Psalm 25:15-22
Aangemoedigd door de beloften, die hij bepeinsd had, hernieuwt David hier zijn gebeden tot God en eindigt de psalm, zoals hij hem begonnen is, met de betuigingen van vertrouwen op God en begeerte naar Hem.
I. Hij stelt God de rampspoedige toestand voor, waarin hij zich bevindt. Zijn voeten waren in het net, vastgehouden en verstrikt zodat hij zich niet kon losmaken, zich niet kon redden uit de moeilijkheden, vers 15. Hij was eenzaam en ellendig, vers 16. Zij, die ellendig zijn, zijn gewoonlijk ook eenzaam, hun vrienden verlaten hen dan, en zij zijn ook zelf geneigd om eenzaam te zitten en in stilte zwijgen Klaagliederen 3:28. David noemt zich eenzaam en verlaten, omdat hij niet steunde of bouwde op zijn dienaren en krijgslieden, maar zo geheel alleen op God vertrouwde, alsof hij niet het minste vooruitzicht had op hulp of steun van enig schepsel. Hij was in benauwdheden, ja in vele benauwdheden, en de benauwdheden, zijns harten hebben zich wijd uitgestrekt, vers 17, hij werd al meer en meer neerslachtig en ontroerd in zijn gemoed. Meer dan iets anders veroorzaakte de bewustheid van zonde hem smart, daardoor werd zijn hart gewond en verbroken, en daardoor was het dat zijn uitwendige moeilijkheden hem zo zwaar drukten. Hij was in ellende en moeite, vers 18. Zijn vijanden die hem vervolgden, waren talrijk en boosaardig zij haatten hem en waren barbaars, en het was een wrede haat, waarmee zij hem haatten vers 19. Zodanig waren ook Christus' vijanden en de vervolgers van Zijn gemeente.
II. Hij drukt zijn vertrouwen op God uit in deze benauwdheden, vers 15. Mijn ogen zijn gedurig op de Heere. Afgodendienaars hielden van goden, die zij met hun lichamelijke ogen zien konden, en hun ogen waren er gedurig op gericht, Jesaja 17:7, 8. Maar het is het oog van het geloof, dat op de Heere moet zijn, die een geest is, Zacheria 9:1. Onze overdenking van Hem moet lieflijk wezen, en wij moeten Hem ons altijd voorstellen, in al onze wegen moeten wij Hem erkennen en alles doen tot Zijn eer en heerlijkheid. Aldus moeten wij een leven leiden van gemeenschap met God, niet alleen in Zijn inzettingen, maar in Zijn voorzienigheid, niet alleen in handelingen van de Godsvrucht, maar in geheel onze levenswandel. David had daar de vertroosting van in zijn beproeving, want omdat zijn ogen geduriglijk op de Heere waren, twijfelde hij niet, of Hij zou zijn voeten uit het net uitvoeren, hem verlossen van het bederf van zijn eigen hart (zo wordt dit door sommigen opgevat), van de plannen van zijn vijanden tegen hem (zo verstaan het anderen). Zij, die hun ogen geduriglijk op de Heere hebben, zullen hun voeten niet lang in het net hebben. Hij herhaalt zijn betuiging van vertrouwen op God, vers 20 :Laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U, en van verwachting van Hem: Ik verwacht U, vers 21. Het is goed om aldus te hopen, rustig en kalm te wachten op het heil des Heeren.
