Psalm 51:16-21
I. David bidt tegen de schuld van de zonde en bidt om de genade Gods, en voor beide beden voert hij een pleitgrond aan, ontleend aan Gods heerlijkheid, welke hij belooft met dankbaarheid te zullen verkondigen.
1. Hij bidt tegen de schuld van de zonde, dat hij ervan verlost mocht worden, en belooft dat hij dan God zal loven, vers 16. De bijzondere zonde, waar hij tegen bidt, is bloedschuld, de zonde, die hij nu bedreven had, daar hij Uria met het zwaard van de kinderen Ammons had gedood. Totnutoe had hij misschien de mond van zijn consciëntie gestopt door de beuzelachtige verontschuldiging dat hij hem niet zelf gedood had, maar nu was hij ervan overtuigd dat hij zelf de moordenaar was, en het bloed tot God horende roepen om wraak, roept hij tot God om genade: verlos mij van bloedschulden, laat mij niet onder de soort van schuld blijven liggen, die ik op mij geladen heb, maar laat haar mij vergeven worden, en laat mij nooit aan mijzelf overgelaten worden, om weer een dergelijke schuld op mij te laden." Allen hebben wij het nodig om ernstig te bidden tegen bloedschulden. In dit gebed beschouwt hij God als de God van zijn heil, van zijn verlossing. Hen, voor wie God de God van hun heil is, zal Hij verlossen van schuld, want het heil, de verlossing, waarvan Hij de God is, is verlossing van zonde. Daarom kunnen wij hierop bij Hem pleiten: Heere, Gij zijt de God van mijn verlossing, verlos mij dan van de heerschappij van de zonde." Hij belooft dat zo God hem wilde verlossen, zijn tong Gods gerechtigheid vrolijk zal roemen, God zal de eer hebben, beide van vergevende genade en van voorkomende genade Gods gerechtigheid wordt dikwijls genomen voor Zijn genade, inzonderheid in betrekking tot de grote zaak van rechtvaardigmaking en heiligmaking. Daarin zal hij zich vertroosten daarvan zal hij zingen, en daarmee zal hij pogen anderen bekend te maken, hen onder de invloed ervan te brengen hij zal er vrolijk van zingen. Dat behoren allen te doen, die er de weldaad van gehad hebben, hun alles er aan verschuldigd zijn.
2. Hij bidt om de genade van God en belooft die genade dan te gebruiken tot Zijn eer vers 17. "Heere, open mijne lippen, niet alleen opdat ik zondaren kan onderwijzen" (hetgeen de beste prediker niet met enigerlei goed gevolg doen kan, tenzij God hem de opening des monde en de tong van de geleerden geeft), maar opdat mijn mond Uw lof verkondigt, niet alleen opdat ik overvloedige stof hebbe tot lof, maar een hart hebbe verruimd in lof." Schuld had zijn lippen gesloten en was ver op weg om de mond des gebeds te stoppen, uit schaamtegevoel, uit vrees, kon hij niet in de tegenwoordigheid Gods komen, die Hij had beledigd, nog veel minder kon hij tot Hem spreken, zijn hart veroordeelde hem, en daarom had hij geen toegang met vertrouwen tot God. Inzonderheid sloeg het hem ter neer in het loven van God, toen hij de vreugde zijns heils had verloren, werd zijn harp aan de wilgen gehangen, daarom bidt hij: Heere, open mijn lippen, stem mijn hart om U weer te loven." Tot hen, die stom zijn vanwege schuld, zal de verzekering van de vergeving van hun zonden met kracht van uitwerking het woord effatha dat is: word geopend, zeggen-en als de lippen geopend zijn wat zouden zij dan anders spreken dan de tot van God, zoals Zacharias gedaan heeft? Lukas 1:64.
