Psalm 38:1-12
Het opschrift van deze psalm, vers 1, is zeer opmerkelijk, het is een psalm om te doen gedenken; de zeventigste psalm, die ook geschreven werd op een dag van benauwdheid, heeft ditzelfde opschrift. Hij is bestemd:
1. Om zichzelf te doen gedenken. Wij zullen veronderstellen dat hij geschreven werd toen David ziek was en pijn leed, en dan leert hij ons dat tijden van ziekte tijden zijn om te doen gedenken, om de zonde in herinnering te brengen, over welke God met ons twistte, om ons geweten te doen ontwaken om trouw en oprecht met ons te handelen, en ons onze zonden voor ogen te stellen tot onze verootmoediging. Ten dage des tegenspoeds, zie toe. Of wij kunnen veronderstellen dat de psalm geschreven werd na zijn herstel, maar bestemd was tot een herinnering aan de overtuiging van zonde, waaronder hij toen verkeerde, en van de werkingen van zijn hart onder de beproeving opdat hij bij het lezen of zingen van deze psalm zich de goede indrukken voor de geest zou brengen, die toen op hem gemaakt waren en er wederom nut en voordeel uit zou trekken. Dezelfde strekking had het geschrift van Hizkia, toen hij ziek geweest en van zijn ziekte genezen was.
2. Om anderen aan dezelfde dingen te doen gedenken, waaraan hij zelf indachtig was, en hen te leren wat te denken en wat te zeggen, als zij ziek en in benauwdheid zijn; laat hen denken zoals hij gedacht en spreken zoals hij gesproken heeft.
I. Hij bidt de toorn Gods af en Zijn misnoegen, in zijn beproeving, vers 2 O Heere straf mij niet in Uw grote toorn. Met diezelfde bede begon hij nog een gebed, Psalm 6:2, welke psalm geschikt is om gebruikt te worden voor het bezoeken van zieken. Daarvan was zijn hart vervuld, en daarvan moet ook het onze vervuld zijn als wij in beproeving en leed zijn, opdat, hoe God ons ook straft en kastijdt het niet in toorn en misnoegen moge zijn, want dat zou de gal en alsem wezen in onze beproeving en ellende. Zij, die aan de toorn van God willen ontkomen, moeten daar meer tegen bidden dan tegen enigerlei uitwendige beproeving, en tevreden iedere uitwendige beproeving willen dragen, als zij komt van en bestaanbaar is met de liefde van God.
II. Bitter klaagt hij over de indrukken van Gods misnoegen in zijn ziel, vers 3 Uw pijlen zijn in mij gedaald. Laat Jobs klacht, Hoofdstuk 6:4, die van David hier verklaren, met de pijlen des Almachtigen bedoelt hij de verschrikkingen Gods, die zich in slagorde tegen hem stelden. Hij was onder een zeer treurige vrees voor de toorn Gods tegen hem vanwege zijn zonden, en hij dacht niets andere te kunnen verwachten dan oordeel en hitte van het vuurs om hem te verslinden. Evenals Gods pijlen zeker het doel zullen treffen, zo blijven zij ook steken waar zij getroffen hebben, totdat het Hem behaagt ze er uit te trekken, en de wonden, die Hij gemaakt heeft door Zijn verschrikkingen, te verbinden door Zijn vertroostingen. Dit zal de eeuwige rampzaligheid zijn van de veroordeelden de pijlen van Gods toorn zullen vast in hen blijven steken en de wonde zal ongeneeslijk wezen. Uw hand, Uw zware hand, drukt mij hard, vers 3 en ik ben op het punt van er onder weg te zinken; zij ligt niet slechts zwaar op mij, maar langdurig, en wie kent de sterkte van Gods toorn het gewicht van Zijn hand?" Soms heeft God Zijn pijlen afgeschoten en Zijn hand uitgestrekt voor David, Psalm 18:15, maar nu tegen hem, zo onzeker is het voortduren van de Goddelijke vertroostingen, terwijl toch het voortduren van de Goddelijke genade verzekerd is. Hij klaagt over Gods toorn, als hetgeen zijn lichamelijke ongesteldheid teweegbracht, vers 4 Er is niets geheels in mijn vlees vanwege Uw gramschap. De bitterheid ervan, die in zijn geest was doorgedrongen, deed zijn lichaam aan; maar dat was nog het ergste niet, ze veroorzaakte de onrust van zijn hart en daardoor vergat hij de kloekmoedigheid van een krijgsman, de waardigheid van een vorst, en al de blijmoedigheid van de man, die lieflijk was in psalmen Israël's en brulde hij, vers 9 Niets zal het hart van een Godvruchtige zo ontrusten als de bewustheid van Gods toorn, hetgeen aantoont hoe vreeslijk het is in Zijn handen te vallen. Het middel om het hart rustig te houden is: ons te bewaren in de liefde Gods en niets te doen om Hem te beledigen.
