Psalm 57:8-12
Hoe verwonderlijk is de toon hier veranderd! Door de levendige oefeningen des geloofs zijn Davids gebeden en klachten plotseling in lof en dankzegging veranderd: zijn zak is ontbonden hij is met blijdschap omgord, en zijn halleluja's zijn even vurig als zijn hosanna's. Dit moet ons het gebed zeer doen liefhebben, dat het vroeg of laat verzwolgen zal worden door lofzegging.
Merk op:
1. Hoe hij zich bereidt voor de plicht van de lofzegging vers 8. Mijn hart is gerust, o God, mijn hart is gerust mijn hart is opgeheven, opgericht (zo lezen het sommigen) dat ternedergebogen was, vers 7. Mijn hart is bereid,
a. Ten opzichte van Gods voorzienigheid, het is bereid voor iedere gebeurtenis, het is vast daar ik vertrouw op God, Psalm 112:7, Jesaja 26:3. "Mijn hart is bereid, en nu acht ik op geen ding," Handelingen 20:24, word "ik door geen van deze dingen bewogen". Als wij door Gods genade in deze rustige, kalme gemoedsstemming worden gebracht, dan hebben wij grotelijks reden om dankbaar te zijn.
b. Met betrekking tot de aanbidding Gods: Mijn hart is bereid, ik zal zingen en psalmzingen. Hierin ligt opgesloten dat het hart het voornaamste is, dat in alle handelingen van de Godsvrucht wordt vereist, in de Godsdienst wordt niets met goed gevolg gedaan dan voor zover het met het hart gedaan is. Het hart moet bereid zijn, bereid voor de plicht, er geschikt voor gemaakt zijn, geschikt en genegen, bereid voor de plicht door aandacht, de Heere wel aan te hangen zonder herwaarts en derwaarts afgetrokken te worden.
2. Hoe hij zich opwekt tot de plicht van de lofzegging, vers 9. Waak op mijn eer mijn tong-onze tong is onze eer, en zij is dit nooit meer dan wanneer zij gebruikt wordt om God te loven, of, mijn ziel, die moet het eerst opgewekt worden, doffe, slaperige gebeden of lofzeggingen zullen Gode nooit welbehaaglijk zijn. Wij moeten ons en alles wat binnen in ons is opwekken om God te loven, dit offer moet met heilig vuur worden aangestoken en in een heilige vlam opwaarts geen. Davids tong zal leiden, en zijn luit en harp zullen volgen in deze hymnen des lofs. Ik zelf zal opmaken, niet alleen: "ik zal niet dodig en slaperig en onverschillig zijn in dit werk", maar ik zal in de levendigste gemoedsstemming wezen als iemand, die pas uit een verkwikkenden slaap ontwaakt is." Hij zal vroeg ontwaken tot dit werk, vroeg in de morgen, ten einde de dag te beginnen met God, vroeg bij het begin van een zegen. Als God tot ons komt met Zijn gunsten, dan moeten wij uitgaan om Hem te ontmoeten met onze lof.
3. Hoe hij zich verlustigt in het werk van de lofzegging, ja er fier op is, wel verre van zich te schamen om zijn verplichtingen aan God en zijn afhankelijkheid van Hem te erkennen, besluit hij Hem te loven onder de volken, Hem te psalmzingen onder de natiën, vers 10. Dit geeft te kennen:
a. Dat zijn eigen hart zeer verruimd was in de lof van God, hij wilde de aarde doen weerklinken van zijn heilige liederen, opdat allen zouden zien en te weten komen hoeveel hij aan de goedheid Gods was verschuldigd. b. Dat hij anderen er toe wenste te brengen om zich met hem te verenigen in het loven van God, hij wil Gods lof verkondigen onder de volken, opdat de kennis en vreze en liefde van God verbreid zullen worden en de einden van de aarde Zijn heil zullen zien. Toen David uitgedreven werd naar heidense landen, wilde hij niet alleen hun goden niet aanbidden, maar hij wilde openlijk zijn verering tonen van de God Israëls, overal waar hij ging nam hij zijn Godsdienst mede, wilde hij pogen er anderen liefde voor in te boezemen, en er de lieflijke geur van achterlaten. In zijn psalmen, die de kerk van het heelal vullen en dit tot aan het einde van de tijd zullen blijven doen, kan David gezegd worden nu nog God te loven onder de volken en Hem te psalmzingen onder de natiën, want alle Godvruchtigen maken gebruik van zijn woorden om God te loven. Aldus wordt Johannes gezegd in zijn geschriften "wederom te profeteren voor vele volken en natiën," Openbaring 10:11.
4. Hoe hij zich voorziet van stof tot lof, vers 11. Hetgeen hij hoopte, en waarmee hij zich vertroostte God zal Zijn goedertierenheid en waarheid zenden, vers 4 is hier de stof van zijn dankzegging. Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, groot boven alle bevatting en uitdrukking, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken, groot boven alle ontdekking, want welk oog kan reiken tot hetgeen in de wolken gehuld is? Gods goedertierenheid en waarheid reiken tot aan de hemelen, want zij zullen allen naar de hemel brengen die er hun schat in hebben en er hun hoop op bouwen Gods goedertierenheid en waarheid worden tot de hemel toe verheven in lofzangen, en zij worden ook bezongen door de inwoners van de bovenwereld, die voortdurend Gods lof verheffen tot het hoogste, terwijl David er naar streeft om hem op aarde het verst te verbreiden, vers 10.
5. Hoe hij het eindelijk aan God overlaat om Zijn eigen naam te verheerlijken, vers 12. Verhef U boven de hemelen, o God! Dezelfde woorden, die hij in vers 6 heeft gebruikt om er zijn gebeden in saam te vatten, gebruikt hij hier wederom en het is geen ijdele herhaling-om er zijn lofzeggingen in saam te vatten, "Heere, ik wens Uw naam te verhogen, en ik wens dat alle schepselen hem verhogen maar wat kunnen de besten van ons hiertoe bijdragen? Heere, neem het werk in Uw eigen handen, doe Gij het zelf, verhef U boven de hemelen, o God! In de lofzeggingen van de triomferende kerk zijt Gij verhoogd tot de hemelen, en in de lofzeggingen van de strijdende kerk wordt Uw heerlijkheid vermeld over de gehele aarde, maar Gij zijt boven de lofzeggingen van beide," Nehemia 9:5, en daarom, Heere, verhef U boven de hemelen en boven de gehele aarde. Vader, verheerlijk Uw naam, Gij hebt hem verheerlijk, verheerlijk hem wederom."