Psalm 39:8-14
De psalmist had nagedacht over de kortheid en onzekerheid van het leven, en over de ijdelheid en kwelling des geestes, die aan al de genietingen van het leven verbonden zijn, en nu richt hij in deze verzen zijn ogen en zijn hart opwaarts naar de hemel. Als er geen degelijke voldoening is in het schepsel, dan is zij te vinden in God en in gemeenschap met Hem, en tot Hem moeten wij door de teleurstellingen in het leven uitgedreven worden. David geeft hier uitdrukking aan:
I. Zijn betrouwen op God, vers 8 Ziende dat alles ijdelheid is en de mens zelf ijdelheid is:
1. Wanhoopt hij aan geluk in de dingen van de wereld en wijst hij alle verwachting ervan af. "En nu, wat verwacht ik, o Heere? Niets van de dingen van de zinnen en tijdelijke dingen, van deze aarde wens ik niets, hoop ik niets." De gedachte aan de ijdelheid en broosheid van het menselijk leven moet onze begeerte naar de dingen van deze wereld doden en onze verwachting ervan verminderen. Indien de wereld zo'n ding is, zo moge God er mij voor behoeden om er mijn deel in te hebben of te zoeken." Wij kunnen niet rekenen op bestendige gezondheid en voorspoed, noch op enigerlei aangenaamheid of lieflijkheid, want alles is even onzeker als ons bestaan in deze wereld."
2. Hij grijpt geluk en voldoening aan in God; Mijn hoop, die is op U. Als het vertrouwen in schepselen faalt, dan is het onze troost dat wij een God hebben, tot wie wij kunnen gaan, een God om op te vertrouwen, en hierdoor moeten wij opgewekt worden om Hem zoveel te vaster aan te grijpen door het geloof.
II. Zijn onderworpenheid aan God en zijn goedsmoeds berusten in Zijn heiligen wil, vers 10 Als onze hoop op God is voor een gelukzaligheid in de andere wereld, dan kunnen wij wel vrede hebben met al de beschikkingen van Zijn voorzienigheid over ons in deze wereld. "Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen om te klagen of te murmureren." Nu herkreeg hij de kalmte van gemoed, waarin stoornis was gekomen, vers 3 Van welk genot, welke vertroosting hij ook beroofd is, welk kruis hem ook opgelegd zij, hij zal gerust zijn, "want Gij hebt het gedaan; het is niet geschied bij geval, maar naar Uw wil, Uw bestel." Hier kunnen wij zien:
1. Een goede God, die alles doet, alle gebeurtenissen ons aangaande regelt. Van ieder voorval kunnen wij zeggen: "Dit is de vinger Gods, het is het doen des Heren", wie er ook de werktuigen van mogen geweest zijn.
2. Een goed mens, die om deze reden er niets tegen zegt. Hij is stom, hij heeft niets tegen te werpen, geen vraag te doen, geen twist er om te beginnen. Al wat God doet is wel gedaan.
III. Zijn begeerte naar God en de gebeden, die hij tot Hem opzond; Is iemand in lijden? dat hij bidde, zoals David hier gebeden heeft.
1. Om de vergeving van zijn zonde en het voorkomen van zijn schande, vers 9 Eer hij bidt: Neem Uw plaag van mij weg, vers 11, bidt hij: "verlos mij van al mijn overtredingen, vers 9, van de schuld die ik op mij geladen heb van de straf die ik heb verdiend, en van de macht van het bederf, dat mij gevangen heeft". Als God onze zonden vergeeft, verlost Hij ons ervan, verlost Hij ons van allen. Hij pleit: Stel mij niet tot een smaad des dwazen. Goddelozen zijn dwazen, en zij tonen dan het meest hun dwaasheid, als zij denken hun geestigheid te tonen door te schimpen op Gods volk. Als David bidt dat God zijn zonden zal vergeven en hem niet tot een smaad zal stellen, dan moet dit opgevat worden als een gebed om gemoedsvrede. Heere, laat mij niet onder de macht van neerslachtigheid, waar de dwazen mij om zouden bespotten en als een gebed om genade, dat God hem nooit aan zichzelf zou overlaten, zodat hij iets zou doen, waardoor hij tot een smaad van slechte mensen gesteld zou worden. Dat is een goede reden waarom wij moeten waken en bidden tegen de zonde, want de eer van onze belijdenis is nauw betrokken bij de bewaring van onze oprechtheid.
2. Om de wegneming van zijn beproeving, dat hij spoedig van zijn tegenwoordige lasten ontheven mocht worden, vers 11 Neem Uw plaag van mij weg. Als wij onder de kastijdende hand van God zijn, dan moet ons oog op God zelf wezen om verlichting, en niet op iemand anders. Hij alleen, die de plaag opgelegd heeft, kan haar wegnemen, en wij kunnen dan in geloof en met voldoening bidden dat onze beproevingen weggenomen zullen worden, als onze zonden vergeven zijn, Jesaja 38:17, en wanneer, zoals hier, de beproeving geheiligd werd en haar werk gedaan heeft en wij onder de hand Gods verootmoedigd zijn.
