Romeinen 8:26-28
De apostel bespreekt hier nog twee voorrechten, waartoe de ware Christenen gerechtigd zijn.
I. De hulp van den Geest in het gebed. Terwijl wij in deze wereld zijn, hopende en wachtende op hetgeen wij nog niet zien, moeten wij biddende zijn. De hoop onderstelt begeerte en het bekendmaken van die begeerte aan God is het gebed. Merk op:
1. Onze zwakheid in het gebed. Wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het betaamt.
A. Wat het voorwerp van onze gebeden aangaat. Wij weten niet wat wij vragen moeten. Wij zijn geen bevoegde beoordelaars van onzen eigen toestand. Wie weet wat voor een mens goed is in dit leven? Prediker 6:12. Wij zijn kortzichtig en worden dikwijls beïnvloed door voorliefde voor het vlees, en daardoor geneigd het doel van den weg te scheiden. Gij weet niet wat gij vraagt, Mattheus 20:22. Wij zijn gelijk dwaze kinderen, die om vruchten dwingen alvorens die rijp en voor ons geschikt zijn, zie Lukas 9:54, 55.
B. Wat aangaat de wijze, wij weten niet hoe wij bidden zullen gelijk het betaamt. Het is niet genoeg dat wij doen hetgeen goed is, wij moeten het ook goed doen, en op de voorgeschreven wijze, en dat gaat meestal boven onze kracht, onze pogingen zijn zwak, onze aandoeningen koel, de gedachten verstrooid, en het is niet altijd gemakkelijk in zijn hart een gebed te vinden om te bidden, 2 Samuël 7:27. De apostel spreekt hier in den eersten persoon.
Wij weten niet. Hij begrijpt er zich zelven bij in. Alle heiligen zonder onderscheid beklagen zich over dwaasheid, zwakheid en verstrooidheid in het gebed. Indien een zo groot heilige als Paulus niet wist hoe hij bidden moest, hoe weinig reden hebben wij dan om ons in eigen kracht tot het gebed te begeven?
2. De bijstand, welken de Geest ons tot het beoefenen van dezen plicht verleent. Hij komt onze zwakheden te hulp, voornamelijk worden onze zwakheden in het gebed bedoeld, die ons vooral onder het bidden overvallen, daartegen helpt de Geest ons. De Geest komt ons te hulp in het Woord, vele regelen en beloften zijn er in het Woord om ons te helpen. De Geest komt ons in ons hart te hulp, door daarin te wonen, er in te werken, als een Geest van genade en gebeden, voornamelijk met betrekking tot de zwakheden die op ons drukken wanneer wij in lijden zijn, want dan is ons geloof het meest geneigd om te bezwijken. Tot dat doel werd de Heilige Geest uitgestort. Hij komt te hulp, sunantilambanetai, tilt met ons op, helpt ons opbeuren, gelijk wij iemand helpen zouden, die een te zwaren last moet optillen, door de hand aan het andere einde van het pak te slaan, helpt met ons, dat is, doet mede met onze pogingen en ondersteunt onze krachten. Wij mogen niet stilzitten en verwachten dat de Geest wel alles doen zal, wanneer de Geest ons voorgaat moeten wij ons zelven aansporen. Wij kunnen niets doen zonder God, en Hij wil niets doen zonder ons. Welke hulp geeft Hij? De Geest zelf bidt voor ons, Hij geeft ons de woorden, Hij bezielt onze verzoeken, Hij pleit voor ons. Christus treedt voor ons tussen in den hemel, de Geest doet het in onze harten, zo genadiglijk heeft God voorzien tot aanmoediging van zijn biddend volk. De Geest is een verlichtende Geest, die ons onderwijst waarvoor wij mogen bidden, Hij is een heiligende Geest, die de genade des gebeds werkt en aanvuurt, Hij is een vertroostende Geest, die al onze vrezen stilt en ons door al onze mismoedigheid heen helpt. De Heilige Geest is de springader van al ons begeren en verlangen naar God. Deze tussenkomst, dat bidden voor ons doet de Heilige Geest:
A. Met onuitsprekelijke zuchtingen. Hierdoor worden de kracht en de vurigheid van de begeerten, die de Heilige Geest in ons werkt, aangeduid. Er kan een gebed van den Geest zijn waar geen woord gesproken wordt, gelijk Mozes bad, Exodus 14:15, en Hanna, 1 Samuël 1:13. Het is niet de rederijkheid en de schoonheid van woorden, maar het geloof en de vurigheid van onze gebeden, welke de Heilige Geest in ons werkt, door voor ons tussen te treden.
Onuitsprekelijk, zij zijn zo verward, de ziel wordt zo bestormd door verzoekingen en bezwaren, dat wij niet weten wat wij zeggen moeten en geen woorden vinden kunnen. Hier komt de Geest tussenbeide met onuitsprekelijke zuchtingen. Wanneer wij alleen slechts Abba Vader! kunnen roepen en ons daarop beroepen met nederige vrijmoedigheid, dan is dat het werk van den Geest.
