Psalm 3:5-9
David was door de tergingen van zijn vijanden opgewekt om God aan te grijpen als zijn God, en zo smaakte hij vertroosting door opwaarts te zien. Sloeg hij de blik rondom zich, dan deed zich niets anders aan hem voor dan hetgeen ontmoedigend was, maar terugziende kon hij met aangename gewaarwordingen denken aan het nut en voordeel, dat hij ontvangen heeft van zijn betrouwen op God, en nu ziet hij voorwaarts met lieflijke hoop op een gelukkige uitkomst en uitredding uit de treurige, donkere toestand, waarin hij zich nu bevond.
I. Zie met welk een vertroosting hij terugziet op de gemeenschap, die hij gehad heeft met God en de betoningen van Zijn gunst hetzij in moeilijkheden, waarin hij vroeger geweest is en waaruit hij door Gods goedheid gered was, of in zijn tegenwoordige benauwdheid, waarin hij totnutoe geholpen en ondersteund is geworden. David is door vele rampen en moeilijkheid beproefd geworden, was dikwijls verdrukt en zeer naar de diepte gebracht, maar altijd had hij God algenoegzaam bevonden.
Hij herdacht nu met genoegen:
1. Dat zijn moeilijkheden hem altijd op de knieen gebracht hebben, en dat hij in al zijn benauwdheden en gevaren instaat is geweest God te erkennen, zijn hart, en ook zijn stem, tot Hem op te heffen, (dat zal een troostrijke gedachte wezen, als wij in benauwdheid zijn) ik riep met mijn stem tot de Heere. Zorg en smart zullen ons goed en geen kwaad doen als zij ons aan het bidden brengen en ons dringen niet alleen om met God te spreken, maar om tot Hem te roepen als degenen wie het ernst is. En hoewel God de taal verstaat van het hart, als "de stem niet gehoord wordt," 1 Samuël 1:13, en geen waarde hecht aan de geveinsde gebeden van hen, die "hun stem doen horen in de hoogte," Jesaja 58:4." vox et profeteren nihil bloot geklank," zal er toch, als het dringende van de stem voortkomt uit de vurigheid van het hart, nota van genomen worden zal er rekening van gehouden worden, dat wij tot God riepen met onze stem.
2. Dat hij God altijd bereid heeft gevonden zijn gebeden te verhoren. Hij verhoorde mij van de berg van Zijn heiligheid, van de hemel, de hoge en heilige plaats, van de ark op de berg Zion, vanwaar Hij hun placht te antwoorden die Hem zochten. David had Zadok bevolen de ark weer te brengen in de stad, vanwaar hij vluchtte voor Absalom, 2 Samuël 15:25, wetende dat God niet gebonden was, neen, niet aan de ark des verbonds, en dat hij, in weerwil van de afstand van plaats, door het geloof een antwoord des vredes kon ontvangen van de heilige berg. Niets kan een kloof vestigen tussen de mededelingen van Gods genade aan ons en de werkingen van Zijn genade in ons, tussen Zijn gunst en ons geloof. De ark des verbonds was op de berg Zion, en de verhoring van onze gebeden geschiedt naar de beloften van dat verbond. Christus was tot Koning gezalfd over de heilige berg Zion, Psalm 2:6, en het is door Hem, die de Vader altijd hoort, dat onze gebeden verhoord worden.
3. Dat hij altijd zeer veilig en zeer gerust is geweest onder de bescherming Gods, vers 5 "lk lag neer en sliep, kalm en gerust, en ontwaakte verfrist en verkwikt, Want de Heere ondersteunde mij."
a. Dit is van toepassing op de gewone zegeningen van iedere nacht, waarvoor wij iedere morgen, alleen en met ons gezin, dankzegging behoren te doen. Velen hebben niet waar zij hun hoofd kunnen nederleggen, (maar dwalen om in woestijnen) of indien zij het wel hebben, durven zij zich toch niet nederleggen, uit vrees voor de vijand, maar wij hebben ons gerust en in vrede neergelegd. Velen liggen neer, maar kunnen niet slapen, en wentelen zich gedurig om tot aan de morgen, vanwege lichaamspijn of benauwdheid van de ziel, of de gedurige verschrikkingen van de nacht, maar wij liggen neer in veiligheid en slapen, hoewel wij dan niet instaat zijn om zelf iets te doen voor onze bewaring. Velen liggen neer en slapen om nooit weer te ontwaken, zij slapen de slaap des doods zoals de eerstgeborenen van de Egyptenaren, maar wij liggen neer en slapen, en ontwaken wederom voor het licht en de genoegens van een andere dag, en hoe komt dat? Is het niet omdat de Heere ons ondersteund heeft met slaap en voedsel? Wij zijn veilig geweest onder Zijn bescherming en gerust in de armen van Zijn goede voorzienigheid.
b. Het schijnt hier bedoeld te zijn van Davids verwonderlijke gemoedsrust en kalmte in het midden van zijn gevaren. Zichzelf en zijn zaak door het gebed Gode hebbende aanbevolen en zeker zijnde van Zijn bescherming, was zijn hart bereid of gesterkt, en was hij gerust. De ongehoorzaamheid van zijn zoon, de trouweloosheid van zijn onderdanen, het verraad van velen van zijn vrienden, het gevaar waarin hij verkeerde, de vermoeienissen van de tocht en de onzekerheid nopens de afloop van de zaak hebben hem van geen uur van zijn slaap beroofd, noch ook maar in het minste zijn rust verstoord, want de Heere heeft hem door Zijn genade en de vertroostingen Zijns Geestes krachtig ondersteund, en dat gaf hem rust. Het is een groot voorrecht, een grote zegen, dat ons hart als wij in benauwdheid zijn op de Heere kan vertrouwen, zodat wij dan eten noch slapen zullen met kommer en verbaasdheid.
c. Sommigen van de ouden passen het toe op de opstanding van Christus: in Zijn lijden heeft Hij sterke roepingen geofferd en werd verhoord en daarom, hoewel Hij zich nederlegde en de slaap des doods sliep, is Hij toch ten derden dage opgestaan, want de Heere ondersteunde Hem zodat Hij geen verderf gezien heeft.
