Job 20:10-22
De voorbeelden, hier gegeven van de ellendige toestand van de goddeloze in deze wereld, zijn uitgedrukt met grote volledigheid en in vloeiende taal, dezelfde zaak wordt herhaald in andere bewoordingen. Laat ons dus de bijzonderheden onder hoofden brengen, en opmerken:
I. Waarin de goddeloosheid bestaat, voor welke hij gestraft is.
1. De lusten van het vlees, hier genoemd de zonden van zijn jeugd, vers 11, want dat zijn de zonden, waartoe de mensen op die leeftijd het meest verleid worden. Het verboden zingenot wordt gezegd zoet te zijn in zijn mond vers 12, hij geeft zich toe in alle vleselijke lusten en heeft er een overmatig behagen in daar zij hem de aangenaamste genietingen schenken. Dat is de voldoening, die hij verbergt onder zijn tong, die hij daar houdt als het lieflijkste dat hij kent, hij houdt haar nog in de mond, vers 13, laat hem dat hebben, en hij begeert niets meer, hij zal dit nooit opgeven voor de geestelijke en Goddelijke genietingen van de Godsdienst, waarvoor hij noch smaak noch genegenheid heeft. Dat hij het nog steeds in de mond houdt, duidt zijn hardnekkig volharden aan in de zonde-hij spaart haar terwijl hij haar moest doden, en verlaat haar niet maar houdt haar vast en gaat er mee voort. -Het geeft ook zijn herhaald zondigen te kennen door er voortdurend met genot en vermaak aan te denken, zoals de overspelige vrouw, Ezechiël 23:19, die "haar hoererijen vermenigvuldigde gedenkende aan de dagen harer jeugd", zo doet ook deze goddeloze. Of wel, dat hij haar verbergt en onder zijn tong houdt, kan een aanduiding zijn van zijn zorgvuldig verborgen houden van zijn beminde lusten, daar hij een geveinsde is, heeft hij, teneinde de eer van zijn belijdenis op te houden, verborgen plaatsen om te zondigen, maar Hij, die weet wat er in het hart is, weet ook wat onder de tong is, en zal het weldra aan de dag brengen.
2. De liefde tot de wereld en haar rijkdom dat is het, waarin hij zijn geluk stelt, en waar hij dus zijn hart op zet. Zie hier:
a. Hoe gulzig hij er naar haakt, vers 15. Hij heeft schatten opgeslokt, even gretig als een hongerige voedsel inslikt, en nog roept hij: "Geef, geef." Dat was het wat hij heeft begeerd, in zijn oog was dit de beste gave, die hij vurig verlangde te bezitten.
b. Welke moeite hij er voor gedaan heeft, dat is het, waarvoor hij heeft gewerkt en gezwoegd, vers 18, niet door eerlijke vlijt in een wettig beroep, maar door een onvermoeid gebruik maken van alle wegen en middelen "per fas, per nefas, rechte of verkeerde," om rijk te worden. Wij moeten arbeiden, niet om "rijk te worden," Spreuken 23:4, maar om barmhartig, liefdadig te zijn, opdat wij wat hebben mee te delen, Efeziers 4:28 niet om uit te geven voor onszelf.
c. Welke grote dingen hij zich hiervan belooft, aangeduid door de stromen, de rivieren, de beken van honing en boter, vers 17, dat hij daarin teleurgesteld werd, onderstelt dat hij zich gevleid had met de hoop er op, hij verwachtte stromen van zingenot.
3. Geweld en onrechtvaardigheid jegens en verdrukking van zijn arme naburen, vers 19. Dat was de zonde van de reuzen van de oude wereld, een zonde, die evenals iedere andere Gods oordelen over volken en geslachten doet komen. Aan deze goddeloze wordt ten laste gelegd: a. Dat hij de armen heeft verlaten geen zorg voor hen heeft gehad, geen vriendelijkheid hun heeft betoond, geen voorziening voor hen heeft getroffen. In het eerst heeft hij hun misschien voor de schijn aalmoezen gegeven, zoals de Farizeën, om de naam te verkrijgen van weldadig te zijn, maar toen hij daar zijn doel mee bereikt had, hield hij er mee op, en verliet de armen, voor wie hij tevoren zorg scheen te hebben. Zij, die goeddoen, maar het niet doen uit een goed beginsel, kunnen er wel overvloedig in zijn, maar zij zullen er niet in volharden.
b. Dat hij hen verdrukt, verpletterd heeft, alle voordelen tegen hen gebruikt heeft, om hun kwaad te doen. Om zichzelf te verrijken, heeft hij de armen armer gemaakt.
c. Dat hij hun met geweld hun huizen had ontnomen, waarop hij geen recht had, zoals Achab Naboths wijngaard van hem weggenomen heeft, niet door geheim bedrog, door meineed, of de een of andere wettelijke kunstgreep, maar openlijk en met geweld.
