Psalm 28:6-9
In deze verzen:
I. Doet David dankzegging aan God voor de verhoring van zijn gebeden met evenveel vurigheid als waarmee hij er tevoren om gevraagd heeft, vers 6 Geloofd zij de Heere. Hoe spoedig wordt de smart van de heiligen veranderd in lofzangen en hun gebed in dankzegging! Het was in het geloof dat David heeft gebeden, vers 2 :Hoor de stem mijner smekingen, en door hetzelfde geloof doet hij dankzegging omdat de Heere de stem van zijn smekingen gehoord heeft, vers 6 Zij, die bidden in het geloof, kunnen zich verblijden in de hoop. "Hij heeft mij gehoord, (heeft mij genadiglijk aangenomen), en ik ben even zeker van de werkelijke verhoring, alsof zij reeds geschied was". Wat wij gewinnen door het gebed, moeten wij gebruiken met dankzegging Heeft God onze smekingen gehoord? Zo laat ons dan Zijn naam loven.
II. Hij moedigt zich aan om te hopen op God voor de voleinding van alles wat hem betreft; Gode de eer gegeven hebbende van Zijn genade, eigent hij er zich in nederige vrijmoedigheid de vertroosting van toe, vers 7 Dit is de methode om vrede te verkrijgen, men beginne met God te loven omdat de vrede te verkrijgen is.
Merk op:
1. Zijn steunen en betrouwen op God: De Heere is mijn sterkte om mij te ondersteunen en mij door te helpen in al mijn dienst en lijden. Hij is mijn schild om mij tegen alle boze plannen van mijn vijanden te beschermen. Ik heb Hem verkoren om dit voor mij te zijn en ik Hem altijd als zodanig bevonden en ik verwacht dat Hij dit nog verder voor mij zijn zal.
2. Zijn ervaring van het voordeel van dat vertrouwen. "Mijn hart heeft op Hem vertrouwd, op Hem, op Zijn macht en Zijn belofte, en het was niet tevergeefs, want ik ben geholpen, ik ben dikwijls geholpen. God heeft mij niet slechts ter bestemder tijd de hulp gegeven, waarvoor ik op Hem heb vertrouwd, maar mijn vertrouwen zelf in Hem heeft mij intussen geholpen en mij voor bezwijken behoed," Psalm 27:13. De werkingen des geloofs zelf zijn een dadelijke hulp om de neerzinkende moed op te heffen.
3. Het gebruik, dat hij maakt van die ervaring. Hij had er het genoegen van: dies springt mijn hart van vreugde. De blijdschap van een gelovige zetelt in het hart, terwijl in het lachen van een zot het hart smart heeft. Het is grote blijdschap, een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Het hart, dat waarlijk gelooft, zal zich te bestemder tijd grotelijks verblijden, het is blijdschap en vrede in het geloven die wij moeten verwachten. God zal er de lof voor hebben, als mijn hart springt van vreugde, dan zal ik Hem loven met mijn gezang Aldus moeten wij uitdrukking geven aan onze dankbaarheid; het is wel het minste wat wij kunnen doen en hierdoor zullen ook anderen uitgelokt en aangemoedigd worden om op Hem te betrouwen.
III. Hij verblijdt zich in het deel, dat alle Godvruchtigen door Christus aan God hebben vers 8 "De Heere is hunlieder sterkte, niet de mijne alleen, maar de sterkte van iedere gelovige." De heiligen verblijden zich in de vertroostingen en genietingen van hun vrienden, zowel als in hun eigene, want gelijk wij niet minder voordeel hebben van het licht van de zon, zo ook niet van het licht van Gods aangezicht, omdat anderen er in delen; want wij zijn er zeker van, dat er genoeg is voor allen en genoeg voor ieder. Dit is onze gemeenschap met alle heiligen, dat God hun sterkte is en ook onze sterkte is, "Christus hun Heer is en onze Heere is", 1 Corinthiërs 1:2 Hij is hun sterkte, de sterkte van geheel Israël, omdat Hij de sterkte van de verlossingen van Zijn gezalfden is, dat is:
1. Van David in type. In hem te versterken, die hun koning was en hun oorlogen voerde heeft God het gehele koninkrijk versterkt. Hij noemt zich de gezalfde Gods, omdat het de zalving was, die hij had ontvangen, welke hem blootstelde aan de nijd en de afgunst van zijn vijanden, en die hem daarom recht gaf op Gods bescherming.
2. Van Christus, Zijn Gezalfde, Zijn Messias in het antitype. God was de sterkheid van Zijn verlossingen, Hij Hem bekwaam gemaakt voor Zijn onderneming en Hem erin door geholpen; zie Psalm 89:22; Psalm 49:5; 50:7,9. En zo wordt Hij hun sterkte, de sterkte van al de heiligen, Hij sterkte Hem, die het hoofd van de kerk is, en uit Hem gaat kracht uit naar al de leden; Hij heeft Zijn sterkte geboden en aldus gesterkt wat Hij voor ons heeft gewrocht, Psalm 68:29, 80:18, 19
IV. Hij besluit met een kort, doch veelomvattend gebed voor de kerk van God, vers 9 Hij bidt voor Israël, niet als mijn volk: verlos mijn volk, en zegen mijn erve", hoewel zij dit waren, maar "Uw volk, Uw erve". Gods deel in hen ging hem meer ter harte, dan zijn eigen deel in hen. Wij "zijn Uw volk, is" een goede pleitrede, Jesaja 64:9; 63:19 Ik ben de Uwe verlos mij. Gods volk is Zijn erve, dierbaar en kostelijk in Zijn ogen; het weinigje eer en heerlijkheid, dat Hij heeft van deze wereld, heeft Hij van hen. Des Heren deel is Zijn volk. Wat hij van God voor hen bidt, is:
1. Dat Hij hen zal verlossen van hun vijanden en uit de gevaren, waaraan zij waren blootgesteld.
2. Dat Hij hen wilde zegenen met alle goed, voortvloeiende uit Zijn gunst ter vervulling van Zijn belofte.
3. Dat Hij hen zou weiden, voeden; zegen hen met overvloed, inzonderheid met de overvloed van Zijn inzettingen, die spijs zijn voor de ziel. Regeer hen, zo heeft het de kanttekening. Bestuur hun raad en hun daden. Leid en bestuur hun zaken ten goede. Weid en bestuur hen, stel leraren en bestuurders over hen aan, die hun ambt met wijsheid en verstand vervullen.'
4. Dat Hij hen zou verheffen tot in eeuwigheid; hef hen op uit hun benauwdheden, uit hun ellende, en doe dit, niet alleen voor degenen van die tijd, maar voor Uw volk in alle toekomende tijden, tot aan het einde. "Hef hen op tot Uw heerlijk koninkrijk, hef hen op zo hoog als de hemel." Daar, en daar alleen, zullen de heiligen opgeheven zijn tot in eeuwigheid, om nooit meer neer te zinken, of gedrukt, neerslachtig te zijn.
Merk op: diegenen, en diegenen alleen, die door God geweid en bestuurd worden, die zich door Hem willen laten onderwijzen en besturen, en regeren zullen verlost en gezegend worden, en verheven tot in eeuwigheid.