2. Deze beiden richten deze brief
1 Thessalonicenzen 1:1 aan de gemeente, die te Corinthiërs 1) is a), de geheiligden in Christus Jezus, in wiens levensgemeenschap zij als leden van de gemeente staan, de geroepen heiligen (
Romeinen 2:7) 1)met allen, die, geroepen en geheiligd, de naam van onze Heere Jezus Christus (
Handelingen 2:21;
9:14. aanroepen in alle plaats, beide hun en onze Heere 2).
a) Johannes 17:19. Handelingen 15:9. 1 Thessalonicenzen 4:7. b) Efeze 1:1. c) 2 Timotheus 2:22.
1) Corinthiërs, de vanouds beroemde handelsstad, op de Isthmus (landengte die het noordoostelijk gedeelte van Griekenland of Hellas met het zuidwestelijk deel of de Peloponnesus verbindt), de weelderige zetel van beschaving, alsmede van zedeloosheid, al nu van de schaamteloze Aphrodite-dienst (Venus-dienst) was het doel van de tweede zendingsreis van de apostel geweest. Gedurende zijn anderhalfjarig oponthoud van de herfst van het jaar 52 tot pasen 54 na Christus vestigde hij daar het Christendom en stichtte daar een Christelijke gemeente, die dadelijk in het begin voornamelijk uit Christenen uit de heidenen bestond (Handelingen 18:1-17). Toen vervolgens een half jaar later, in de herfst van het jaars 54 de welsprekende en in de Schriften geleerde, Alexandrijns gevormde Apollos, die van een Johannis-discipel tot een volle belijder van Christus door Priscilla en Aquila bekeerd was, van Efeze naar Corinthiërs verhuisde (Handelingen 18:24), werd hij de gelovigen daar tot groot nut. Door zijn bekwaamheid in de uitlegging van de Schrift overtuigde hij toch de Joden in openbare gesprekken nadrukkelijk, dat Jezus de Christus was. De kunstmatige en redekunstige vorm, waarin hij het Evangelie verkondigde, was aan de gemeente wel bevorderlijk tot kennis, maar, omdat die zozeer zich onderscheidde van de eenvoudige manier van Paulus (Hoofdstuk 2:1, ; 3:1 v.) en zich bewoog op het gebied van apologie en typologie, gaf zij tevens aanleiding tot die beginselen van partijvorming, die later op zo verwoestende manier zich uitbreidde. Naar Hoofdstuk 16:7, 2 Corinthiërs 2:1; 12:14, 21; 13:1 v. te oordelen bracht de apostel te Corinthiërs een tweede bezoek, dat echter in de Handelingen niet wordt bericht. Dit had plaats in de zomer van het jaar 56, gedurende de meer dan tweejarige werkzaamheid van Paulus te Efeze Ac 19:20. Hij kwam dan toen ook over Macedonië hierheen, om tot een collecte voor de arme gemeenten in Judea op te wekken en wat hij nu zag en opmerkte, vervulde hem met treurigheid. Onder de indruk van zijn droefheid en zorg richtte hij aan Timotheus te Efeze zijn eerste brief; toch scheen hem de tijd toe nog niet rijp te zijn voor een krachtig ingrijpen; integendeel begaf hij zich met zijn begeleider Titus op een nieuw arbeidsveld naar het eiland Kreta, waar hij na de stichting van een Christelijke gemeente tot verdere ontwikkeling van haar deze helper achterliet. Te Efeze aangekomen richtte hij, om af te zien van de brief aan Titus, een schrijven naar Corinthiërs, dat wij weliswaar niet meer bezitten, maar waarop toch in Hoofdstuk 5:9 uitdrukkelijk wordt gedoeld. Daarin bestraft hij datgene, wat hij volgens eigen opmerking had erkend als bestraffing nodig te hebben. Ook gaf hij uitzicht op een snelle wederkomst, ten einde met beslistheid op te treden, volgens een plan, dat wel is waar later in deze oorspronkelijke opvatting (2 Corinthiërs 1:15 v.) niet tot uitvoering is gekomen. Intussen bereikte hij daarmee niet wat hij wilde, integendeel werd nu door zijn tegenstanders de beweging tegen hem met dubbele hevigheid voortgezet. Tengevolge daarvan kwam vervolgens in de volgende lente (67 na Christus) van de kant van de Corinthiërs met afvaardiging van een bijzonder gezantschap, dat uit Stefanas, Fortunatus en Achaïcus bestond, een schrijven tot hem, waaruit hij zag, dat enige van zijn uitdrukkingen