Psalm 36:1-5
In het opschrift van deze psalm wordt David de knecht des Heren genoemd, waarom in deze en in geen anderen, behalve in de achttiende in het opschrift, daar kan geen reden voor worden gegeven, maar hij was dit, niet alleen zoals ieder Godvruchtig man Gods knecht is, maar als een koning, een profeet, als één, die gebruikt werd om de belangen te dienen van Gods koninkrijk onder de mensen, meer onmiddellijk en op uitnemender wijze dan ieder ander in zijn dagen. Hij roemde er in, Psalm 1- 16:16. Het is voor de grootste, de voornaamste mensen geen verkleining maar een eer, om dienstknechten te zijn van de grote God, het is de hoogste bevordering waartoe een mens in deze wereld komen kan.
In deze verzen beschrijft David de goddeloosheid van de goddelozen, of hij inzonderheid zijn vervolgers bedoelt dan wel alle bekende grove zondaren in het algemeen, is niet zeker. Maar wij hebben hier zonde in haar oorzaken en zonde in haar kleuren, in haar wortel en in haar takken.
I. Hier is de wortel van de bitterheid, uit welke al de goddeloosheid van de goddelozen voorkomt. Zij ontstaat:
1. Uit hun minachting van God, vers 2 De overtreding van de goddelozen (zoals zij later beschreven wordt in vers 4, 5 ) spreekt in het binnenste van mijn hart, brengt mij bij mijzelf tot de gevolgtrekking, dat er geen vreze Gods voor zijn ogen is, want, indien zij er wel ware, hij zou niet zo buitensporig spreken en handelen als hij spreekt en handelt, hij zou de wetten van God niet verbreken, hij zou het verbond met Hem niet schenden indien hij nog enig ontzag had voor Zijn majesteit of vrees voor Zijn toorn. De goddelozen verzaakten wel niet openlijk de vreze Gods, maar hun overtreding fluisterde het stil in het hart van allen, die iets wisten van de aard van de Godsvrucht en van de goddeloosheid. Van hen, die onnadenkend voortleven, besluit David dat zij zonder God in de wereld leven.
2. Uit hun eigenwaan en hun moedwillig bedriegen van zichzelf, vers 3, Hij vleit zichzelf in zijn ogen, terwijl hij voortgaat in de zonde denkt hij wils en wel voor zichzelf te handelen, en ziet het kwaad niet en het gevaar van zijn boze praktijken, of wil het niet erkennen. Hij noemt kwaad goed, en goed kwaad, zijn losbandigheid is slechts gepaste, rechtmatige vrijheid in zijn ogen, zijn bedrog gaat door voor omzichtigheid en wils beleid; en zijn vervolgen van het volk van God houdt hij voor een daad van noodzakelijke gerechtigheid. Als zijn geweten hem bedreigt wegens hetgeen hij doet, zegt hij: God zal het niet zoeken, ik zal vrede hebben. Zondaren zijn verdervers van zichzelf, doordat zij zichzelf vleien, Satan zou hen niet kunnen bedriegen indien zij zichzelf niet bedrogen. Maar zal dat bedrog altijd duren? Neen, de dag komt, wanneer aan de zondaar de ogen zullen opengaan, als zijn ongerechtigheid bevonden wordt hatelijk te zijn. Ongerechtigheid is hatelijk, het is de gruwelijke zaak, die de Heere tergt en die Zijn rein oog niet kan aanzien. Zij is schadelijk voor de zondaar zelf en behoort hem dus hatelijk te zijn, maar zij is het niet, hij houdt haar als iets zoets in de mond, onder de tong vanwege het wereldlijk gewin, dat hij er door verkrijgt, en het zinnelijk genot, dat hij erin smaakt; maar "zijn spijs zal in zijn ingewand veranderd worden, gal van de anders zal in het binnenste van hem zijn," Job 20:13, 14, als hun geweten van zonde wordt overtuigd, en de zonde in haar ware kleuren gezien wordt, als zij hen tot een schrik maakt voor henzelf als de beker van de zwijmeling in hun handen wordt gegeven en zij de droesem ervan zullen moeten drinken, dan zal hun ongerechtigheid bevonden worden hatelijk te zijn, en hun vleien van zichzelf hun onuitsprekelijke dwaasheid en een verzwaring van hun verdoemenis.
