Psalm 31:10-19
In de voorgaande verzen had David een beroep gedaan op Gods gerechtigheid en gepleit op zijn betrekking tot Hem en zijn steunen op Hem, hier doet hij een beroep op Zijn genade en pleit op zijn grote ellende, waardoor zijn toestand het geschikte voorwerp wordt van die genade. Let op:
I. De klacht, die hij doet over zijn verdriet en ellende, vers 10. "Wees mij genadig, Heere, want ik ben benauwd, en ik heb Uw genade nodig." De beschrijving, die hij geeft van zijn toestand, lijkt op de klachten die van Job heeft.
1. Zijn rampen hadden een diepe indruk teweeggebracht op zijn gemoed en maakten hem tot een man van smarten. Zo groot was zijn droefheid dat zijn ziel er als het ware door vermoeid werd, zijn leven er door werd verteerd en hij voortdurend moest zuchten, vers 10, 11 Hierin was hij een type van Christus, die innig vertrouwd was met smart, en dikwijls heeft geweend. Uit David's roodachtige gelaatskleur, die op een bloedrijk lichaamsgestel wees zijn aanleg en liefde voor muziek en zijn stoutmoedige ondernemingen en daden in zijn jeugd, kunnen wij opmaken dat hij blijmoedig en vastberaden van aard was, zeer geneigd was tot vrolijkheid, en niet licht neergebogen werd door tegenspoed of moeilijkheden. Maar nu zien wij hier waartoe hij gebracht is; hij heeft zich bijna de ogen uitgeweend, zijn adem verspild in zuchten. Laat hen, die luchthartig en vrolijk zijn, er zich voor wachten om tot uitersten over te slaan en geen droefheid trotseren; God kan wegen en middelen vinden om hen neerslachtig te maken, als zij op geen andere wijze kunnen leren om ernstig te zijn.
2. Zijn lichaam leed onder de droefheid van zijn geest, vers 11. want mijn leven vergaat in kommer en mijn jaren in zuchten mijn kracht struikelt door mij ongerechtigheid. Ten opzichte van Saul en de twist, die hij met hem had, kon hij gerust wijzen op zijn gerechtigheid; maar het was een beproeving, die God hem had opgelegd, en hij erkent dat hij haar heeft verdiend; en openhartig belijdt hij, dat zijn ongerechtigheid de oorzaak was van al zijn leed, diep smartte hem de bewustheid van zonde, hij werd er meer door verteerd dan door al zijn rampen.
3. Zijn vrienden waren onvriendelijk en schrokken voor hem terug, voor mijn bekenden ben ik tot een schrik, wie mij op straat zien, vluchten voor mij weg, vers 12 Zij durfden hem niet herbergen, hem geen hulp of bijstand verlenen, ja niet eens in zijn gezelschap gezien worden, uit vrees van in moeilijkheid er door te komen, nu Saul hem als een verrader vogelvrij had verklaard. Zij zagen hoe duur het Achimelech de priester was te staan gekomen, dat hij hem hulp had verleend, hoewel hij het in onwetendheid had gedaan, en daarom hoewel zij moesten erkennen dat hem groot onrecht was gedaan, hadden zij toch de moed niet om voor hem op te treden. Hij door hen vergeten, uit het hart vergeten als een dode vers 13, Met minachting aangezien als gebroken vaatwerk. Zij, die hem alle mogelijke achting bewezen toen hij in eer en aanzien was aan het hof, waren, nu hij in ongenade was gevallen hoewel onrechtvaardig, als vreemden voor hem geworden. De wereld is vol van zulke zwaluwvrienden, die in de winter weggaan. Laat hen, die aan de verliezenden kant komen, het niet vreemd vinden als zij aldus verlaten worden, maar zich verzekeren van een vriend in de hemel en gebruik van Hem maken.