II. Wat zijn straf is voor deze boosheid.
1. Hij zal teleurgesteld worden in zijn verwachtingen, en in zijn wereldlijke rijkdom de voldoening niet vinden die hij er zich ijdellijk van beloofd had, vers 17.. Hij zal de stromen, rivieren, beken van boter en honing niet zien, waarmee hij gehoopt had zich te verzadigen, er volop van te genieten. De wereld is voor hen, die haar liefhebben, naar haar jagen, haar bewonderen, niet datgene wat zij zich verbeeldden, dat zij voor hen zijn zou. Het genot blijft ver beneden de verwachting.
2. Hij zal een zwak, ziekelijk lichaam hebben, en hoe weinig genot of vertroosting smaakt iemand in rijkdom, als hij geen goede gezondheid heeft! Ziekte en pijn, inzonderheid als zij hevig zijn, vergallen al zijn genot. Deze goddeloze heeft al de genietingen van de zinnen, en wel in de hoogste mate, maar welk waar geluk kan hij smaken, als zijn beenderen vol zijn van de zonden van zijn jeugd, vers 11, dat is: van de uitwerkselen dier zonden? Door zijn dronkenschap en gulzigheid en zijn onkuisheid toen hij jong was, heeft hij zich de kwalen en krankheden op de hals gehaald, die hem lang daarna zo pijnlijk zijn, en zijn leven misschien ongelukkig maken, en, zoals Salomo zegt, zijn vlees en zijn lijf verteren, Spreuken 5:11. Misschien hield hij in zijn jeugd van vechten, en gaf toen niets om een schram of een buil, opgedaan in een vechtpartij, maar lang daarna gevoelt hij het in zijn beenderen. Maar kan hij dan geen verlichting, geen hulp verkrijgen? Neen, waarschijnlijk zal hij zijn pijn en smarten behouden tot aan het graf, of liever, zij zullen hem waarschijnlijk ten grave brengen en zo zullen de zonden van zijn jeugd met hem nederliggen op het stof, zelfs het bederf van zijn lichaam in het graf is voor hem de uitwerking van de zonde, Hoofdst. 24:19, zodat "zijn ongerechtigheid aldaar op zijn beenderen is," Ezechiël 32:27. De zonde van de zondaren volgt hen naar gene zijde van de dood.
3. Hij zal ontrust en ontroerd zijn in zijn gemoed. Hij zal gewis geen rust gevoelen in zijn buik, vers 20. Hij heeft de rust niet in zijn binnenste, die de mensen denken dat hij heeft, maar is in voortdurende beroering. De onrechtmatig verkregen rijkdom, die hij opgeslokt heeft, maakt hem ziek en bezorgt hem, evenals onverteerde spijzen, gedurige oprispingen. Laat niemand verwachten met aangenaamheid en rust te genieten van hetgeen onrechtmatig verkregen werd. De onrust van zijn gemoed ontstaat: a. Uit zijn geweten, dat terugziet en hem vervult van vrees voor de toorn Gods vanwege zijn goddeloosheid. Zelfs de zonde, die hem zoet was toen hij haar bedreef, en die hij als een lekkere bete in de mond hield, heen en weer rolde onder zijn tong wordt bij de herdenking ervan bitter, en als hij er het oog over laat gaan, vervult zij hem met ergernis en afschuw. "In zijn ingewand werd het," zoals het boek van Johannes, "veranderd, in zijn mond" zoet als honing, maar "toen hij het gegeten had, werd zijn buik bitter," Openbaring 10:10. Zodanig iets is de zonde, zij wordt veranderd in gal van de adderen, het adderengif, en niets is bitterder dan dat, vers 16. Hetgeen hij met zoveel genot opzoog en zo zoet vond, zal blijken adderengif voor hem te zijn, en zo zal het onwettig gewin ook voor hem zijn. De vleiende tong zal blijken een addertong te zijn: Al de bekoorlijke gratiën, die men in de zonde dacht te zijn, zullen, als het geweten ontwaakt is, in even zovele woedende furiën verkeerd worden.
b. Uit zijn zorgen bij het voorwaarts zien, vers 22. In de volheid van zijn genoegzaamheid, als hij zich het gelukkigst acht, en het zekerst denkt te zijn van de voortduur van zijn geluk, zal hij in kommer en benauwdheid zijn, dat is: hij zal dit denken vanwege zijn angsten en bekommeringen, zoals die rijke mens, die toen zijn land wel gedragen had, uitriep: Wat zal ik doen? Lukas 12:17.
