Psalm 66:8-12
In deze verzen roept de psalmist inzonderheid Gods volk op om Hem te loven. Laat alle landen het doen, maar inzonderheid Israëls land. Looft onze God, looft Hem als de onze, als God in verbond met ons, en die voor ons, als de Zijnen, zorgt. Laat luide zijn lof weerklinken vers 8, want van wie anders zal ze gehoord worden dan van hen, die Zijn bijzondere gunstgenoten zijn, Zijn verkoren dienstknechten?
Wij hebben reden om God te loven voor twee dingen.
I. Gewone bescherming, vers 9. Hij behoudt onze ziel in het leven, opdat zij niet vanzelf wegvloeie, daar zij gedurig in onze handen is, zou zij ons door de vingers kunnen glippen. Wij moeten erkennen dat het de goede voorzienigheid Gods is, die lichaam en ziel bij elkaar houdt. Hij stelt onze ziel in het leven zo is het in het oorspronkelijke.) Hij, die ons het aanzijn heeft gegeven, houdt ons door een steeds vernieuwde werking in stand, Zijn voorzienigheid is een voortdurende schepping. Als wij op het punt zijn van te bezwijken en om te komen, verkwikt Hij onze ziel en stelt haar, als het ware, in een nieuw leven, nieuwe vertroostingen schenkende. Non est vivere, sed valere vita Het is niet het blote bestaan maar geluk dat de naam van leven verdient. Maar wij zijn onderhevig aan struikelen en vallen, en staan bloot aan velerlei verwoestende ongevallen, aan dodelijke rampen zowel als aan dodelijke krankheden, en ook in dat opzicht worden wij bewaard door Gods macht: Hij laat niet toe dat onze voet wankelt, veel onvoorzien kwaad voorkomende, terwijl wij ons niet eens bewust waren in gevaar ervan te zijn. Aan Hem zijn wij het verschuldigd dat wij niet reeds lang voordien in eindeloos verderf gestort zijn. Hij zal de voeten van Zijn gunstgenoten bewaren.
II. Bijzondere verlossing uit grote benauwdheid.
1. Hoe groot de benauwdheid en het gevaar geweest zijn, vers 11, 12. Op welke bijzondere ramp of benauwdheid van de kerk dit ziet, blijkt niet, het kan wel de benauwdheid geweest zijn van een particulier persoon of geslacht. Maar waarin het ook moge bestaan hebben, zij waren er door overvallen en verrast zoals een vogel in een strik, er door ingesloten als een vis in een net, zij waren erdoor neergedrukt, tenonder gehouden als door een last op hun lenden. Maar zij erkenden er de hand Gods in. Wij zijn nooit in het net, of God heeft er ons in gebracht, nooit onder beproeving, of God heeft haar ons opgelegd. Is er iets, dat gevaarlijker is dan vuur en water? Wij zijn door beide heengegaan, wij hadden beproevingen van allerlei aarde, het einde van de ene benauwdheid was het begin van een andere, als wij aan gevaren van de ene soort ontkomen waren, vonden wij ons verwikkeld in gevaren van een andere aard. Zodanig kunnen de benauwdheden wezen van de besten van Gods heiligen, maar Hij heeft beloofd: "Wanneer gij zult gaan door het water, door het vuur, Ik zal bij u zijn,' Jesaja 43:2. Maar hovaardige en wrede mensen kunnen even gevaarlijk zijn als vuur en water, ja nog gevaarlijker. "Wacht u voor de mensen," Mattheus 10:17. Toen de mensen tegen ons opstonden, was dit vuur en water, alles wat dreigend was, Psalm 124:2-3, 4, en dat was hier het geval: "Gij had de mens op ons hoofd doen rijden, om ons te vertreden en over ons te juichen, ons te dreigen en te mishandelen, ja om ons geheel en al tot slaven te maken, zij hebben tot onze ziel gezegd: "Buig u neer, dat wij over u gaan", Jesaja 51:23. Terwijl het van goede vorsten het welbehagen is in het hart van hun onderdanen te heersen, is het de trots van tirannen om op hun hoofd te rijden. Maar ook hierin erkent de beproefde kerk de hand van God. "Gij hebt hen ons doen mishandelen", want de heftigste verdrukker heeft geen macht, dan die hem van boven gegeven is.
2. Hoe genadig Gods bedoeling was met hen in deze benauwdheid en dat gevaar te brengen. Zie wat er de bedoeling van is, vers 10. Gij hebt ons beproefd, o God, Gij hebt ons gelouterd. Onze beproevingen zullen ons dan waarschijnlijk goeddoen, als wij ze in dit licht beschouwen want dan kunnen wij Gods genade en liefde op de bodem ervan zien, en onze eigen eer en ons voordeel aan het einde ervan. Door beproevingen worden wij gelouterd als zilver in het vuur.
a. Opdat onze genade, op de proef gesteld zijnde, zoveel helderder zal uitblinken, en zo kunnen wij goedgekeurd worden, als zilver, dat met de keur van echt gestempeld wordt, en dit zal zijn "tot onze lof in de openbaring van Jezus Christus," 1 Petrus 1:7, en misschien reeds in deze wereld, Jobs oprechtheid en standvastigheid kwamen uit in zijn beproevingen.
b. Opdat onze genade, door geoefend te worden, krachtiger en werkzamer zal zijn, en wij aldus gelouterd worden als zilver als het door het vuur wordt gelouterd, en meer gezuiverd zal zijn van schuim, en dat zal tot ons onuitsprekelijk voordeel en gewin zijn, want aldus worden wij Gods heiligheid deelachtig Hebreeën 12:10. Openbare rampen en beproevingen strekken tot zuivering van de kerk, Daniël 11:35, Openbaring 2:10, Deuteronomium 8:2.
3. Hoe heerlijk de uitkomst was. De benauwdheden van de kerk zullen gewis goed eindigen, deze hier eindigen aldus. Want
a. De uitkomst van de beproeving is gelukkig. Zij zijn in vuur en water, maar zij komen erdoorheen, "wij waren in het vuur en in het water gekomen, maar zijn in de vlammen en de vloed niet omgekomen." In welke benauwdheden de heiligen ook zijn, geloofd zij God, er is een weg doorheen.
b. De ingang tot een betere staat is nog veel gelukkiger. Gij hebt ons uitgevoerd uit een overvloeiende verversing, in een wel bewaterde plaats, want het woord is: als de hof des Heeren, en dus vruchtbaar. God brengt Zijn volk in benauwdheid, opdat daarna hun vertroostingen zoveel lieflijker zijn zullen en hun beproeving aldus de vreedzame vrucht van de gerechtigheid zal opleveren, die de armoedigste plaats van de wereld tot een plaats zal maken van een overvloedige verversing.