A. Hij pleit op de uiterste nood, waarin hij door de beproeving gebracht was en waardoor hij een geschikt voorwerp van Gods barmhartigheid is geworden. Ik ben verteerd door de slag van Uw hand, vers 11 Zijn ziekte had zozeer de overhand dat zijn moed hem begaf, zijn kracht was verteerd en zijn lichaam uitgemergeld. "De slag, of de strijd, van Uw hand heeft mij tot aan de poorten van de dood gebracht." De krachtigste, stoutmoedigste en beste mensen kunnen niet staande blijven onder, veel minder het hoofd bieden aan, de sterkte van Gods toorn. Zo was het niet alleen met hem, maar iedereen, wie hij ook zij, zal bevinden dat hij niet is opgewassen tegen de Almachtige vers 12 Als God te ooit met ons twist, als Hij ons kastijdt met bestraffingen:
a. Dan kunnen wij de billijkheid van Zijn twisting niet ontkennen, maar wij moeten erkennen dat Hij er rechtvaardig in is, want als Hij de mens kastijdt, dan is het altijd vanwege de ongerechtigheid. Onze wegen en ons doen bezorgen ons de moeite en de ellende, en wij worden geslagen met de roede, die wijzelf gemaakt hebben. Het is het juk van onze overtredingen hoewel het "door Zijn hand is ineen gevlochten." Klaagliederen 1:14
b. Wij kunnen de uitwerking van Zijn twisting niet tegenstaan. Hij zal ons te sterk wezen. Gelijk wij geen middel hebben om Zijn vonnis te voorkomen, zo hebben wij ook geen middel om aan de volvoering ervan te ontkomen. Gods straffingen doen van de mensen schoonheid smelten als een mot. Dikwijls zien wij, en soms gevoelen wij, hoezeer in weinig tijds het lichaam verzwakt en vervallen is door ziekte; het aangezicht is veranderd, waar zijn de blozende wangen, de levendige ogen de vrolijke blik, het glimlachend gelaat? Het is van dat alles het tegenovergestelde, dat men aanschouwt. Welk een armzalig iets is schoonheid; en hoe dwaas zijn zij, die er trots op zijn of er hun zinnen op zetten, daar zij zeer zeker, en misschien wel spoedig, aldus vergaat! Sommigen denken dat door de mot de mens wordt voorgesteld, die even gemakkelijk verpletterd wordt als de mot door de aanraking van een vinger verpletterd wordt, Job 4:19 Anderen zien er de voorstelling in van de Goddelijke straffingen, die ons stil en onmerkbaar verteren, zoals de mot het kledingstuk verteert. Dit alles bewijst ten sterkste wat hij tevoren gezegd had, namelijk dat de mens ijdelheid is, zwak is en hulpeloos-aldus zal hij bevonden worden als God komt om met hem te twisten. B. Hij pleit op de goede indrukken, die op hem gemaakt zijn door zijn beproeving. Hij hoopte dat het doel bereikt was, waartoe zij gezonden werd, en dat zij daarom in genade van op hem weggenomen zou worden, en als een beproeving haar werk niet gedaan heeft, kan zij wel weggenomen worden, maar niet in genade.
a. Zij had hem doen wenen, en hij hoopte dat God daarop zou letten, toen de Heere God riep tot verweer, heeft hij aan die roeping gehoor gegeven en er zich naar geschikt, en daarom kon hij in het geloof bidden: Heere zwijg niet bij mijn geween, vers 13. Hij die de mensenkinderen niet van harte beproeft of bedroeft, en nog veel minder Zijn eigen kinderen, zal niet zwijgen tot hun tranen, maar zal of verlossing voor hen spreken, en als Hij spreekt, dan is het geschied of intussen van troost tot hen spreken en hen vreugde en blijdschap doen horen.
b. Zij had hem uitgedreven tot gebed, en beproevingen worden gezonden om tot gebed op te wekken. Indien zij die uitwerking hebben als wij, wanneer wij beproefd zijn, meer bidden en beter bidden dan tevoren, dan kunnen wij hopen dat God ons gebed zal horen, ons geroep ter ore zal nemen, want het gebed, waartoe de beschikking van Zijn voorzienigheid aanleiding geeft en dat door Zijn Geest van de genade wordt ingegeven, zal niet ledig wederkeren.
c. Zij had geholpen om hem te spenen van de wereld, zijn liefde er voor weg te nemen. Nu begon hij meer dan ooit op zichzelf te zien als op een vreemdeling en bijwoner gelijk al zijn vaders, niet thuis in deze wereld, maar er door heen reizende naar een betere, en nooit zal hij achten thuis te zijn voor hij in de hemel is. Hij pleit er op bij God: Heere, neem kennis van mij, van mijn behoeften en lasten, want ik ben een vreemdeling hier, en ondervind dus de behandeling van een vreemdeling, ik word als een vreemdeling geminacht en verdrukt, en vanwaar zou ik hulp verwachten dan van U, van dat andere land, waartoe ik behoor?
Eindelijk. Hij bidt om nog een weinig uitstel, vers 14 Wend U van af, spaar mij wek mij op uit deze ziekte, opdat ik naar lichaam en geest versterkt worde, in een kalmer gemoedsstemming moge komen, beter voorbereid moge worden voor een andere wereld, eer ik door de dood van hier ga en in deze wereld niet meer ben. Sommigen houden dit voor een hartstochtelijke begeerte, dat God hem spoedig hulp zou zenden, omdat het anders te laat zou wezen, zoals die in Job 10:20, 21 Maar ik houd het liever voor een Godvruchtig gebed, dat God hem nog hier zou laten, totdat Hij hem door Zijn genade geschikt gemaakt heeft om van hier te gaan en zijn levenswerk mocht eindigen, eer zijn leven ten einde was, laat mijn ziel leven, en zij zal U loven.