4. Zijn vijanden waren onrechtvaardig in hun afkeuringen van hem. Zij zouden hem niet vervolgd hebben als zij hem niet eerst als een slecht man hadden voorgesteld, hij was tot een smaad geworden onder al zijn vijanden, maar inzonderheid onder zijn naburen, vers 12 Zij, die getuigen waren geweest van zijn oprechte wandel en in hun eigen geweten wel overtuigd moesten zijn dat hij een eerlijk man was, waren de ijverigsten om hem in een geheel tegenovergesteld karakter voor te stellen, teneinde Sauls gunst te winnen. Aldus werd hij door velen belasterd, iedereen had een steen om op hem te werpen, omdat er vrees was van rondom; zij durfden niet anders handelen, want hij, die niet mee wilde doen om David te bekladden, werd voor een vijand van Saul aangezien. Aldus zijn de beste mensen gelijk gesteld met de slechtste, door hen, die besloten waren hun de slechtste behandeling aan te doen.
5. Men legde het toe op zijn leven en hij was voortdurend in levensgevaar. Van rondom was vrees, en hij wist dat, wat zijn vijanden ook tegen hem beraadslaagden, de bedoeling was, niet om hem van zijn vrijheid te beroven, maar van zijn leven, vers 14, een leven, zo kostbaar, zo nuttig, aan welks goede diensten geheel Israël zoveel verschuldigd was en dat nooit verbeurd was. Zo was in alle de complotten van de Farizeeën en Herodianen tegen Christus de bedoeling Hem het leven te benemen; zodanig waren de vijandschap en de wreedheid van het zaad van de slang.
II. Zijn vertrouwen op God temidden van al deze benauwdheden en ellende; alles om hem heen had een donker en dreigend aanzien, wel geschikt om hem wanhopig te maken, maar ik vertrouw op U, o Heere, vers 15, en dat behoedt mij voor verzinken." Zijn vijanden beroofden hem van zijn goede naam onder de mensen, maar zij konden hem zijn vertroosting in God niet ontnemen omdat zij hem van zijn vertrouwen op God niet konden wegdrijven. Met twee dingen vertroostte hij zich in zijn verlegenheid en hij ging tot God en pleitte er op bij Hem:
1. "Gij zijt mijn God, ik heb U gekozen voor de mijne en Gij hebt beloofd de mijne te zijn"; en als Hij de onze is en wij kunnen Hem door het geloof aldus noemen, dan is dit genoeg, al kunnen wij dan ook niets anders het onze noemen. "Gij zijt mijn God, tot wie anders zal ik dus heengaan om hulp dan tot U?" Diegenen behoeven niet nauw te zijn in hun gebed, die hierop kunnen pleiten, want als God onze God wil zijn, dan zal Hij datgene voor ons doen, dat aan de grote, ruime betekenis hiervan beantwoordt.
2. Mijn tijden zijn in Uw hand. Voeg dit bij het vorige en de troost is volkomen. Indien God onze tijden in Zijn hand heeft, dan kan Hij ons helpen, en als Hij onze God is, dan wil Hij en zal Hij ons helpen; wat is er dan, dat ons kan ontmoedigen? Het is een grote steun voor hen, die God tot hun God hebben, dat hun tijden in Zijn hand zijn, en Hij zal ze gewis ordenen en regelen ten beste van allen, die hun geest overgeven in Zijn handen, om hem te schikken naar hun tijden, zoals David dat hier doet, vers 6 De tijd des levens is in Gods hand, om hem te verlengen of te verkorten, hem bitter of lieflijk te maken naar het Hem behaagt, overeenkomstig de raad van Zijn wil. Onze tijden, alle gebeurtenissen die ons betreffen en het regelen ervan naar de omstandigheden, zijn ter beschikking van God. Zij zijn niet in onze eigen handen, noch in de handen van onze vijanden, maar in Gods handen; eens ieders recht is van de Heere. In zijn gebeden schrijft David aan God niet voor wat Hij doen of laten moet, maar hij onderschrijft zich aan Hem, dat is: hij onderwerpt zich aan Hem. Heere, mijn tijden zijn in Uw hand en het is mij een voldoening dat zij daar zijn, zij konden in geen betere hand zijn; Uw wil geschiede."
III. Zijn beden tot God in dit geloof en vertrouwen. 1. Hij bidt dat God hem redden zal van de hand van zijn vijanden, vers 16, en hem zal verlossen, vers 17, en dat wel om ter wille van Zijn goedertierenheid, niet om enigerlei verdienste van hemzelf. Onze gelegenheden zijn in Zijn hand, (zoals sommigen dit lezen) en daarom kent Hij de beste en geschiktste tijd voor onze uitredding, en wij moeten op die tijd willen wachten. Toen David Saul in zijn macht had in de spelonk, zeiden zij, die bij hem waren: "Zie de dag in welke de Heere u verlossen zal", 1 Samuël 24:5 "Neen", zegt David, "de tijd voor mijn verlossing is niet gekomen, voor zij gewrocht kan worden zonder zonde; en op die tijd zal ik wachten, want het is Gods tijd, en dat is de beste tijd."
