Psalm 39:1-7
David herinnert zich hier en vermeldt in de geschiedenis de werkingen van zijn hart onder zijn beproevingen, en het is goed voor ons om dit te doen, opdat wat verkeerd gedacht werd verbeterd kan worden, en van hetgeen goed gedacht werd een volgende maal gebruik zal kunnen gemaakt worden.
I. Hij gedacht aan de verbonden, die hij met God was aangegaan, om met omzichtigheid te wandelen, zeer voorzichtig te zijn in hetgeen hij deed en in hetgeen hij sprak. Als wij te eniger tijd verzocht worden tot zonde en in gevaar zijn om erin te vallen, dan moeten wij ons de plechtige geloften voor de geest brengen, die wij gedaan hebben tegen de zonde, tegen de bijzondere zonde, die wij op het punt zijn van te bedrijven. God kan en zal er ons aan herinneren Jeremia 2:20 :"Gij zei: ik zal niet overtreden;" en daarom behoren wij er onszelf aan te herinneren. Dat heeft David hier gedaan.
1. Hij gedenkt dat hij in het algemeen besloten had zeer voorzichtig en omzichtig te zijn in zijn wandel; vers 2
a. Ik zei: Ik wil mijn wegen bewaren, en dat was goed gezegd, en hetgeen hij nooit zou willen herroepen, en dus ook nooit moet tegenspreken. Het is voor ons allen van groot belang om onze wegen te bewaren, dat is: om met omzichtigheid te wandelen, terwijl anderen maar loszinnig en onnadenkend voortleven.
b. Wij moeten vast besluiten onze wegen te bewaren en dat besluit dikwijls te vernieuwen. gesloten hebbende onze wegen te bewaren, moeten wij bij alle gelegenheden onszelf herinneren aan dit besluit, want het is een verbond, dat nooit vergeten moet worden, maar waaraan we steeds moeten gedenken.
2. Hij gedenkt er aan dat hij inzonderheid een verbond had gemaakt tegen de zonden van de tong dat hij niet zou zondigen met zijn tong: dat hij niet verkeerd zou spreken, hetzij om God te beledigen, of om "trouweloos te zijn aan het geslacht van Gods kinderen," Psalm 73:15. Het is niet zo gemakkelijk als wij konden wensen, om niet te zondigen in gedachte maar zo een boze gedachte in zijn hart opkomt, zal hij zijn hand op zijn mond leggen en haar onderdrukken, opdat zij niet verder ga; en dit is zo groot een genadegave, dat indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man; en zo nodig is zij, dat hij, die denkt Godsdienstig te zijn en zijn tong niet in toom houdt, diens Godsdienst is ijdel. David had besloten:
a. Dat hij te allen tijde zou waken tegen zonden van de tong. "Ik zal mijn mond met een teugel bewaren," een breidel, zoals op een weerspannig paard om het te besturen, het te beteugelen en te bedwingen het op de rechte weg te leiden en in een goede gang te houden, zie Jakobus 3:3 Waakzaamheid in de gewoonte is de breidel op het hoofd, waakzaamheid in de daad, in de beoefening, is de hand op de teugel, is er een muilband op, zoals op een weerspannige hond, die woest is en kwaad doet. Door er vastberaden tegen te waken wordt het bederf weerhouden van uit te breken op de lippen en is het aldus gebreideld. b. Dat hij zijn waakzaamheid er tegen zou verdubbelen als er het meest gevaar was van ergernis: terwijl de goddeloze nog tegenover mij is. Als hij in gezelschap was met de goddelozen, dan wilde hij er zich voor wachten om iets te zeggen, dat hen kon verharden, of hun aanleiding geven om te lasteren. Als Godvruchtige mensen in slecht gezelschap komen, dan moeten zij wel acht geven op hetgeen zij zeggen. Of wel: als de goddeloze voor mij is, in mijn gedachte is. Als hij de hoogmoed en de macht, de voorspoed en de bloeiende toestand van boosdoeners gadesloeg dan was hij in verzoeking om verkeerd te spreken, en daarom moest hij dan zeer bijzonder voorzichtig zijn in hetgeen hij zei. Hoe sterker de verzoeking is tot zonde, zoveel sterker moet ons besluit er tegen zijn.
