verhoord uit de vrees, want Hij werd er voor bewaard om Zijn onderneming op te geven, Hebreeën 5:7.
2. Voor zijn vrienden, vers 7. Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, Heere van de heirscharen! Laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken o God Israëls! Wij behoren God te zoeken in die beide hoedanigheden, en door Hem te zoeken Hem te verwachten als de God van de legerscharen, die alle macht heeft om te helpen en als de God van Israël, in verbond met Zijn volk, die Hij daarom in eer en trouw gehouden is te helpen. Laat hen om mijnentwil niet te schande worden. Dit geeft zijn vrees te kennen, dat, zo God niet voor Hem verscheen, niet voor hem optrad, dit een ontmoediging zou zijn voor alle Godvruchtigen, en aan hun vijanden aanleiding zou geven om over hen te triomferen. Het geeft ook zijn ernstige begeerte te kennen dat, wat er ook van hem moge worden, allen, die God zoeken en Hem verwachten, bemoedigd en ondersteund mochten worden, en niet ontmoedigd zouden worden in henzelf, of blootgesteld zouden zijn aan de verachting van anderen. Indien Jezus Christus in Zijn lijden niet door Zijn Vader ware erkend en aangenomen, dan zouden allen, die God zoeken en Hem verwachten, beschaamd en te schande gemaakt zijn, maar wij hebben vrijmoedigheid tot God, en in Zijn naam komen wij met vrijmoedigheid tot de troon van de genade.
IV. Zijn pleitrede is zeer krachtig, vers 8, 10. Smaad was een van zijn zwaarste lasten. Heere wend de smaad van mij af, bepleit mijne zaak, want,
1. Het is om Uwentwil, dat ik gesmaad word, omdat ik U die en op U betrouw, om Uwentwil draag ik versmaadheid." Zij, van wie kwaad gesproken wordt om goeddoen, kunnen het met nederig vertrouwen aan God overlaten, om hun gerechtigheid te doen voortkomen als het licht.
2. Het is met U dat ik gesmaad word, de ver van Uw huis leeft mij verleerd, heeft mij mijzelf doen vergeten, en mij datgene laten doen, hetwelk zij boosaardiglijk mij ten smaad verkeren. Zij, die U en Uw huis haten, haten daarom ook mij, omdat zij weten dat ik er met ijver voor vervuld ben. Dat is het, waarom zij gereed zijn mij te verslinden, en dat al de liefde en achting, die ik onder hen genoot, verslonden heeft." Zij, die God lasterden en kwaad spraken van Zijn woord en Zijn wegen, hebben David gesmaad, omdat hij geloofde in Zijn woord en wandelde in Zijn wegen. Of het kan ook beschouwd worden als een voorbeeld van Davids ijver voor Gods huis, dat hij toornde over al de beledigingen, Gods naam aangedaan, alsof zij zijn eigen naam aangedaan waren. Hij trok zich al de oneer aan, die God werd aangedaan, en de smaad, die op de Godsdienst werd geworpen, dat ging hem meer ter harte dan al zijn eigen uitwendige benauwdheden. En hij had reden om te hopen dat God zich de smaad zou aantrekken, die op hem geworpen was, omdat hij zich altijd de smaad heeft aangetrokken, die op God werd geworpen. Beide delen van dit vers worden op Christus toegepast. a. Het was een blijk van Zijn liefde tot Zijn Vader, dat de ijver van Zijn huis Hem heeft verslonden toen Hij de kopers en verkopers uit de tempel weggeselde, hetgeen de discipelen aan deze tekst herinnerde, Johannes 2:17.
b. Het was een blijk van Zijn zelfverloochening, en dat Hij zichzelf niet behaagde, dat "de smaadwoorden van hen die U smaden, kwamen op mij neer" Romeinen 15:3, en hierin heeft Hij ons een voorbeeld gegeven.