verkeerd waren verstaan. In dit schrijven probeerde de gemeente zijn bestraffingen op grond van zogenaamd apostolische overleveringen te ontzenuwen en hoewel onder velerlei beleefde spreekwijzen, gaf zij te kennen bij deze overleveringen te zullen blijven eerder dan dat zij zich aan Paulus verordeningen onderwierp (Hoofdstuk 5:9 en 11; 7:1; 8:1, ; 11:2,Gelijktijdig ontving de apostel door die van Chloë's huisgezin (Hoofdstuk 1:11) mondelinge berichten, die het beeld volmaakten van de verwarring, die te Corinthiërs heerste, zoals wij die later in bijzonderheden zullen moeten beschouwen. Hij zendt nu Timotheus en Erastus op de weg over Macedonië naar Corinthiërs, ter voorbereiding van de collecte, die voor Judea te houden was, bij welke gelegenheid de eerste de vijandschap, tegen de apostel opgewekt, moet onderdrukken en ophelderingen aan de gemeente moet geven. Aan de drie bovengenoemde afgevaardigden geeft hij tevens zijn antwoord in deze eerste brief aan de Corinthiërs bij hun terugreis over zee mee, die omstreeks pasen van het jaar 57 na Christus plaats heeft. Het naschrift, dat men aan deze brief heeft toegevoegd, blijkt dus in zo verre onjuist als aan de ene kant aan de drie overbrengers van de brief, Stefanas, Fortunatus en Achaïcus, niet als vierde Timotheus had moeten worden gevoegd en aan de andere kant deze niet te Filippi in Macedonië, zoals men met verkeerde verklaring van Hoofdstuk 16:5 aanneemt, maar te Efeze geschreven en van daar afgezonden is.
2) De laatste woorden: "beide van hen en van ons" worden makkelijk beter verklaard met de plaats, dan door de bijvoeging van de Staten-overzetters is geschied. Zo is de Lutherse vertaling, insgelijks v. d. Palm, "zo tot hun als tot onzen, d. i. zo te Corinthiërs zelf als hier te Efeze; waar zich nu vele Corinthiërs bevinden, de drie afgezondenen van de gemeente, Chloë met haar gezin, waarschijnlijk Sosthenes en anderen. " Men tekent er bij aan: "De apostel roept met bepaalde bedoeling de Corinthiërs voor de aandacht, dat zij tot de grote Christelijke gemeenschap behoren, opdat zij het verderfelijke van hun neiging tot scheuringen, waardoor het lichaam van Christus gedeeld wordt, voelen en zich daarvoor leren schamen. " 3. Genade zij u en vrede van God onze Vader en de Heere Jezus Christus (Romeinen 1:7 en "1Th 1:1.
II. Vers 4-9. Voordat de apostel overgaat de verschillende verkeerdheden in de gemeente te bestraffen, dat het hoofddoel van deze zijn brief is, erkent hij eerst met dankbaarheid jegens God het goede, dat bij haar aanwezig is. Aan hetgeen Gods genade in Christus Jezus haar reeds heeft geschonken, verbindt hij de hoop, dat deze genade zich ook voortaan aan haar niet onbetuigd zal laten, maar haar zal bewaren, bevestigen en volmaken.
EPISTEL OP DE ACHTTIENDE ZONDAG NA TRINITATIS
In het Evangelie van de Zondag (Mattheus 22:34) leidt de Heere de gedachten van de Farizeeën van de wet tot het Evangelie. Deze vroegen naar het voornaamste gebod in de wet. Hij gaf hun te kennen dat alle kennis van de wet ons niets kan baten, maar dat Christus als zijn God en Heere te erkennen beter is en alleen tot zaligheid leidt. Wel is het een genade van God, dat Hij de wet heeft gegeven, want de wet is ons nodig als een tuchtmeester tot op Christus. Maar heerlijker is de genade van de Heere daarin geopenbaard, dat Hij ons in Christus de ware gerechtigheid en de eeuwige zaligheid geschonken heeft. Als de zanger van de 119de Psalm de wet van de Heere roemt en zegt: "hoe lief heb ik uw wet, zij is mijn betrachting de hele dag, hoeveel te meer hebben wij dan reden het dierbare Evangelie te roemen, zonder hetwelk de wet toch slechts de dood aanbrengt! " Daarom heeft Paulus wel recht, als hij hier God begint te danken voor de genade, die Hij de Corinthiërs in Christus Jezus heeft geschonken; zo'n genade is alle dankzegging waard.