II. Ingevolge deze verbonden gaf hij zich moeite om zijn tong in toom te houden, vers 3 Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede. Zijn stilzwijgen was prijzenswaardig, en hoe groter de prikkel was tot spreken, hoe lofwaardiger zijn stilzwijgen was. Waakzaamheid en een vast besluit in de kracht van Gods genade zullen meer bijdragen tot het beteugelen van de tong dan wij ons kunnen voorstellen. Maar wat zullen wij er van zeggen dat hij zweeg zelfs van het goede? Was het zijn wijsheid, die hem terughield van goede gesprekken als de goddelozen nog tegenover hem waren, daar hij geen paarlen voor de zwijnen wilde werpen? Ik denk veeleer dat hij zijn zwakheid was; omdat hij niet alles moest zeggen, wilde hij niets zeggen, en zo ging hij tot een ander uiterste over, hetgeen een smaad was voor de wet, want die schrijft het middel voor tussen twee uitersten. Dezelfde wet, die alle vuile reden verbiedt, eist een goede rede tot nuttige stichting, Efeze 4:29
III. Hoe minder hij sprak, des te meer dacht hij. Door het zieke lid te binden, werden er de vochten heengetrokken; mijn smart werd verzwaard, mijn hart werd heet in mijn binnenste, vers 4 Hij kon zijn tong breidelen, maar hij kon zijn hartstocht niet ten onder houden, hoewel hij de rook onderdrukte, was er toch een vuur in zijn gebeente, en terwijl hij peinsde over zijn beproevingen en over de voorspoed van de goddelozen, brandde het vuur. Zij, die van een gemelijke, ontevreden aard zijn, moeten niet al te veel peinzen over de dingen, er niet al te lang op blijven staren; want terwijl zij hun gedachten laten verwijlen bij de oorzaken van de rampen, wordt het vuur van hun ontevredenheid door brandstof onderhouden en brandt het zoveel heftiger. Ongeduld is een zonde, die haar slechte oorzaak heeft in onze zelf, en die is peinzen; en haar slechte uitwerking op onszelf, en die is niets minder dan branding. Indien wij dus het kwaad van onbeteugelden hartstocht willen voorkomen, dan moeten wij de grief van onbeteugelde gedachten herstellen.
IV. Toen hij eindelijk sprak, sprak hij ter zake. Toen sprak ik met mijn tong. Sommigen houden het er voor dat zijn spreken een verbreken was van zijn voornemen, zijn goed besluit, en dat hij in hetgeen hij zei met zijn tong heeft gezondigd, en zo houden zij dan hetgeen volgt voor een hartstochtelijker wens, "dat hij, evenals Elia mocht sterven" 1 Koningen 19:4, en zoals Job, Hoofdstuk . 6:8, 9. Maar ik houd het veeleer niet voor een verbreken van zijn goed voornemen, maar voor de herstelling van zijn vergissing in zijn stilzwijgen al te ver te drijven; hij had gezwegen van het goede, maar nu wilde hij er niet langer over zwijgen. Hij had niets te zeggen tot de bozen, die tegenover hem waren, want bij hen wist hij zijn woorden niet te plaatsen, maar na lang gepeinsd te hebben, was het eerste woord, dat hij hij zei, een gebed en een vrome overdenking over een onderwerp, waaraan het voor ons allen goed is veel te denken.
