Jesaja 17:6-8
Temidden van het oordeel wordt hier als in een tussenzin genade voorbehouden voor het overblijfsel, dat aan het algemene verderf over het rijk van de tien stammen ontkomen is. Hoewel de Assyriërs zoveel mogelijk zorg hebben gedragen om niemand uit hun net te laten ontglippen, waren toch de zachtmoedigen van het land verborgen ten dage van toorn van de Heer, hun leven werd hun gegeven tot een buit, en het werd hun aangenaam gemaakt, doordat zij zich terugtrokken in het land van Juda, waar zij toegang hadden tot Gods voorhoven.
1. Zij zullen slechts een klein overblijfsel zijn, zeer weinigen in aantal, die getekend zullen zijn ter behoudenis, vers 6. Nalezingsdruiven zullen daarin overblijven. Het lichaam, de massa van het volk werd gevankelijk weggevoerd, maar hier en daar was er één achtergelaten, misschien wel één van twee, die op een bed lagen, terwijl de andere meegenomen werd, Lukas 17:34. De meest verwoestende oordelen in deze wereld blijven nog achter bij het laatste oordeel, dat algemeen zal zijn, en waaraan niemand ontkomen kan. In tijden van de grootste rampen worden sommigen nog veilig bewaard, zoals in tijden van de grootste ontaarding sommigen rein bewaard worden. Maar de kleinheid van het getal dergenen, die ontkomen, veronderstelt de gevangenschap van verreweg het grootste gedeelte, zij, die overgelaten worden, zijn slechts als het armzalig overschot van een olijfboom, als hij door de eigenaar zorgvuldig geschud is, twee of drie olijven in de top van de bovenste takken-buiten het bereik van hen, die de boom hebben geschud-dit is alles. Zodanig is het overblijfsel naar de verkiezing van de genade, zeer weinigen in vergelijking met de grote menigte van hen, die op de breden weg wandelen.
2. Zij zullen een geheiligd overblijfsel zijn, vers 7, 8. Deze weinigen, die bewaard bleven, zijn de zodanigen, die in het vooruitzicht van het naderend oordeel zich bekeerd hebben van hun zonden, tot verbetering van hun leven zijn gebracht, en daarom als een brandhout uit het vuur zijn gerukt, of dezulken, die omkomen zijn en naar een vreemd land zijn gevlucht, ontwaakt zijn en gedrongen, deels door het besef van de onderscheidende genade van hun redding en deels door de benauwdheid, waarin zij zich bevonden, om terug te keren tot God.
a. Zij zullen zien naar hun Schepper, en zullen vragen: "Waar is God, mijn maker, die psalmen geeft in de nacht, in zo'n nacht van beproeving als deze is?" Job 35:10. Zij zullen Zijn hand erkennen in hetgeen hun wedervaren is, in hun zegeningen en in hun beproevingen, en zich aan Zijn hand onderwerpen, zij zullen Hem de eer geven van Zijn naam, en de leiding bespeuren van Zijn voorzienigheid, zij zullen van Hem hulp en ondersteuning verwachten, op Hem vertrouwen voor hulp on uitredding. Zij zullen op Hem zien, hun ogen op Hem gericht houden, zoals de ogen van de knechten zijn op de hand van hun heren.
Merk op: Het is onze plicht om ten allen tijde op God te zien, onze ogen altijd op Hem gevestigd te houden, als onze Schepper, de oorsprong van ons bestaan, en de God van de natuur, en als de Heilige Israëls, een God in verbond met ons, en de God van de genade, inzonderheid als wij in beproeving en benauwdheid zijn, moeten onze ogen op de Heer zijn, om onze voeten uit te voeren uit het net, Psalm 25:15. Ons hiertoe te brengen is het doel van Zijn voorzienigheid als onze maker, en het werk van Zijn genade als de Heilige Israëls.
b. Zij zullen afzien van hun afgoden, de schepselen van hun eigen verbeelding, zij zullen die niet langer aanbidden, die niet langer zoeken, daarom geen hulp meer van ze verwachten. Want God wil dat de mensen alleen op Hem zien, want anders acht Hij dat zij in het geheel niet op Hem zien. Hij, die op zijn maker ziet, moet de altaren niet aanschouwen, het werk van zijn handen, maar die verwerpen en verloochenen, hij moet niet de geringste eerbied behouden voor hetgeen zijn vingers gemaakt hebben, maar het in stukken breken, al is het ook zijn eigen kunstwerk, de bossen en de beelden, het woord betekent beelden, die ter ere van hem gemaakt zijn, en in welke zij aangebeden werd, de oudste en de meest redelijk schijnende afgoderij, Deuteronomium 4:19, Job 3t: 26. Wij hebben reden om die beproevingen gezegend te achten, die scheiding maken tussen ons en de zonde, en door de overtuiging van de ijdelheid van de wereld de grote afgod, onze genegenheid er voor af te koelen, en onze verwachting er van te doen afnemen.