Het vorige zondags-epistel heeft gehandeld over de kerkelijke gemeenschap; zij heeft de eenheid van de kerk zeer beslist op de voorgrond gesteld. Bij dit hoofdstuk over de Kerk blijft het epistel, dat voor ons ligt. Daarin wordt de Kerk als de bestuurster van alle genadegiften en als de bemiddelaarster van alle gemeenschap met de Heere tot aan het einde geprezen.
Toen de apostel deze brief begon, had hij zonder twijfel het doel om bekend geworden verkeerdheden van de gemeente te bestraffen. Er bestond een aanzien van mensen en verscheurende partijzucht, de tucht was verzuimd, zodat men tot zware zonden van het vlees was vervallen, de tafel van de Heere was onteerd, zelfs valse leer in een hoofdstuk van het Christelijke geloof, de leer van de opstanding van de doden, was ingedrongen. Toch was in de gemeente een goede kern aanwezig, die de verbetering van het verkeerde mogelijk maakte en niet tevergeefs op een heilzaam gevolg van de berisping deed hopen. De apostel dankt dadelijk aan het begin van zijn brief zijn God, voor de zichtbare uitwerking die de prediking van Christus te Corinthiërs heeft gehad en voor de zegen voor tijd en eeuwigheid, die zij heeft teweeggebracht en zijn waarheid en vrijmoedigheid staat ons niet toe, in deze dankzegging voor God een onware en onwaardige vleierij te zien, waardoor hij zijn bittere artsenij in enig opzicht zou hebben willen verzoeten. Hij heeft de aanklevende zondige gebreken weten te onderscheiden van de goede grond, die aanwezig was en de wijsheid van een geestelijke vader betoond. Nu zal het met de Christelijke kerk in het algemeen altijd zo zijn als met deze gemeente te Corinthiërs. Er zal altijd een kern van iets goeds aanwezig zijn, die dankzegging voor God waardig en een grond van hoop is. En er zullen ook ten alle tijde zonden, verkeerdheden en gebreken aanwezig zijn, die bestraft moeten worden en verootmoediging en verbetering noodzakelijk maken. Soms zal het goede met kracht op de voorgrond treden en de kerk van de Heere als de stad op de berg worden gezien; maar gewoonlijk wordt het verkeerde ons meer duidelijk, omdat het zich erger vertoont en wij ook, helaas, meer ogen ervoor hebben en liever berispen dan prijzen; want het prijzen maakt ootmoedig, het berispen bevredigt onze ijdelheid.
Ons epistel is een spiegel voor onze gemeente. Een blik daarin kan 1) ons verootmoedigen, 2) ons vertroosten.
Onze tekst, een spiegel voor herders en gemeenten: 1) de herders moeten op de apostel lijken a) in wijsheid van gedragingen, b) in innigheid van het gebed, c) in hoop op goede uitkomst; 2) de gemeenten moeten de Corinthiërs gelijken, a) in rijkdom van kennis, b) in beoefening van hetgeen men kent, c) in verlangen naar volmaking.
Waarvoor wij God het meest te danken hebben: 1) voor de genade van God, die ons rijk maakt in kennis van de zaligheid; 2) voor de macht van God, die deze kennis bij ons tot een kracht doet worden; 3) voor de trouw van God, die het aangevangen goede werk tot een zalig einde leidt.
Over de dankbaarheid aan God: 1) dankbaarheid aan God volgt op Zijn genade Vers 4-7; 2) Gods genade volgt op onze dankbaarheid Vers 8, 9
Wat de roeping tot de gemeenschap met Christus ons aanbiedt: 1) licht tot onze kennis, 2) kracht voor ons leven, 3) troost voor ons einde.
Over de rijkdom van de Christen: 1) waarin die bestaat, 2) hoe die onderhouden en bewaard wordt.
De ware Christen heeft 1) de grootste schat, 2) het prachtigste kleed, 3) het schoonste huis, 4) het uitgestrektste veld, 5) de machtigste vriend.