1. Hij bidt God om hem bewustheid te geven van de kortheid en de onzekerheid van het leven en het naderen van de dood, vers 5 Heere maak mij bekend man einde en welke de mate mijn dagen zij. Hij bedoelt niet: "Heere, laat mij weten hoe lang ik zal leven en wanneer ik zal sterven," wij kunnen zo'n gebed niet bidden in het geloof, want God heeft nergens beloofd dat Hij ons dit zal doen weten, maar heeft in Zijn wijsheid die kennis weggesloten onder de verborgen dingen, die niet voor ons zijn. Het zou ook niet goed voor ons zijn om dit te weten; maar, "Heere, maak mij bekend mijn einde," betekent: "Heere, geef mij wijsheid en genade om er op te merken", Deuteronomium 32:29, "en een goed gebruik te maken van hetgeen ik ervan weet." "De levenden weten dat zij sterven zullen," Prediker 9:5, maar weinigen zullen eraan denken; daarom is het ons nodig te bidden dat God door Zijn genade de afkeer van de gedachte aan de dood zal overwinnen die in ons verdorven hart is. "Heere, doe mij bedenken",
a. Wat de dood is; hij is mijn einde, het einde van mijn leven en van alle bezigheden en genietingen van het leven, het einde van alle mensen," Prediker 7:2 Hij is het einde van onze staat van beproeving, onze proeftijd, onze tijd van voorbereiding, en een ontzaglijk ingaan tot een staat van vergelding en beloning. Voor de goddeloze is hij het einde van al zijn genietingen, voor een Godvruchtige het einde van al zijn leed. "Heere, maak mij bekend mijn einde, ten einde beter bekend te worden met de dood, er meer gemeenzaam mee te worden, "Job 17:14 meer onder de indruk te zijn van de grootste van de veranderingen. Heere, geef mij te bedenken welk een ernstige zaak het is te sterven."
b. "Hoe nabij het is, Heere, maak mij bekend de mate van mijn dagen, geef mij te bedenken dat zij afgemeten zijn in de raad Gods," (het einde is een bepaald, een vastgesteld einde, dat is de betekenis van het Hebreeuwse woord. "Mijn dagen zijn bestemd", Job 14:5 ); "en dat de mate slechts klein is, mijn dagen zullen spoedig geteld en voleindigd zijn." Als wij op de dood zien als op iets dat verre is, dan zijn wij in verzoeking om de noodzakelijke voorbereiding er voor uit te stellen; maar als wij bedenken hoe kort het leven is, dan zullen wij zien dat het ons nodig is om te doen wat onze hand vindt om te doen, niet slechts met alle macht maar met allen mogelijken spoed.
c. Dat het voortdurend in ons werkt. "Heere, geef mij te bedenken hoe broos ik ben, hoe gering de voorraad is van levenskracht, en hoe de levensgeesten, die als de olie zijn, welke de lamp brandende houdt, meer en meer verflauwen. Door dagelijkse ervaring bevinden wij dat het aardse huis van deze tabernakel vermolmt en in verval geraakt. Heere, geef ons hieraan te denken opdat wij ons verzekeren van een woning in het huis, dat niet met handen gemaakt is."
2. Hij denkt aan de kortheid en ijdelheid van het leven, er op pleitende bij God om hulp en ondersteuning onder de lasten van het leven zoals Job dikwijls gedaan heeft, en hij pleit er op bij zichzelf om zich op te welke tot het werk des levens.
A. Des mensen leven op aarde is kort en van geen duurzaamheid, en dat is een reden waarom wij er los van moeten zijn en ons moeten bereiden voor het einde ervan, vers 6 Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, de breedte van vier vingers, een zekere grootte een geringe, waarvan wij de maat steeds bij ons hebben, altijd voor onze ogen hebben; wij hebben geen roede, geen meetsnoer nodig om de afmeting van onze dagen te bepalen, geen bekwaamheid in rekenkunde om er het aantal van te berekenen; neen, wij hebben er de maatstaf van in onze vingers en zij zijn niet te vermenigvuldigen, zij zijn met hun allen slechts een handbreed. Onze tijd is kort en God heeft hem zo gemaakt, want het getal onzer maanden is bij Hem hij is kort, en Hij weet dat hij kort is; "mijn leeftijd is als niets voor U." Hij gedenkt "hoe kort onze tijd is" Psalm 89:48 "Hij is als niets in vergelijking met U", aldus lezen sommigen de zin. Alle tijd is als niets bij Gods eeuwigheid en nog veel minder ons deel van de tijd.
