Psalm 54:6-9
Wij hebben hier de levendige geloofsoefening van David in zijn gebed, waardoor hij de zekerheid verkreeg dat de uitkomst goed en troostrijk zal zijn, hoewel de aanslag op hem zeer geducht was.
1. Hij was er zeker van God aan zijn zijde te hebben, dat God zijn partij nam, vers 6 hij zegt het met een gevoel van triomf. Zie God is mij een helper. Indien wij voor Hem zijn, dan is Hij voor ons, als Hij voor ons is dan zullen wij in Hem zo'n hulp hebben dat wij geen macht behoeven te vrezen, die zich tegen ons stelt. Hoewel mensen en duivelen het er op aanleggen om onze verdervers te zijn, zij zullen niet tegen ons overmogen, zo God ons een helper is. "De Heere is met mij, ik zal niet vrezen onder mijn helpers, die mijne ziel ondersteunen." Vergelijk Psalm 1-18:7. Er zijn sommigen die mij ondersteunen, en God is één hunner, Hij is de eerste, de voornaamste van hen, niemand hunner zou mij kunnen helpen, indien Hij mij niet hielp. Ieder schepsel is datgene voor ons en niets meer wat God het doet zijn. Hij bedoelt: De Heere is het, die mijn ziel ondersteunt, mij er voor behoedt om moede te worden onder mijn werk of onder mijn lasten te bezwijken." Hij, die door Zijn voorzienigheid alle dingen onderhoudt, ondersteunt door zijn genade de zielen van Zijn. God, die te bestemder tijd Zijn volk zal verlossen, zal hen intussen ondersteunen en staande houden, zodat de geest, die Hij gemaakt heeft, voor Zijn aangezicht niet overstelpt zal worden.
2. God het voor hem opnemende, twijfelt hij niet, of zijn vijanden zullen voor zijn aangezicht vlieden en vallen Hij zal dit kwaad aan mijn verspieders vergelden, vers 7, die een gelegenheid zoeken om mij onheil te berokkenen. David wilde hun geen kwaad vergelden, maar hij wist dat God het zou doen, ik ben als een dove, ik hoor niet, want Gij zult horen. De vijanden aan wie wil vergiffenis schenken, zal God, zo zij zich niet bekeren, oordelen, en daarom moeten wij onszelf niet wreken, want God heeft gezegd: Mij is de wraak. Maar hij bidt: Roei hen uit door Uw waarheid. Dit is geen gebed van de boosaardigheid, maar een gebed des geloofs, want het heeft het oog op het Woord van God, en begeert slechts de vervulling daarvan. Er is waarheid in Gods bedreigingen zowel als in Zijn beloften, en zondaren, die zich niet bekeren, zullen dit tot hun schade gewaar worden.
3. Hij belooft Gode dank te zeggen voor al de ervaringen, die hij heeft gehad van Zijn goedheid jegens hem, vers 8. Ik zal U met vrijwilligheid offeren. Hoewel de offers kostbaar waren, zal David, daar God toen van Zijn aanbidders eiste dat zij Hem op die wijze zouden loven en danken, ze niet slechts offeren, maar ze vrijwillig offeren, zonder murmureren of tegenzin. Al onze geestelijke offeranden moeten in die zin vrijwillige offers zijn, want God heeft de blijmoedige gever lief. Maar hij zal niet slechts zijn offer brengen, dat slechts de schaduw was, de ceremonie, maar ook acht geven op het wezen. Ik zal Uw naam loven. Een dankbaar hart en de varren van onze lippen zijn de offeranden, die God zal aannemen, ik zal Uw naam loven, want hij is goed. Uw naam is niet alleen groot, maar goed, en moet daarom geloofd worden. Gods naam te loven is niet slechts hetgeen wij verplicht zijn, maar het is goed, het is aangenaam, het is nuttig, het is goed voor ons, Psalm 92:2, "daarom zal ik Uw naam loven."
4. Hij spreekt van zijn verlossing als van iets, dat reeds geschied is, vers 9.
a. Ik zal Uw naam loven en zeggen: "Hij heeft mij gered, dat zal alsdan mijn lied zijn." Hetgeen, waarin hij zich verheugt, is een volkomen verlossing, Hij heeft mij totnutoe gered uit alle benauwdheid, en menigmaal heb ik mijn doel bereikt heeft God mij op mijn verspieders doen zien, daarom zal Hij mij ook nu uit deze benauwdheid redden." Aldus behoren wij ons in onze grootste moeilijkheden aan te moediger door onze ervaringen in het verleden. Of,
b. Met deze gedachte maakte hij zijn tegenwoordige verlossing groot toen de schrik voorbij was, dat zij een onderpand was van nog verdere verlossingen. Hij spreekt van zijn algehele verlossing als van iets, dat reeds geschied was hoewel hij nog zeer vele moeilijkheden voor zich had, want Gods belofte er voor hebbende, was hij er even zeker van, alsof zij reeds had plaats gehad. "Hij, die begonnen is mij uit deze benauwdheid te redden, zal mij uit alle benauwdheden verlossen, en mij ten laatste op mijn vijanden doen zien." Dit kan misschien heenwijzen naar Christus, van wie David een type is geweest. God zal Hem verlossen uit al de benauwdheden van Zijn staat van vernedering, en Hij was er volkomen zeker van, en er is gezegd, dat alle dingen onder Zijn voeten gelegd zullen worden, want, hoewel wij nu nog niet zien dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zijn wij er toch volkomen zeker van dat Hij zei heersen, totdat Zijn vijanden tot Zijn voetbank zijn gemaakt, en Hij Zijn lust aan hen zien zal. Maar het is ook een aanmoediging voor alle gelovigen, om van bun bijzondere verlossing het gebruik te maken, dat Paulus (evenals hier David) ervan maakt, 2 Timotheus 4:17, 18. "Hij, die mij uit de muil van de leeuw heeft verlost, zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels koninkrijk."