4. Dat God dikwijls de macht van Zijn vijanden had verbroken en hun boosaardigheid ten onder had gehouden, hen op het kinnenbakken had geslagen, vers 8, hen tot zwijgen had gebracht, hun spreken had verdorven, hen te schande had gemaakt, hen smadelijk in het aangezicht had geslagen en hen onbekwaam. had gemaakt om het kwaad te doen, dat zij voornemens waren, want Hij had hun tanden verbroken. Saul en de Filistijnen, die soms gereed waren hem te verslinden, konden hun voornemen niet volvoeren. De tanden waarop geknarst wordt, of die gescherpt worden tegen Gods volk, zullen verbroken worden. Als te eniger tijd de macht van de vijanden van de kerk dreigend schijnt, dan is het goed te gedenken hoe dikwijls God haar verbroken heeft, en wij zijn er zeker van dat Zijn arm niet verkort is. Hij kan hun de mond stoppen en hun handen binden.
II. Zie met welk een vertrouwen hij op de gevaren ziet, die nog in het verschiet liggen. Zich onder Gods bescherming hebbende gesteld en daar dikwijls het voordeel van hebbende ondervonden.
1. Was zijn vrees gestild, vers 7. Met welk een heilige dapperheid tart hij de machteloze dreigementen en aanslagen van zijn vijanden!
Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die, hetzij als vreemde, buitenlandse vijanden, of in binnenlands oproer, zich rondom tegen mij zetten. Niemand scheen minder veilig, zijn vijanden zijn talrijk, tienduizenden, zij zijn boosaardig en vastberaden, hebben zich tegen mij gezet, ja meer, zij hebben reeds ver tegen mij overmocht, schijnen hun doel bereikt te hebben, want zij omringen mij van alle kanten, duizenden tegen een. en toch was niemand meer veilig, "ik zal met dat al toch niet vrezen, zij kunnen mij niet deren, en daarom zullen zij mij niet verschrikken, al neem ik ook voorzichtigheidsmaatregelen voor mijn veiligheid, het is toch van God dat ik mijn behoudenis verwacht en daarom zal ik mij niet ontrusten, mijn God niet wantrouwen en aan de goede einduitkomst niet twijfelen." Toen David op zijn vlucht voor Absalom aan Zadok gelastte de ark terug te brengen, sprak hij nog met twijfel, met onzekerheid van de uilkomst uit zijn tegenwoordige moeilijkheden en eindigde hij als een nederig boeteling met: "Zie, hier ben ik, Hij doe mij zoals het in zijn ogen goed is', 2 Samuël 15:26. Maar nu spreekt hij als een krachtig gelovige, met vertrouwen, en koestert geen vrees voor de uitslag. Een blijmoedige onderworpenheid aan God is het middel om een blijmoedig vertrouwen op God te verkrijgen.
2. Zijn gebed werd verlevendigd en aangemoedigd, vers 8. Hij geloofde dat God zijn Redder, zijn Verlosser was en toch had hij, neen, juist daarom bad hij: Sta op, Heere, verlos mij, mijn God! Beloften van verlossing en uitredding stellen onze gebeden er om niet ter zijde, maar wekken ze op, vuren ze aan, Hij wil er om gebeden zijn.
3. Zijn geloof werd overwinnend. Hij begon de psalm met klachten over de sterkte en boosaardigheid van zijn vijanden, maar eindigt hem met juichend roemen in de kracht en de genade zijns Gods, en nu ziet hij meer die met hem zijn dan die tegen hem zijn, vers 9. Op twee grote waarheden bouwt hij zijn vertrouwen en ontleent er troost aan.
a. Dat het heil des Heeren is. Hij is machtig om te verlossen, al is het gevaar ook nog zo groot. Het is Zijn kroonrecht om te verlossen als alle andere hulp faalt, het is Zijn welbehagen om te verlossen, het is Zijn belofte aan degenen, die de Zijnen zijn, dat Hij zal verlossen, het heil, de verlossing is niet hunner, maar des Heeren. Daarom zijn allen, die de Heere tot hun God hebben, overeenkomstig de strekking van het Nieuwe Testament, zeker van verlossing, van heil, want Hij, die hun God is, is de God des heils, de God van volkomen verlossing.
b. Dat Zijn zegen over Zijn volk is. Hij heeft niet slechts macht om hen te verlossen, maar Hij heeft hun verzekerd van Zijn vriendelijke, genaderijke bedoelingen jegens hen. Hij heeft in Zijn woord een zegen uitgesproken over Zijn volk, en wij zijn gehouden en verplicht om te geloven dat ingevolge hiervan die zegen op hen rust, al zijn er ook nog geen zichtbare uitwerkselen van.
Daarom kunnen wij tot de gevolgtrekking komen dat Gods volk, al ligt het ook onder de smaad en de afkeuring van mensen, gewis gezegend is door Hem, die waarlijk zegent en dus de zegen kan gebieden.
Bij het zingen en biddend overdenken hiervan moeten wij de voldoening erkennen, die wij smaken door op God te vertrouwen, ons onder Zijn hoede te stellen, en onszelf en elkaar aanmoedigen om te blijven hopen en rustig te wachten op het heil des Heeren.