Psalm 56:1-8
In deze psalm werpt David zich door zijn geloof in de handen van God, toen hij zich door zijn vrees en dwaasheid in de handen van de Filistijnen geworpen had, het was toen zij hem gegrepen hadden te Gath, werwaarts hij uit vrees voor Saul gevlucht was, vergetende dat zij een twist met hem hadden wegens zijns doden van Goliath, maar zij hebben er hem spoedig aan herinnerd, 1 Samuël 21:10, 11. Het was bij die gelegenheid dat hij zich veranderde, maar zijn gemoedsstemming was er zo weinig door gestoord, dat hij toen deze en de 34sten psalm geschreven heeft. Deze wordt Michtam, een gouden psalm genoemd. Ook andere psalmen dragen dit opschrift, maar deze heeft iets bijzonders in het opschrift, hij is op jonath elem rechokim, d.i. de zwijgende duif in de verte. Sommigen passen dit toe op David zelf, die gewenst had vleugelen van een duif te hebben om ver weg te vliegen. Hij was onschuldigen argeloos, zacht en geduldig, als een duif, was toen verdreven uit zijn nest, van het heiligdom. Psalm 84:4, genoodzaakt om ver weg te gaan, om in een verwijderd land een toevlucht te zoeken, daar was hij gelijk duiven van de dalen, kermende, treurig en neerslachtig, maar zwijgend, niet murmurerende tegen God, of scheldende op de werktuigen van zijn leed. Hierin was hij een type van Christus, die als een schaap was, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, en een voorbeeld voor Christenen, die, waar zij ook zijn en onder welk kwaad hun ook gedaan wordt, als zwijgende duiven behoren te wezen.
In het eerste gedeelte van de psalm:
I. Klaagt hij bij God over de boosaardigheid en goddeloosheid van zijn vijanden, om te tonen welke reden hij had om hen te vrezen, en welke oorzaak, welke noodzakelijkheid er was dat God tegen hen zou optreden, vers 2. Wees mij genadig, o God! Die bede bevat al het goed waarvoor wij tot de troon van de genade komen indien wij daar genade verkrijgen, verkrijgen wij alles wat wij kunnen begeren, en meer behoeven wij niet om ons gelukkig te maken. Er ligt ook onze beste pleitgrond in opgesloten niet onze verdienste, maar Gods genade, Zijn vrije, rijke genade. Hij bidt om genade bij God te mogen vinden, omdat hij geen genade kan vinden bij de mensen. Toen hij van de wrede handen van Saul wegvluchtte, viel hij in de wrede handen van de Filistijnen. "Heere", zegt hij, "wees Gij mij thans genadig, of ik ben verloren." Tot de genade Gods kunnen wij de toevlucht nemen, daar kunnen wij op vertrouwen daar kunnen wij in het geloof om bidden, als wij van alle kanten door moeilijkheden en gevaren omringd zijn. Hij klaagt:
1. Dat zijn vijanden zeer talrijk zijn vers 3, "ik heb vele bestrijders, die mij door hun aantal denken te overweldigen, neem hier nota van: o Allerhoogste, en doe hun weten dat Gij in hetgeen, waarin zij trots handelen, boven hen zijt." Het is een punt van eer om te hulp te komen aan één tegen velen. En als God aan onze zijde is, dan kunnen wij, hoevelen het ook zijn die tegen ons strijden, op goede gronden roemen dat er meerzijn met ons, want (zoals die grote krijgsoverste gezegd heeft) Voor hoevelen rekent gij Hem?"
2. Dat zij wreed zijn, zij zoeken hem op te slokken, vers 2, en weer vers 3. Zij zochten hem te verslinden, niets minder kon hen voldoen, met de uiterste woede vielen zij als roofdieren op hem aan om zijn vlees te eten, Psalm 27:2. De mens zou hem willen verslinden, zij, die van zijn eigen soort zijn, van wie hij menselijkheid had kunnen verwachten. Roofdieren azen niet op hun eigen soort, maar een slecht man zou een goed man willen verslinden, zo hij slechts kon. "Zij zijn mensen, zwak en broos, doe hun weten dat zij dit zijn," Psalm 9:21. 3. Dat zij zeer eenstemmig zijn, vers 7. Zij rotten tezamen, hoewel zij talrijk zijn en onder elkaar verschillen in belangen, vereenden zij zich toch tegen David, zoals Herodes en Pilatus tegen de Zoon van David.
4. Dat zij zeer machtig zijn, veel te sterk voor hem, indien God hem niet te hulp komt. "Zij strijden tegen mij, vers 3. Zij verdrukken mij, vers 2. Ik ben bijna door hen overweldigd en ter neergeworpen, tot het uiterste gebracht. "
5. Dat zij zeer listig en behendig zijn, vers 7. "Zij versteken zich, zij houden hun plannen en bedoelingen zorgvuldig bedekt, teneinde ze met te beteren uitslag te vervolgen en ten uitvoer te brengen. Zij verbergen zich als een leeuw in zijn hol, teneinde mijn voetstappen na te gaan, zij letten op alles wat ik zag en doe met een kritisch oog, teneinde iets te vinden, waarvan zij mij kunnen beschuldigen." Zo hebben ook Christus vijanden Hem bespied Lukas 20:20. Of, Zij houden al mijn bewegingen in het oog, teneinde gelegenheid te vinden om mij kwaad te doen, hun strikken voor mij te spannen."