III. Vurig bidt hij tot God om hulp en uitkomst.
1. Voor hemzelf. Zie hoe hij bidt:
A. Om vergeving van zonde, vers 18 :neem weg aI mijn zonde. Deze waren zijn zwaarste last, en zij veroorzaakten hem al zijn andere lasten. In vers 7 had hij gebeden om vergeving van de zonden van zijn jonkheid, en in vers 11 om de vergeving van de een of andere ongerechtigheid, die bijzonder groot was, sommigen denken dat het zijn zonde was in de zaak van Uria. Maar hier bidt hij: Heere, vergeef ze allen, neem weg al mijne zonden. Het is opmerkelijk dat hij ten opzichte van zijn ellende en moeite slechts bidt, dat de Heere ze zal aanzien, er acht op zal slaan, Aanzie mijn ellende en mijn moeite, en doe er voor wat U goeddunkt. Maar wat betreft zijn zonde vraagt hij om niets minder dan om vergeving, neem weg, vergeef al mijne zonden. Als wij te enigertijd in benauwdheid zijn, dan behoren wij meer begerig te zijn dat onze zonden vergeven zullen worden, dan dat onze benauwdheid weggenomen zal worden. Maar toch bidt hij ook:
B. Om herstel van zijn grieven. Zijn ziel was bekommerd omdat God zich van hem had teruggetrokken, en onder het besef van Gods misnoegen op hem vanwege zijn zonde, en daarom bidt hij, vers 16 Wend U tot mij, en als God zich tot ons wendt, komt het er weinig op aan zo de mensen zich van ons afwenden. Zijn toestand was hachelijk, en daarom bidt hij: voer mij uit mijne noden. ik zie geen weg ter ontkoming, maar Gij kunt er een vinden, of er een maken." Zijn vijanden waren nijdig, en ten opzichte daarvan bidt hij: Bewaar er mij voor om in hun handen te vallen, of anders, verlos mij uit hun handen."
Vier dingen voert hij aan om deze beden te ondersteunen.
a. Hij pleit op Gods goedertierenheid: Wees mij genadig Mensen van de grootste verdiensten zouden nog verloren zijn indien zij niet te doen hadden met een God van oneindige goedertierenheid en genade.
b. Hij pleit op zijn eigen ellende, op de benauwdheid, waarin hij zich bevond, op zijn moeite en verdriet, op de droefheid van zijn hart, dit alles maakte hem tot een geschikt voorwerp van Gods barmhartigheid.
c. Hij pleit op de ongerechtigheid van zijn vijanden. "Heere, zie hen aan, zie, hoe wreed zij zijn, en verlos mij uit hun handen."
d. Hij pleit op zijn eigen oprechtheid, vers 21. Hoewel hij zich schuldig had erkend voor God en zijn zonden tegen Hem had beleden, had hij toch ten opzichte van zijn vijanden het getuigenis van zijn geweten, dat hij hun geen onrecht had gedaan, hetgeen zijn troost was toen zij hem met zo wreveliger haat hebben gepest, en hij bidt dat dit hem mocht behoeden. Dit geeft te kennen dat hij achtte niet langer veilig te zijn dan hij aan zijn oprechtheid vasthield, en dat hij zolang hij er aan vasthield niet twijfelde aan zijn veiligheid. Oprechtheid zal ook in de slechtste tijden onze beste veiligheid zijn. Oprechtheid zal een mens meer beschutten dan de rijkdom en eer van de wereld het kunnen, ze zal ons bewaren voor het hemelse koninkrijk. Daarom moeten wij God bidden ons bij onze oprechtheid te bewaren, en er dan van verzekerd wezen dat die ons zal behoeden.
2. Voor de kerk Gods, vers 22 :o God, verlos Israël uit al zijn benauwdheden. David was nu zelf in benauwdheid, maar hij acht dit niet vreemd, daar toch benauwdheid het lot is van geheel het Israël Gods. Waarom zou het aan één lid beter gaan dan aan het gehele lichaam? Davids benauwdheden hadden zich wijd uitgestrekt, en zeer vurig heeft hij God gebeden om er hem uit te verlossen, maar hij vergeet daarom de benauwdheden niet van Gods kerk, want al hebben wij voor de troon van de genade nog zovele zaken te doen voor onszelf, toch moeten wij er aan denken om voor de gemeente te bidden. Godvruchtige mensen smaken weinig genot in hun eigen veiligheid, zolang de kerk in benauwdheid en gevaar is. Dit gebed is een profetie dat God ten laatste rust zal geven aan David, en daarmee ook aan Israël van al hun vijanden rondom. Het is een profetie van het zenden van de Messias ter bestemder tijd, om Israël te verlossen van al onze ongerechtigheden, Psalm 25:22 en hem aldus te verlossen uit al zijn benauwdheden. Het verwijst ook naar de gelukzaligheid van de toekomenden staat. In de hemel, en alleen in de hemel, zal Gods Israël volkomen verlost wezen uit alle benauwdheden.