III. Hij erkent dat zijn zonde de oorzaak is van al zijn benauwdheden, en onder de last van schuld zucht hij meer dan onder iedere andere last, vers 4 Hij klaagt dat er niets geheels is in zijn vlees, dat er geen vastigheid in is, zijn beenderen hadden geen rust, zo groot was de beroering waarin hij verkeerde.
Het is vanwege Uw toorn, die steekt het vuur aan, dat zo heftig brandt; maar in de volgende woorden rechtvaardigt hij God hierin en legt al de schuld op zichzelf. Het is vanwege mijn zonde, ik heb het verdiend, en zo heb ik het zelf over mij gebracht, mijn eigen ongerechtigheden kastijden mij. Indien onze benauwdheid de vrucht is van Gods toorn, dan hebben wij haar aan onszelf te wijten; het is onze zonde, die er de oorzaak van is. Zijn wij onrustig? Het is zonde die ons onrustig maakt. Indien er geen zonde was in onze ziel er zou geen smart zijn in onze beenderen geen ziekte in ons lichaam.
Het is dus over zonde, dat deze Godvruchtige het meest klaagt:
1. Als over een last, een zware last, vers 5 "Mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd, zoals hoge wateren over een man, die zinkt en verdrinkt; of als een zware last op mijn hoofd, mij meer neerdrukkende dan ik dragen kan, of waaronder ik staande ken blijven." Zonde is een last. De kracht van de zonde, die in ons woont, is een last; Hebreeën 12:1, allen zijn wij er mee beladen, hij belet de mensen om opwaarts te streven en voorwaarts te gaan, al de heiligen klagen er over als over een lichaam des doods, waarmee zij belast zijn, Romeinen 7:24 De schuld van de zonde, die wij bedreven hebben, is een last, een zware last, zij is een last voor God, die er onder gedrukt wordt, Amos 2:13 :"Zie Ik ben onder u gedrukt;" een last voor geheel de schepping, die eronder zucht. Romeinen 8:21, 22. Vroeg of laat zal zij een last zijn voor de zondaar zelf, hetzij een last van berouw, als hij er verslagen in het hart om is, vermoeid en belast er onder is; of een last van verderf, als ze hem doet neerzinken tot in de diepste hel en er hem voor altijd zal houden; zij zal een "loden gewicht op" hem zijn, Zacheria 5:8 Zondaren worden gezegd hun ongerechtigheid te dragen. Bedreigingen zijn lasten.
2. Als wonden, gevaarlijke wonden, vers 6 "Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild (zoals wonden in het lichaam etteren en inkankeren omdat zij niet behoorlijk verbonden worden), en het is door mijn eigen dwaasheid." Zonden zijn wonden, Genesis 4:23, pijnlijke, dodelijke wonden. Onze wonden door de zonde zijn dikwijls in een slechte toestand, er wordt geen zorg aan besteed, en het is door eigen dwaasheid van de zondaar om de zonde niet te belijden Psalm 32:3, 4 Een lichte wonde, die verwaarloosd wordt, kan noodlottige gevolgen hebben, en zo is het ook met een geringe zonde, die voorbijgezien wordt en waarvan men dan geen berouw heeft.
IV. Hij beklaagt zichzelf vanwege zijn beproevingen, en verlicht zijn smart door er lucht aan te geven en zijn klacht uit te storten voor de Heere. 1. Hij was ontroerd in zijn gemoed, zijn geweten was benauwd, hij had geen rust in zijn geest, en een verslagen geest, wie zal die opheffen? Hij was beroerd, krom geworden, zeer terneder gebogen, en ging de gehele dag in het zwart, vers 7 Hij was altijd peinzend en droefgeestig, waardoor hij een last en een schrik was voor zichzelf. Zijn geest was zwak en gebroken, en zijn hart verbrijzeld, vers 9. In dit zijn lijden was David een type van Christus, die in Zijn doodsbenauwdheid uitriep: Mijn ziel is geheel bedroefd. Dit is een zwaardere beproeving dan welke andere ook in deze wereld; wat het Gode ook moge behagen ons op te leggen, wij hebben geen reden om te klagen zolang Hij ons het gebruik laat van ons verstand en de vrede van ons geweten.