II. David offert de offerande van een gebroken en verslagen hart, wetende dat dit Gode welbehaaglijk was. 1. Hij wist wel dat het offeren van dieren op zichzelf generlei waarde had voor God vers 18. Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik haar gaarne en van ganser harte brengen, ten einde vergeving en vrede te verkrijgen, in brandofferen hebt Gij geen behagen. Zie hier hoe blij David geweest zou zijn om duizenden van rammen te offeren om de zonde te verzoenen. Zij, die volkomen overtuigd zijn van hun ellende en gevaar vanwege de zonde, zouden geen kosten ontzien om er de vergeving voor te verkrijgen, Micha 6:6,7. Maar zie, hoe weinig waarde God er aan hecht. Als blijken van gehoorzaamheid en typen van Christus heeft Hij voorzeker geëist dat offeranden geofferd zouden worden, maar Hij had er geen welbehagen in vanwege enigerlei waarde, die zij in en op zichzelf hadden, brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd. Daar zij niet voldoen kunnen voor de zonde kan God er ook geen andere voldoening in vinden, dan als uitdrukking van liefde tot en gehoorzaamheid aan Hem.
2. Hij wist ook hoe welgevallig oprecht berouw is aan God, vers 19. De offeranden Gods zijn een gebroken geest, Zie hier:
a. Wat het goede werk is, die in ieder weer boetvaardige gewerkt is, een gebroken geest, een gebroken en verslagen hart. Het is een werk, dat gewerkt is in het hart, dat is het, waarop God ziet, dat Hij eist in alle Godsdienstige handelingen inzonderheid in de handelingen van berouw en bekering. Het is een pijnlijk werk, dat daar gedaan wordt, het bestaat in niets minder dan in het verbreken van het hart, niet in wanhoop (zoals wij zeggen van iemand, die te gronde gericht is: zijn hart is gebroken), maar in noodzakelijke verootmoediging en smart om de zonde-het is een hart, dat zich buigt voor het Woord van God, en dat geduldig is onder de roede Gods, een hart, dat onderworpen is en tot gehoorzaamheid is gebracht, het is een hart, dat week is, zoals het hart van Josia was, en beeft voor Gods Woord.
b. Hoe genadig het Gode behaagt dit aan te nemen, het zijn: de offeranden Gods, niet een maar vele, zij komen in de plaats van alle brandofferen en slachtofferen. Het verbreken van Christus' lichaam voor de zonde is het enige zoenoffer, want geen andere offerande dan deze kon de zonde wegnemen, maar het breken van ons hart om de zonde is een offer van de erkentenis, een offerande Gods want aan Hem wordt zij geofferd, Hij eist haar, Hij bereidt haar Hij voorziet dit lam ten brandoffer en Hij zei het aannemen. Hetgeen Gode behaagde was niet het voeden van dieren, het vele werk maken ervan, maar het slachten ervan, zo is het ook niet het koesteren van ons vlees, maar het doden ervan, waarin God behagen heeft. Het offerdier werd gebonden, werd geslacht, werd verbrand, zo wordt het boetvaardig hart gebonden door overtuiging van zonde, bloedt het in het berouw en wordt dan brandende van heilige ijver tegen de zonde en voor God. De offerande werd geofferd op het altaar, dat de gave heiligde, zo is het verbroken hart Gode alleen welbehaaglijk door Jezus Christus er is geen ware bekering zonder geloof in Hem en dit is het offer, dat Hij niet zal verachten. De mensen verachten hetgeen gebroken is, maar dat zal God niet. Hij verachtte het offer van gescheurde of gebroken dieren, maar dat van een gescheurd en gebroken hart zal Hij niet verachten. Hij zal het niet voorbijzien, Hij zal het niet weigeren of verwerpen, hoewel het God geen genoegdoening geeft voor het onrecht, dat Hem gedaan is door de zonde, zal Hij het toch niet verachten. De hoogmoedige Farizeeër verachtte de tollenaar, wiens hart verbroken was, en deze koesterde ook zeer geringe gedachten van zichzelf maar God heeft hem niet veracht. Er ligt meer in opgesloten dan uitgedrukt is, de grote God ziet hemel en aarde voorbij, om met gunst op een verbroken en verslagen hart neer te zien, Jesaja 66:1, 2, 57:1-5. III. David doet voorbede voor Jeruzalem met het oog op de eer van God. Zie welk een zorg hij had: -
