Psalm 32:7-11
David maakt hier gebruik van zijn ervaring van de vertroosting van vergevende genade.
I. Hij spreekt tot God en belijdt zijn vertrouwen op Hem en zijn verwachting van Hem, vers 7 Het zoete gesmaakt hebbende van de Goddelijke genade voor een boetvaardig zondaar, kan hij niet twijfelen aan de voortduur van die genade voor een biddende heilige en dat hij in die genade beide veiligheid en blijdschap zal vinden.
1. Veiligheid. Gij zijt mij een verberging; als ik door het geloof de toevlucht tot U neem dan zie ik alle mogelijke redenen om gerust te zijn en mij buiten het bereik te achten van ieder wezenlijk kwaad. Gij behoedt mij voor benauwdheid, voor de prikkel ervan, en voor de slagen ervan in zoverre het goed voor mij is. Gij zult mij behoeden voor zulk een benauwdheid als die, waarin ik mij bevond toen ik zweeg, vers 3. Als God na onze zonden vergeven te hebben ons nu verder aan onszelf zou overlaten, dan zouden wij spoedig even diep in schuld zijn als ooit tevoren, ons wederom in dezelfde afgrond storten; daarom moeten wij, als wij de troost van onze vergeving hebben ontvangen, de toevlucht nemen tot de genade Gods, om er voor behoed te worden weer tot dwaasheid terug te keren, zodat ons hart weer verhard zou worden door de bedrieglijkheid van de zonde. God behoedt Zijn volk voor benauwdheid, door hen te behoeden voor zonde.
2. Blijdschap. Gij zult mij niet slechts bevrijden, maar mij omringen met vrolijke gezangen van bevrijding; waarheen ik ook mijn blik richt, overal zal ik oorzaak vinden van blijdschap, aanleiding om God te loven, en ook mijn vrienden zullen mij in de grote vergadering omringen, om zich met mij te verenigen in lofliederen en van dankzegging; zij zullen hun gezangen van de bevrijding voegen bij de mijne; gelijk ieder heilige met mij zal bidden, zo zullen zij ook met mij danken."
II. Hij richt zijn rede tot de mensenkinderen; zelf bekeerd zijnde, doet hij wat hij kan om "zijn broederen te versterken;" Lukas, 22:32 Ik leer en onderwijs u vers 8; wie gij ook zijt, die onderricht begeert, aangaande de weg die gij gaan moet. Zo besluit hij in een van zijn andere boetpsalmen om, als God hem de vreugde van Zijn heil had weergegeven, de overtreders Zijn wegen te leren, en te doen wat hij kon om zondaren tot God te bekeren, zowel als hen te vertroosten, die reeds bekeerd waren Psalm 51:14, 15 Toen Salomo een boeteling was geworden, werd hij terstond een prediker, Prediker 1:1 Diegenen zijn het best instaat om anderen de genade Gods te leren, die haar zelf ervaren hebben, en zij, die zelf van God geleerd zijn, behoren "aan anderen te vertellen komt hoort, en ik wil vertellen, gij allen die God vreest" Psalm 66:16, en hen aldus te leren. Ik zal raad geven, mijn oog zal op u zijn. Sommigen passen dit toe op Gods leiding en bestuur. Hij onderwijst ons door Zijn woord, en bestuurt ons met Zijn oog, door de verborgen aanduidingen van Zijn wil in de wenken en wendingen van Zijn voorzienigheid, die Hij Zijn volk leert te verstaan, en er leiding en bestuur in te zien zoals een meester zijn wil doet kennen aan zijn dienstknecht door een wenk van zijn ogen. Toen Christus zich omkeerde en Petrus aanzag bestuurde Hij hem met Zijn oog. Maar het moet veeleer genomen worden als David's belofte aan hen, die onderricht van hem ontvingen, inzonderheid zijn eigen kinderen en zijn gezin, ik zal u volgen mijn ogen zullen op u zijn, zo heeft het de kanttekening elk zal u de besten raad geven, die ik kan, en dan zien of gij hem al of niet opvolgt. Zij, die onderwezen worden in het Woord, behoren onder het voortdurend toezicht te zijn van hen, die hen leren; geestelijke leidslieden moeten opzieners zijn. In deze toepassing van de voorafgaande leer betreffende de zaligheid van hen, wier zonden vergeven zijn, is een woord tot de zondaars, en een woord tot de heiligen, en dit is een recht snijden van het woord van de waarheid, waardoor ieder zijn deel krijgt.
1. Hier is een woord van waarschuwing aan de zondaars, en er is een goede reden voor gegeven.
a. De waarschuwing is: niet weerspannig en onhandelbaar te zijn, vers 9 Wees niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand leeft. Als de psalmist zichzelf wilde smaden wegens de zonden waarvan hij berouw had, vergeleek hij zich " met een redeloos dier en met een grote dwaas en zonder verstand" Psalm 73:22, en daarom waarschuwt hij anderen en raadt hun dit niet te zijn. Het is onze eer en ons geluk dat wij verstand hebben, dat wij instaat zijn om door rede bestuurd te worden en om met onszelf te redeneren. Laat ons dus gebruik maken van de vermogens, die wij hebben, en verstandig handelen. Het paard en de muilezel moeten met toom en gebit bestuurd worden, opdat zij tot ons niet genaken om ons kwaad te doen, of (zoals sommigen het lezen) opdat zij tot ons genaken om ons dienst te doen, ons zullen gehoorzamen, Jakobus 3:3. Laat ons hun niet gelijk zijn, laat ons nooit gedreven worden door lust en hartstocht om tegen de voorschriften te handelen van het rechte verstand en ons waar belangt. Indien zondaren er zich door wilden laten leiden, zij zouden spoedig heiligen worden, en geen stap verder doen op hun zondige weg, waar vernieuwende genade is, daar is geen behoefte aan toom en gebit van beteugelende genade.
b. De reden voor die waarschuwing is dat de weg van de zonde, die wij u willen bewegen te verlaten, gewis eindigen zal in smart, vers 10 De goddeloze heeft vele smarten, die niet slechts zijn ijdele en vleselijke vrolijkheid zullen bederven en er een einde aan zullen maken, maar er hem daar voor zullen laten betalen. Zonde zal smart hebben eeuwige smart, indien de zondaar er zich niet van bekeert. Het was een deel van het vonnis: Ik zal uw smart zeer vermenigvuldigen. "Weest dus verstandig, wijs voor uzelf, en keert u af van uw goddeloosheid, opdat gij deze smart kunt voorkomen, deze vele smarten."
2. Hier is een woord van vertroosting voor de heiligen, en ook daarvoor wordt een goede reden gegeven.
a. Hun wordt verzekerd dat, zo zij slechts op de Heere willen verbouwen en zich dicht bij Hem willen houden, de goedertierenheid hen zal omringen van alle zijden vers 10, zodat zij niet van God zullen afwijken, want deze goedertierenheid zal hen insluiten; ook zal geen werkelijk kwaad tot hen komen want die goedertierenheid zal het buitensluiten.
b. Daarom wordt hun bevolen zich te verblijden in de Heere, ja te juichen van vreugde, vers 11 Laat hen zo vervoerd zijn van deze heilige blijdschap, dat zij zich niet kunnen inhouden, niet kunnen bedwingen, en laat hen er anderen door bewegen, opdat ook zij mogen zien dat een leven van gemeenschap met God het lieflijkste, troostrijkste leven is, dat wij in deze wereld kunnen leiden. Dat is de tegenwoordige zaligheid, waarop de oprechten van hart en zij alleen aanspraak hebben, en waarvoor zij bevoegd zijn gemaakt.