2. Zijn lichaam was ziek en zwak, zijn lenden waren vol van een verachtelijke plaag, vers 8, de een of andere zwelling of zweer of een ontsteking. Sommigen denken dat het een pestbuil was, zoals Hizkia's zweer, en er was geen vastigheid in zijn vlees. evenals Job was hij ziek over zijn gehele lichaam. Zie:
a. Welk een vernederd lichaam wij met ons omdragen, aan welke smartelijke krankheden wij onderhevig zijn en welk een smart en plaag het kan worden voor de ziel, waarvoor zij altijd een belemmering is.
b. Dat het lichaam van de voornaamste en beste van de mensen dezelfde zaden van ziekte in zich heeft als het lichaam van anderen, onderhevig is aan dezelfde rampen. David zelf, hoewel hij zo'n grote vorst en zo'n grote heilige was, was niet gevrijwaard tegen de smartelijkste kwalen en krankheden; er was zelfs niets geheels in zijn vlees. Waarschijnlijk was dit na zijn zonde in de zaak van Uria, en zo heeft hij om zijn vleselijke lusten in zijn vlees geleden. Als wij te eniger tijd ziek zijn van lichaam, dan moeten wij gedenken hoe God in en door ons lichaam onteerd is geworden. Hij was verzwakt en uitermate zeer verbrijzeld, vers 9 Zijn hart hijgde, hij had voortdurende hartkloppingen, vers 11 Zijn kracht begaf hem, het licht was uit zijn ogen geweken, hetzij door het vele wenen, of door vloeiingen, of zinking erop, of door verzwakking van de zenuwen.
Ziekte zal het sterkste lichaam ten onder brengen en de kloekmoedigsten geest. David was vermaard om zijn moed en zijn grote krijgsbedrijven, en toch, toen God met hem twistte door lichaamskrankheid, werd zijn haar afgesneden, begaf hem zijn moed, en werd hij zwak als water. Zo beroeme de sterke zich dan niet in zijn sterkheid, en niemand trotsere het leed, op hoe grote afstand dit ook schijnt te zich.
3. Zijn vrienden waren onvriendelijk voor hem, vers 12 Mijn liefhebbers (die in de dagen van zijn vrolijkheid vrolijk met hem geweest zijn) staan van tegenover mijn plaag; zij hadden geen medegevoel met hem in zijn smart, wilden niet eens zijn krachten aanhoren, maar gingen, zoals "de priester en de Leviet", Lukas 10:31, "tegenover hem voorbij." Zelfs zijn bloedverwanten, die door bloedbanden aan hem verbonden waren, stonden van verre. Zie hoe weinig reden wij hebben om op de mens te vertrouwen, of om er ons over te verwonderen als wij teleurgesteld worden in onze verwachting van vriendelijkheid van mensen. Tegenspoed stelt vriendschap op de proef, en onderscheidt tussen het kostelijke en het snode. Het is onze wijsheid om ons te verzekeren van de vriend in de hemel, die niet van verre staat, niet tegenover onze plaag staat, en van wiens liefde geen tegenspoed of ramp ons kan scheiden. In zijn beproevingen en benauwdheden was David een type van Christus in Zijn doodsbenauwdheid, van Christus aan het kruis, zwak en uitermate verbrijzeld, en toen verlaten door Zijn vrienden en bloedverwanten, die van verre aanschouwden. Eindelijk. In het midden van zijn klachten vertroost hij er zich mee, dat God genadiglijk kennis nam beide van zijn leed en van zijn gebeden, vers 10 "Heere, voor U is al mijne begeerte; Gij weet wat ik behoef en wat ik wens, mijn zuchten is voor U niet verborgen, Gij kent de lasten, waaronder ik zucht, en de zegeningen, waarnaar ik zucht." De "onuitsprekelijke zuchtingen zijn niet verborgen voor Hem, die het hart doorgrondt" en "weet wat de mening van de Geest is." Romeinen 8:26, 27. In het zingen en biddend overdenken hiervan moeten wij welke last ook drukt op ons gemoed, die last door het geloof op God werpen met al onze zorg er over, en dan kalm en gerust zijn.