6. Dat zij zeer nijdig en boosaardig zijn. Zij gaven een hatelijke uitlegging van alles wat hij zei, al was het ook nog zo eerlijk en goed bedoeld en met voorzichtigheid uitgedrukt vers 6 "Zij verdraaien mijne woorden," zochten er uit te halen wat er niet in was", en aldus "verklaarden zij hem schuldig om een woord," Jesaja 29:21, stelden het verkeerd voor aan Saul, en verzwaarden, verergerden het, teneinde hem nog meer tegen hem te vertoornen. Zij legden er zich op toe om David in het verderf te storten, al hun gedachten waren tegen hem ten kwade, en zo gaven zij een boze uitlegging aan al zijn woorden.
7. Dat zij rusteloos en onvermoeid zijn, zij wachten gedurig op zijn ziel, het is zijn dood waar zij naar verlangen, vers 7. Dagelijks streden zij tegen hem, vers 2, en dagelijks zuchten zij hem op te slokken, vers 3, en de gehele dag verdraaiden zij zijn woorden, verse. Hun boosaardigheid wilde niet de geringste stilstand van wapenen toestaan, wilde er niet van weten om de vijandelijkheden te doen ophouden. Zodanig is de vijandschap van Satan en zijn agenten tegen het koninkrijk van Christus en de belangen van Zijn heilige Godsdienst en als wij deze van harte zijn toegedaan, dan moeten wij het niet vreemd vinden als wij ook een dergelijke behandeling ondervinden. Onze meerderen, zij, die beter waren dan wij, zijn aldus behandeld geworden, aldus hebben zij de profeten vervolgd.
II. Hij bemoedigt zich in God, in Zijn beloften, Zijn macht en voorzienigheid, vers 4,5. Temidden van zijn klachten en voordat hij nog van zijn vijanden gezegd heeft wat hij van hen te zeggen heeft, juicht en roemt hij in de bescherming Gods.
1. Hij besluit om, als de gevaren het dreigendst zijn en alle andere vertrouwen op niets uitloopt, God tot zijn vertrouwen te stellen, ten dage als ik zal vrezen als ik het meest van buiten word verschrikt en innerlijk het meest sidder, zal ik op U vertrouwen, en daardoor mijn vrees tot zwijgen brengen. Er zijn tijden, die op zeer bijzondere wijze tijden van vrees zijn voor Gods volk, in die tijden is het hun plicht en hun belang om op God te vertrouwen als hun God, en te weten op wie zij hebben vertrouwd. Dat zal het hart sterken en bewaren in vrede. 2. Hij besluit om Gods beloften tot het onderwerp te maken van zijn lof, en daartoe hebben wij ook alle reden, vers 5. In God zal ik Zijn woord prijzen, niet alleen Zijn werk, dat Hij gedaan heeft, maar Zijn woord, dat Hij heeft gesproken, ik zal Hem dankzegging doen voor een belofte, hoewel zij nog niet vervuld is in God, in Zijn kracht en door Zijn hulp, zei ik roemen in Zijn woord en er Hem de eer voor geven." Sommigen verstaan door Zijn woord de leidingen van Zijn voorzienigheid, iedere gebeurtenis die Hij beveelt en bepaalt:, Als ik goed spreek van God, zal ik met Hem goed spreken van alles wat Hij doet.
3. Aldus gesterkt en gesteund zal hij alle vijandige machten trotseren, "Als ik op God mijn betrouwen heb gesteld, dan ben ik veilig, dan ben ik gerust, en zal ik niet vrezen wat vlees mij doen zou, het is slechts vlees en kan niet veel doen, ja zonder de toelating Gods kan het niets doen." Gelijk wij niet op een arm van een mens moeten vertrouwen, als hij voor ons werkt, zo moeten wij ook geen vlesen arm vrezen, als hij tegen ons is uitgestrekt.
III. Hij voorziet en voorzegt de val van hen, die tegen hem streden, en van alle anderen, die denken zich door goddeloze handelingen te bevestigen, vers 8. Zouden zij om hun ongerechtigheid vrij gaan? Zij hopen aan Gods oordelen te ontkomen, zoals zij aan dat van de mensen ontkomen, door geweld en bedrogen de kunstenarijen van ongerechtigheid en verraad, maar zullen zij ontkomen? Zullen zij vrij gaan? Neen, gewis niet, de zonde van de zondaren zal nooit hun beschutting, hun veiligheid wezen, en evenmin zal hun onbeschaamdheid of hun huichelarij hen doen vrijspreken voor de rechterstoel Gods. God zal in Zijn toorn zulke lieden ter nederwerpen en uitwerpen, Romeinen 2:3 Niemand is zo hoog geplaatst of zo vast geworteld, of de gerechtigheid Gods kan hem nederwerpen, beide van zijn waardigheid en van zijn betrouwen. Wie kent de sterkte van Gods toorn, hoe hoog zij kan reiken, en hoe krachtig zij kan treffen?