2. Dat God hen intussen de vertroosting zal schenken van Zijn gunst, vers 17 Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten, laat mij de troostrijke tekenen hebben van Uw gunst jegens mij, en dat zal temidden van al mijn leed blijdschap in mijn hart geven.
3. Dat zijn gebeden tot God verhoord, en zijn verwachtingen van God gerealiseerd zullen worden, vers 18 "Laat mij niet beschaamd worden, in mijn hoop en mijn gebeden, want ik roep U aan, die nooit tot Uw volk gezegd hebt: Zoekt Mij tevergeefs, en hoopt tevergeefs."
4. Dat schande en stilzwijgen het deel mocht zijn van de goddelozen, en inzonderheid van zijn vijanden. Zij hielden zich zeker van hun welslagen tegen David, dat zij hem terneer werpen zullen en in het verderf storten. Heere," zegt hij, "laat hen beschaamd worden in dat vertrouwen, doordat zij worden teleurgesteld in hun verwachtingen." Zoals zij, die het bouwen van de muur rondom Jeruzalem tegenstonden, zeer terneergeslagen, toen de muur voltooid was, Nehemia 6:16. Laat hen zwijgen in het graf. De dood zal de woede en het getier van wrede vervolgers tot zwijgen brengen, die niet door rede tot zwijgen gebracht konden worden. In het graf houden de bozen op van beroering. Inzonderheid bidt hij voor, dat is profeteert hij van, het tot zwijgen brengen van hen, die het volk Gods smaden en belasteren, vers 19 Laat de valse lippen stom worden, die hard spreken tegen de rechtvaardige in hoogmoed en verachting Dit is een zeer goed gebed:
A. Dat wij dikwijls nodig hebben tot God op te zenden, want zij, die hun mond tegen de hemel zetten, zullen gewoonlijk de erfgenamen van de hemel smaden. Overal wordt tegen de Godsdienst en de ernstige, nauwgezette belijders ervan gesproken:
a. Met zeer veel boosaardigheid; zij spreken hard, smartelijke harde dingen met het bestemde doel om hen te kwellen, in de hoop om hun door hetgeen zij zeggen kwaad te berokkenen. Zij spreken harde dingen, die hard op hen neerkomen, hen zwaar treffen, en, naar zij hopen, hun een onuitwisbaar schandmerk zullen indrukken.
b. Met zeer veel leugen; het zijn valse lippen, onderwezen door de vader van de leugens en dienende zijn belangen.
c. Met zeer veel smaad en minachting zij spreken in hoogmoed en verachting, alsof de rechtvaardigen, die God geëerd heeft, de verachtelijkste lieden van de wereld waren, niet waardig om bij de honden van hun kudde gesteld te worden. Men zou denken dat ze het geen zonde achtten om een bepaalde leugen te zeggen, als dit slechts dienen kon om daardoor een Godvruchtige aan minachting of haat bloot te stellen. Hoor, o onze God, dat we zeer veracht zin. B. Wij kunnen het bidden in het geloof, want deze valse lippen zullen tot zwijgen gebracht worden. God heeft velerlei middelen om dit te doen. Soms doet Hij dit door het geweten te overtuigen van hen, die Zijn volk smaden en hun hart te bekeren, soms weerlegt Hij door Zijn voorzienigheid op zichtbare wijze hun lasteringen, en brengt Hij de gerechtigheid van Zijn volk aan het licht. Maar in elk geval, er komt een dag, wanneer God goddeloze zondaren van de leugen, de valsheid, van al de harde woorden zal overtuigen, die zij tegen Zijn volk hebben gesproken, en gericht aan hen zal volvoeren, Judas: 14, 15. Dan zal dit gebed ten volle verhoord zijn, en op die dag moeten wij bij het zingen er van het oog hebben, onszelf ook aansporende om "door goed te doen de mond te snoeren aan de onwetendheid van de onverstandige mensen" 1 Petrus 2:15.