Psalm 40:12-18
Nagedacht hebbende over het werk van de verlossing en er van gesproken hebbende in de persoon van de Messias, komt de psalmist er nu toe om gebruik te maken van de leer van Zijn middelaarschap tussen ons en God, en daarom spreekt hij nu in zijn eigen persoon. Daar Christus de wil van Zijn Vader gedaan heeft Zijn werk heeft volbracht, en orders heeft gegeven voor de prediking van het Evangelie aan alle creaturen zijn wij aangemoedigd om met vrijmoedigheid toe te gaan tot de troon van de genade, teneinde barmhartigheid te verkrijgen en genade te vinden.
I. Dit kan ons aanmoedigen om te bidden om de genade van God, en ons onder de bescherming te stellen van die genade, vers 12 Heere, Gij hebt Uw Zoon niet gespaard, Hem ons niet onthouden, "onthoud ons dan Uw barmhartigheden niet," die Gij in Hem voor ons hebt weggelegd, want zult Gij ons "met Hem niet alle dingen schenken?" Romeinen 8:32 "Laat Uwe weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden." De beste heiligen zijn in voortdurend gevaar, en zien dat zij verloren zijn, indien zij niet voortdurend door de genade van God worden behoed; en de eeuwige weldadigheid en trouw van God zijn hetgeen, waarop wij moeten steunen om bewaard te worden voor het hemels koninkrijk, Psalm 61:8
II. Het kan ons aanmoedigen met betrekking tot de schuld van de zonde, daar Christus datgene gedaan heeft om ons ervan te ontlasten, wat slachtoffer en spijsoffer niet konden doen. Zie hier:
1. Het verschrikkelijk gezicht, dat hij had op de zonde, vers 13. Dat was het, waardoor de ontdekking van een Verlosser, waarmee hij nu bevoorrecht was geworden, hem zo welkom was. Hij zag dat zijn ongerechtigheden kwaden waren, de ergste kwaden; hij zag dat zij hem omgaven; als hij zijn leven naging, en iedere stap er van overdacht, ontdekte hij het een of ander dat verkeerd was. De dreigende gevolgen van zijn zonden omringden hem ja waarheen hij de blik richtte, overal zeg hij het een of ander kwaad, dat hem wachtte, en hij was zich bewust dat zijn zonden het hadden verdiend. Hij zag dat zij hem aangrepen, hem gevangen namen, zoals de gerechtsdienaar de schuldenaar; hij zag ze talloos, meer dan de haren van zijn hoofd. Overtuigde, ontwaakte gewetens duchten gevaar van de talloze zonden van hun zwakheid, die klein schijnen als haren, maar vanwege haar talrijkheid zeer gevaarlijk zijn. Wie kan de afdwalingen verstaan? God telt onze haren, Mattheus 10:30, die wij niet kunnen tellen; zo houdt Hij ook rekening van onze zonden, waarvan wij geen rekening houden. Het gezicht van zijn zonde drukte hem zo terneer, dat hij zijn hoofd niet kon ophouden: ik ben niet instaat op te zien, vers 13, en nog veel minder kon hij zijn hart ophouden: mijn hart heeft mij verlaten. Het gezicht op onze zonden in haar eigen kleuren zou ons in verbijstering brengen, indien wij niet terzelfder tijd enig gezicht hadden op de Zaligmaker.
