Genesis 4:23-24
Uit deze rede van Lamech, die hier vermeld wordt, en waarvan in die tijden waarschijnlijk veel gesproken werd, blijkt nog verder dat hij een slecht man was, zoals Kaïns vervloekte nakomelingen over het algemeen geweest zijn.
Merk op:
I. Hoe hoog en gebiedend hij spreekt tot zijn vrouwen, als iemand die grote eerbied en oplettendheid eist en verwacht. Hoort mijne stem, gij vrouwen van Lamech. Geen wonder, dat hij, die een huwelijks-wet had overtreden door twee vrouwen te nemen, ook een andere overtrad, die hem verplichtte om vriendelijk en teder te wezen voor haar, die hij genomen had, en aan de vrouw, als het zwakkere vat, eer te geven. Diegenen zijn niet altijd het meest zorgzaam om hun eigen plicht te doen, die het hoogst en strengst zijn in hun eis van eerbied van anderen, en het vaakst hun bloedverwanten oproepen om te weten wat hun plaats is en om hun plicht te doen.
II. Hoe bloeddorstig en wreed hij was voor allen, die hem omringden. Ik sloeg wel een man dood om mijn wonde, en een jongeling om mijn buil. Hij bekent een man te zijn van woeste en wrede inborst, die zonder barmhartigheid om zich heen sloeg en allen doodde die hem in de weg waren, hetzij een man, of een jongeling, al was hij dan ook zelf in gevaar om gewond te worden in de strijd. Sommigen denken, omdat hij zich bij Kaïn vergelijkt, vers 24, dat hij iemand van het heilig zaad had vermoord, iemand van de getrouwe aanbidders van God, en dat hij dit erkent als de wonde in zijn geweten, en de schade van zijn ziel, maar dat hij, evenals Kaïn, toch onboetvaardig bleef, sidderende, en toch niet verootmoedigd. Of, dat zijn vrouwen, wetende van hoedanige geest hij was, hoe licht hij anderen prikkelde en hoe geneigd om elke prikkeling van anderen ten kwade te duiden, bevreesd waren, dat hij door de een of ander om het leven gebracht zou worden. "Vreest niet", zegt hij, "ik tart ieder, wie hij ook zij, om mij aan te vallen, ik zou hem doden, hij zij man of jongeling." Het is iets geheel gewoons, dat woeste en bloeddorstige mensen roemen in hun schande. Filippenzen 3:11, alsof het beide hun veiligheid en hun eer was, dat het hen niet deert, geen zorg of kommer baart hoeveel mensenlevens opgeofferd worden aan hun toorn en wraak noch hoe zij gehaat worden, mits zij slechts worden gevreesd. "Oderint, dum metuant-Laat hen haten, mits zij vrezen."
III. Hoe goddeloos hij zelfs op zijn boze weg op Gods bescherming rekent, vers 24. Hij had gehoord, dat Kaïn zevenvoudig gewroken zal worden, vers 15, dat is: zo iemand het op zich zou nemen Kaïn te doden, hij er streng voor gestraft zou worden, hoewel Kaïn verdiend had duizend doden te sterven om de moord op zijn broeder. Daaruit leidt hij nu af dat, zo iemand hem zou doden om de moorden, die hij begaan had, God zijn dood nog veel meer zou wreken. Alsof de bijzondere zorg van God om het leven van Kaïn te verlengen en te beveiligen, om bijzondere redenen, die met zijn zaak samenhingen, en ook tot zijn meerdere straf, zoals de verdoemden ook in wezen gehouden worden-alsof, zeggen wij, deze zorg bestemd was om een bescherming te zijn voor alle moordenaars. Zo houdt Lamech de slechte redenering: "Indien God voor de veiligheid van Kaïn voorzien heeft, zal Hij dit nog veel meer voor mijn veiligheid doen, want ik heb wel velen gedood, maar toch niet mijn eigen broeder, en niet, zoals hij, zonder enige aanleiding." Het uitstel van de straf van sommige zondaren en Gods lankmoedigheid over hen worden dikwijls misbruikt om anderen in gelijke zondige wegen te doen volharden, Prediker 8:11. Maar hoewel het voor sommigen lang duurt eer de slag van Gods gerechtigheid hen treft, kunnen anderen er daarom niet zeker van zijn, dat zij niet een haastig verderf over zichzelf zullen brengen. Of indien God hen lang verdraagt, die zich vleien met Zijn geduld, dan vergaderen zij zichzelf slechts toorn als een schat in de dag des toorns. Dit nu is alles wat wij in de Schrift vermeld vinden betreffende het gezin en het geslacht van de gevloekte Kaïn, totdat wij hen allen zien afgesneden en omkomen in de algemene zondvloed.