4. Hij zal zijn bezittingen verliezen, die zullen verminderen en teniet gaan, zodat hij er geen vreugde van zal hebben, vers 18. Hij zal niet alleen nooit ware vreugde hebben, maar van niets lang vreugde of genot hebben.
A. Wat hij onrechtvaardig opgeslokt heeft zal hij genoodzaakt zijn terug te geven, vers 15. Hij heeft goed ingeslokt, en toen dacht hij zich zeker van het bezit ervan, geloofde dat het evenzeer het zijne was als de spijze die hij had gegeten, maar hij bedriegt zich, hij zal het weer uitspuwen, zijn eigen geweten kan hem misschien zo ongerust maken over het houden van hetgeen hij heeft verkregen, dat hij, om zijn gemoed tot rust te brengen, het terug zal geven, en dat niet met het genoegen van een deugd, maar met het zieke gevoel van breking en met de uiterste weerzin. Of, zo hij zelf niet teruggeeft wat hij met geweld weggenomen heeft, dan zal God in Zijn voorzienigheid er hem toe noodzaken, op de een of andere wijze bewerken, dat onrechtmatig verkregen goed tot zijn wettige eigenaars terugkeert. God zal het uit zijn buik werpen, terwijl de liefde tot de zonde nog niet is uitgeworpen uit zijn hart. Zo luid zal het geroep van de armen, die hij verarmd heeft, tegen hem opgaan, dat hij genoodzaakt zal wezen om zijn kinderen tot hen te zenden om hen tevreden te stellen en hun om vergeving te vragen, vers 10. Zijn kinderen zullen zoeken de armen te behagen, terwijl zijn eigen handen met schaamte hun hun goed terug zullen geven, vers 18. Hetgeen, waarvoor hij met al de kunstenarijen van de verdrukking gearbeid heeft, zal hij wedergeven en het niet inslokken om het te verteren, het zal niet bij hem blijven, maar naar zijn schande zal de teruggave zijn, veel onrechtmatig verkregen hebbende, zal hij ook veel teruggeven, zodat, wanneer ieder het zijne heeft, er slechts weinig voor hem overblijft. Door de genade Gods gedrongen te worden weer te geven wat onrechtmatig was verkregen, zoals met Zacheus het geval was, is een grote zegen, vrijwillig en blijmoedig heeft hij viervoudig wedergegeven, en toch had hij nog veel over om "aan de armen te geven," Lukas 19:8. Maar tot teruggeven genoodzaakt te worden, zoals Judas, alleen maar door het afgrijzen van een twijfelend geweten, dan worden het voordeel en de vertroosting ervan gemist, want "hij wierp de zilveren penningen in de tempel, en heengaande verworgde hij zich."
B. Hij zal beroofd worden van alles wat hij heeft, en een bedelaar worden. Hij, die anderen beroofde, zal zelf beroofd worden, Jesaja 33:1, want alle hand van de bozen zal over hem komen vers 22. De onschuldigen, die hij benadeeld heeft zitten neer bij hun verlies, zeggende zoals David, "van de goddelozen komt goddeloosheid voort, maar mijne hand zal niet tegen u zijn," 1 Samuël 24:14. S Maar hoewel zij hem vergeven hebben en geen weerwraak op hem willen nemen, zal de Goddelijke gerechtigheid bozen gebruiken om de twist van de rechtvaardigen te twisten, en de ene goddeloze verpletteren door de hand des anderen. En als hij aldus van alle kanten geplukt wordt, zal hij van zijn gewenst goed niet behouden, vers 20. niet alleen zal hij niet alles behouden, maar hij zal er niets van behouden. Daar zal van zijn spijze, die hij zozeer begeerde en met zoveel genot at, niet overig zijn, vers 21. Al zijn naburen en betrekkingen zullen hem in zo slechte omstandigheden geloven te zijn, dat, als hij gestorven is, niemand zal uitzien naar zijn goed, niemand van zijn maagschap zal verwachten door hem een penning rijker gemaakt te worden, noch om een bevelschrift verzoeken tot het beheer van zijn nagelaten goederen. In dit alles doelt Zofar op Job, die alles verloren had, en tot de uiterste armoede was gebracht.