2. Hoe hij zorgvuldig de toevlucht had genomen tot God onder het besef van zijn zonde vers 11, ziende dat hij door zijn zonden aan de rand des verderfs, des eeuwigen verderfs is gebracht, roept hij in heilige vurigheid van geest uit: Het behage U, Heere, mij te redden, vers 14; o red mij van de toekomenden toorn en de tegenwoordige verschrikking, waar ik onder ben door de vrees voor die toorn, ik ben verloren, ik sterf, ik verga, zo ik niet spoedig hulp verkrijg. In een geval van die aard, waarbij de zaligheid van een onsterfelijke ziel betrokken is, is uitstel gevaarlijk, daarom Heere, haast U tot mijn hulp." III. Dit kan ons aanmoedigen te hopen op de overwinning over onze geestelijke vijanden, die onze ziel zoeken om die te vernielen, vers 15 de briesenden leeuw, die omgaat, zoekende te verslinden. Indien Christus over hen heeft gezegevierd, dan zullen wij door Hem meer dan overwinnaars zijn. In het geloof hieraan kunnen wij met nederige vrijmoedigheid bidden: Laat hen tezamen beschaamd en schaamrood worden, en laat hen achterwaarts gedreven worden, vers 15. Laat hen verwoest worden, vers 16 Zowel de bekering van een zondaar als de verheerlijki5ng van een heilige is een grote teleurstelling voor Satan, die met al zijn kracht en list het uiterste doet om beide te verhinderen. Daar nu onze Heere Jezus op zich genomen heeft om de zaligheid van al Zijn uitverkorenen te werken, kunnen wij in het geloof bidden dat de grote tegenstander op die beide wijzen beschaamd zal worden. Als een kind van God in die ruisende kuil en dat modderig slijk gebracht is, dan roept Satan: Haha! denkende dat hij zijn doel bereikt heeft; maar hij zal in woede ontsteken als hij de vuurbrand uit het vuur gerukt ziet, en verwoest worden tot toon van zijn beschaming. De Heere schelde u, gij Satan. De aanklager van de broederen zal uitgeworpen worden.
IV. Dit kan allen, die God zoeken en Zijn heil beminnen, aanmoedigen om zich in Hem te verblijden, vers 17 Zie hier:
1. Het karakter, de hoedanigheid van Godvruchtige mensen: overeenkomstig de wetten van de natuurlijke Godsdienst zoeken zij God, begeren Zijn gunst, en in al hun noden en behoeften wenden zij zich tot Hem, zoals een volk zijn God behoort te zoeken. Overeenkomstig de wetten van de geopenbaarde Godsdienst beminnen zij Zijn heil, de grote zaligheid, van welke de profeten ondervraagd en onderzocht hebben, die de Verlosser op zich genomen heeft te werken, toen Hij zei: Zie, Ik kom. Allen, die zalig worden, beminnen de zaligheid niet alleen als een verlossing van de hel, maar als een verlossing van de zonde.
2. De zaligheid door dit profetische gebed aan alle Godvruchtigen verzekerd; zij, die God zoeken, zullen in Hem vrolijk en verblijd zijn en met goede reden, want Hij zal niet slechts van hen gevonden worden, maar Hij zei hun overvloedige beloner zijn. Zij, die Zijn heil beminnen, zullen vervuld worden van de vreugde van Zijn heil, en zij zullen gedurig zeggen: De Heere zij groot gemaakt, en aldus zullen zij een hemel hebben op aarde, zalig zij, die aldus God nog loven.
Eindelijk. Dit kan de heiligen, die in benauwdheid en ellende zijn, aanmoedigen om op God te vertrouwen en zich in Hem te vertroosten, vers 18 David zelf was een van dezen, Ik ben ellendig en nooddruftig; een koning, misschien reeds op de troon, en toch, ontroerd en ontrust zijnde in zijn gemoed, noemt hij zich ellendig en nooddruftig, verloren, in het verderf gestort zonder een Verlosser, een Zaligmaker, in nood en gebrek; maar de Heere denkt aan mij in en door de Middelaar, door wie Hij ons begenadigd heeft. De mensen vergeten de armen en nooddruftigen en denken zelden aan hen, maar Gods gedachten over hen, waarvan hij had gesproken, vers 6, zijn hun tot steun en troost. Zij kunnen er zeker van zijn dat God hun hulp is onder hun benauwdheden en dat Hij te bestemder tijd hun bevrijder zei zijn uit hun benauwdheden, en niet langer vertoeven; zal want het gezicht zal nog tot een bestemde tijd zijn, en daarom kunnen wij, hoewel het vertoeft, het verbeiden, want het zal gewis komen en niet achterblijven.