1. Voor het welzijn van de kerk Gods, vers 20, Doe wel bij Zion naar Uw welbehagen, is:
A. "Aan alle particuliere aanbidders in Zion aan allen, die Uw naam liefhebben en vrezen bewaar hen er voor om in zulke doorwondende, verterende zonden te vallen als deze mijn zonden zijn, bescherm en help allen, die Uw naam vrezen." Zij, die zelf in geestelijke ellende en moeilijkheden zijn geweest weten medelijden te hebben met en te bidden voor hen, die op gelijke wijze bedroefd en bezwaard zijn. Of:
B. Aan de openbare belangen van Israël. David was zich bewust van het kwaad, dat hij in Juda en Jeruzalem gedaan had door zijn zonde, hoe hij de handen slap had gemaakt, het hart van de godvruchtiger had bedroefd, en de mond van hun tegenstanders had geopend, ook vreesde hij dat, daar hij een openbaar persoon was, zijn zonde oordelen zou brengen over de stad en het koninkrijk, en daarom bidt hij God om de openbare belangen te beveiligen en te bevorderen, die hij had geschaad en in gevaar gebracht. Hij bidt dat God de nationale oordelen zou voorkomen, die zijn zonde verdiend had, en de zegeningen zou doen voortduren en het goede werk voortgang zou doen hebben, die door zijn zonde in gevaar waren gekomen om op te houden en vertraagd te worden. Hij bidt niet slechts dat God zal weldoen bij Zion, zoals Hij weldeed bij andere plaatsen, door Zijn voorzienigheid, maar het zou doen naar Zijn welbehagen, naar de bijzondere gunst, die Hij had voor deze plaats welke Hij had verkoren om er Zijn naam te stellen, dat de muren van Jeruzalem, waaraan men toen misschien bezig was te bouwen, opgebouwd mochten worden en dat goede werk aldus voltooid zou worden. Als wij voor de troon van de genade het meest voor onszelf te doen hebben, zaken van het grootste belang hebben te bepleiten, moeten wij toch niet vergeten voor de kerk Gods te bidden, ja onze Meester heeft ons geleerd om in ons dagelijks gebed te beginnen met: Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome. De gedachte aan het nadeel, dat wij door onze zonden aan de openbare belangen hebben toegebracht, moet ons aansporen om ze al het goed te doen, dat wij kunnen, inzonderheid door onze gebeden.
2. Voor de eer van Gods kerk, vers 21. Als God zich verzoend wilde betonen met hem en zijn volk zoals hij had gebeden, dan zullen zij voortgaan met de openbare diensten van Zijn huis.
a. Met blijmoedigheid voor henzelf. De bewustheid van Gods goedheid jegens hen zal hun hart verruimen in alle uitdrukkingen van dankbaarheid en gehoorzaamheid. Dan zullen zij tot Zijn altaar komen met brandoffers, met offers, die geheel verteerd worden, die zuiver en alleen bestemd waren voor de eer van God, dan zullen zij niet slechts lammeren en rammen offeren, maar varren, de kostbaarste offers, op Zijn altaar.
b. Gode welbehaaglijk. Gij zult lust hebben aan de offeranden van de gerechtigheid, wij zullen reden hebben dit te hopen, als wij bemerken dat de zonde weggenomen is, die dreigde de aanneming van het offer door God te verhinderen. Het is voor een Godvruchtige een grote vertroosting om te denken aan de gemeenschap, die er is tussen God en Zijn volk in hun openbare bijeenkomsten, hoe Hij geëerd wordt door hun nederige aanbidding, en hoe zij gelukkig zijn in Zijn welbehagen.