B. Des mensen leven op aarde is ijdel en van geen waarde, en daarom is het dwaas om er gehecht aan te zijn en verstandig om ons van een beter leven te verzekeren. Adam is Abel, de mens is ijdelheid in zijn tegenwoordige staat; hij is niet wat hij schijnt te zijn heeft niet wat hij zich beloofd heeft, hij en al zijn genot en gerief zijn voortdurend in onzekerheid; en als er na dit leven geen ander leven was, dan zou hij, alles in aanmerking genomen tevergeefs gemaakt zijn. Hij is sterflijk, hij is onbestendig. Let er op hoe nadrukkelijk deze waarheid hier wordt uitgesproken.
a. Een ieder mens is enkel ijdelheid, een ieder mens zonder uitzondering, hoog en laag, rijk en arm, allen ontmoeten elkaar hierin.
b. Hij is dit in zijn beste staat, als hij jong is en krachtig en gezond, in rijkdom en eer, op de hoogte van voorspoed; als hij het meest gerust is, het meest vrolijk is, het veiligst denkt te zijn, denkt dat zijn berg vaststaat.
c. Hij is enkel ijdelheid, zo ijdel mogelijk. Geheel de mens is een en al ijdelheid, zo zou het gelezen kunnen worden; alles om en aan hem is onzeker, niets is degelijk en duurzaam dan hetgeen de nieuwe mens betreft immers, of waarlijk, zo is hij. Dit is een waarheid van ontwijfelbare zekerheid maar wij zijn er zeer afkerig van om haar te geloven, en wij hebben het nodig dat zij ons plechtig betuigd wordt, gelijk zij ons dan ook werkelijk door vele voorbeelden betuigd wordt.
e. Sela, dit woord wordt er aan toegevoegd, als een aandachtsteken. "Blijf hier staan en wacht een weinig, opdat gij de tijd kunt nemen om deze waarheid te overwegen en toe te passen, dat iedere mens ijdelheid is." Wij zelf zijn dit.
Ten bewijze van de ijdelheid van de mens als sterflijk, noemt hij hier drie dingen, en van ieder van deze drie toont hij de ijdelheid aan, vers 7
Ten eerste. De ijdelheid van onze blijdschap en eer. Immers, of gewis, wandelt de mens (zelfs als hij wandelt in hoogheid, als hij wandelt in genot of vermaak), in een beeld, een schaduw, in een ijdele schijn. Als hij veel vertoning maakt, veel van zich doet spreken, gaat zijn gedaante voorbij en is zijn grote pracht slechts grote ijdelheid, Handelingen 25:23 Het is slechts een vertoning, en daarom een edele vertoning, zoals de regenboog, welks bonte, schitterende kleuren wel spoedig moeten verdwijnen, daar zijn onderlaag slechts een wolk, een damp is, en zodanig is het leven, Jakobus 4:24 en daarom moet ook al haar vrolijkheid zodanig zijn.
Ten tweede. De ijdelheid van onze smarten en angsten: immers zijn zij tevergeefs verontrust. Onze ongerustheid is dikwijls ongegrond; wij kwellen ons zonder reden en de aanleidingen van onze ellende zijn dikwijls de schepselen van onze eigen verbeelding, en zij zijn altijd vruchteloos, wij ontrusten ons tevergeefs, want met al onze ongerustheid kunnen wij de aard van de dingen niet veranderen, evenmin als de raad van God; de dingen zullen zijn zoals zij zijn, al hebben wij er ons ook nog zoveel om ontrust en ontroerd. Ten derde. De ijdelheid van ons zorgen en zwoegen. Hij geeft zich zeer veel moeite om schatten opeen te hoopten, en zij zijn slechts als hopen van mest in de voren van de akker, nergens goed voor, tenzij zij verspreid worden. Maar als hij zijn schatkamer met deze prullen gevuld heeft weet hij niet wie ze naar zich nemen zal, noch wiens zij zijn zullen als hij heengegaan is, want hij zal ze niet medenemen. Hij vraagt niet: "voor wie arbeid ik? en dat is zijn dwaasheid", Prediker 2:19 "Dit is ijdelheid."