B. Overeenkomstig den wil van God, vers 27. 1) De Geest in het hart kan nooit in tegenspraak zijn met den Geest in het Woord. De verlangens, die tegen den wil van God ingaan, komen niet uit den Geest. De Geest, in ons biddende, maakt ons meer en meer eenswillend met God. Niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt.
3. De zekere uitslag van deze tussenkomst.
Hij, die de harten doorzoekt, weet welke de mening des Geestes zij, vers 27. Voor een huichelaar, wiens godsdienst alleen in woorden bestaat, is er niets vreeslijker dan dat God de harten doorzoekt en alle schuilhoeken daarin kent. Voor den oprechten Christen, die van zijn godsdienst een werk des harten maakt, is niets troostrijker dan dat God het hart doorzoekt, want Hij zal horen en verhoren die begeerten, welke wij niet onder woorden kunnen brengen. Hij weet wat wij van node hebben, alvorens wij het vragen, Mattheus 6:8. Hij weet wat de mening van Zijn eigen Geest in ons is. En evenals Hij altijd verhoort wat de Zoon voor ons bidt, zo verhoort Hij altijd den Geest, die in ons bidt, omdat Zijn gebeden zijn overeenkomstig den wil Gods. Wat kon er meer gedaan worden tot vertroosting van het volk des Heeren, in al hun gebeden tot God? Christus heeft gezegd: Al wat gij den Vader zult vragen naar Zijnen wil, zal Hij u geven, maar hoe zullen wij leren vragen naar Zijn wil. Zie, de Heilige Geest zal ons dat leren. En daarom zal het zaad van Jakob Hem nooit tevergeefs zoeken.
II. De medewerking van alle dingen ten goede dergenen, die van Christus zijn, vers 28. Er kan hier de tegenwerping gemaakt worden dat wij, niettegenstaande al deze voorrechten, de gelovigen zien besprongen door menigerlei droefenissen, ofschoon de Geest voor hen bidt, toch blijven hun moeiten voortduren. Dat is zeer waar, maar de tussenkomst van den Geest is altijd hierin wel geslaagd, dat hoe het ook met hen gaan moge, alle dingen hun ten goede medewerken. Merk hier op:
1. Het kenmerk van de heiligen, die aan dit voorrecht deelhebben, zij worden hier beschreven met al zulke hoedanigheden, welke gemeen zijn aan allen, die in waarheid geheiligd werden.
A. Zij hebben God lief. Dat omvat al de uitgangen van de genegenheden der ziel naar God als het hoogste goed en het voornaamste doel. Onze liefde tot God maakt al wat ons overkomt zoet en daardoor nuttig. Zij, die God liefhebben, zien het goede in al wat Hij doet en trekken er het goede uit.
B. Zij zijn naar Zijn voornemen geroepen, werkdadig geroepen naar Zijn eeuwig voornemen. De roeping is werkdadig, niet naar aanleiding van enige verdienste of begeerte in ons, maar naar Gods eigen genadige voornemen.
2. Het voorrecht van de heiligen, dat alle dingen hun ten goede medewerken, dat is alles wat God over hen beschikt. Alles wat God voleindigt, voleindigt Hij voor hen, Psalm 57:3. Hun zonden heeft Hij niet tot aanzijn geroepen, die worden hier dus niet bedoeld, ofschoon Zijn toelaten van hun zonden hun ten beste moet dienen, 2 Kronieken 32:31. - Maar al de beschikkingen Gods geschieden om hunnentwil, barmhartige beschikkingen, bedroevende beschikkingen, persoonlijke en algemene. Zij zijn alle hun ten goede, wellicht voor hun tijdelijk welzijn, gelijk bij Jozef het geval was, maar zeker altijd voor hun geestelijk en eeuwig welzijn. Dàt is goed voor hen wat voor hun zielen goed is. Hetzij onmiddellijk of middellijk, elke beschikking Gods heeft de bedoeling voor geestelijk goed voor hen, die God liefhebben, zij moet de zonde in hen verbreken, hen nader brengen tot God, hen spenen van de wereld, hen geschikt maken voor den hemel.
Medewerken, zij werken gelijk stoffelijke middelen op het lichaam, op verschillende wijzen, overeenkomstig de bedoeling van den geneesheer, maar alle ten goede van den zieke. Zij werken mede, of samen, gelijk de verschillende bestanddelen in een geneesmiddel samenwerken om aan de bedoeling te beantwoorden. God heeft het een tegenover het ander gemaakt, Prediker 7:14, sunergei. Daardoor wordt aangeduid de harmonie in de daden der Voorzienigheid en de overeenstemming in hun bedoelingen, gelijk al de wielen of raderen in dezelfden weg gingen, Ezechiël 10:13. Hij werkt alle dingen gezamenlijk ten goede, lezen sommigen hier. Dat is het gevolg, niet van enige bepaalde hoedanigheid in de beschikkingen zelven, maar van de macht en de genade Gods, die in en door deze beschikkingen werkt. -Dit alles weten wij. Wij weten het zeker, uit het Woord Gods, uit onze eigen ondervinding, en uit de ondervinding van alle heiligen.