II. Hier zijn de gevloekte takken, die uit deze wortel van de bitterheid voortkomen. De zondaar trotseert God en vergoodt zichzelf, wat kan hij dan anders verwachten, dan dat hij teniet zal gaan? Deze twee dingen hebben de deuren opengezet voor de zonde: De mensen vrezen God niet en daarom vleien zij zichzelf; en dan:
1. Bekommeren zij zich niet om hetgeen zij zeggen, of het waar of vals is, recht of onrecht is, vers 4 De woorden van zijn mond zijn onrecht en bedrog, bedoeld om kwaad te doen maar hij houdt dit bedekt onder schoonschijnende redenen. Het is geen wonder dat zij, die zichzelf bedriegen, bedenken om geheel de wereld te bedriegen; jegens wie zullen zij waar zijn die onoprecht zijn jegens hun eigen ziel?
2. Het weinige goed, dat in hen was, is weg, de vonken van deugd zijn uitgeblust, hun goed begin loopt op niets uit, zij houden op wijs te zijn en goed te doen, vers 4 Zij schenen onder de leiding te zijn van wijsheid en het bestuur van de Godsdienst, maar ze hebben hun banden verscheurd, zij hebben hun Godsdienst afgeschud, en daarmee ook hun wijsheid. Zij, die nalaten goed te doen, laten na wijs te zijn.
3. Nagelaten hebbende om goed te doen, bedenken zij kwaad te doen, een kwelling te zijn voor wie goed is en goed doet, vers 5 Hij bedenkt onrecht op zijn leger. Nalaten van goed baant de weg voor kwaad; als de mensen nalaten goed te doen, laten zij na te bidden, laten zij na Gods inzettingen bij te wonen, hun plicht jegens Hem na te komen. De duivel maakt hen dan gemakkelijk tot zijn agenten, zijn werktuigen, om diegenen tot zonde over te halen, die er wel toe overgehaald willen worden, en hen, die het niet willen, in moeilijkheid te brengen. Zij, die nalaten goed te doen, beginnen kwaad te doen; toen de duivel van zijn onschuld was vervallen, werd hij spoedig een verleider voor Eva en een vervolger van de rechtvaardige Abel. Het is erg om kwaad te doen, maar het is erger om het te bedenken het te doen willens en wetens en met vastberadenheid, het vernuft tewerk te stellen om het zo krachtig mogelijk te doen, het te doen met overleg, met de slimheid zowel als met de boosaardigheid van de oude slang; het te bedenken op de legerstede, waar wij over God en Zijn woord behoren na te denken, Micha 2:1 Dit toont aan dat de zondaar er zijn hart op gezet heeft om kwaad te doen.
4. De weg opgegaan zijnde van de zonde, die weg, die niet goed is, in dewelke en aan het einde waarvan geen goed is, volharden zij om op die weg te wandelen. Hij zet er zich toe om het kwaad, dat hij bedacht heeft, ten uitvoer te brengen, en van niets, dat hij zich voorgenomen heeft, laat hij af, al is het ook nog zo in strijd met zijn plicht en met zijn waar belang. Indien de zondaars hun hart niet verhardden en hun aangezicht niet stijf maakten met hardnekkigheid en onbeschaamdheid, zij zouden niet kunnen voortgaan op hun boze weg, die zo lijnrecht in strijd is met alles wat rechtvaardig en goed is.
5. Zelf kwaad doende, mishaagt het hun volstrekt niet in anderen, het kwaad verwerpt hij niet, integendeel, hij vindt er behagen in, is blij om anderen even slecht te zien als hij zelf is. Of het kan zijn onboetvaardigheid wegens zonde aanduiden. Zij, die kwaad gedaan hebben, zullen als God hen tot bekering brengt, het kwaad, dat zij gedaan hebben, verafschuwen en er zichzelf om verfoeien; het is bitter in de herinnering, hoe zoet het ook was in het bedrijven, maar van deze verharde zondaars is het geweten zo toegeschroeid, zo verstompt, dat zij later nooit met leedwezen of berouw aan hun zonden denken, maar blijven bij hetgeen zij gedaan hebben, alsof zij het voor God zelf konden rechtvaardigen.
Sommigen denken dat David in dit alles Saul op het oog heeft, die de vreze Gods van zich had geworpen, alle goed doen heeft nagelaten, vriendelijkheid voorwendde voor hem, en terzelfder tijd kwaad tegen hem beraamde. Maar wij zijn niet in de noodzakelijkheid om ons in de verklaring ervan te beperken; er zijn maar al te velen onder ons, op wie deze beschrijving past, hetgeen zeer te betreuren is.