Psalm 19:8-15
Gods heerlijkheid dat is Zijn goedheid jegens de mens wordt duidelijk waargenomen in de werken van de schepping, maar nog veel meer in en door de Goddelijke openbaring. De Heilige Schrift, een regel zijnde beide van onze plicht tot God en van onze verwachting van Hem, is van veel groter nut en weldadigheid voor ons dan dag of nacht, dan de lucht die wij inademen, dan het licht van de zon. De ontdekkingen van God door Zijn werken zouden hebben kunnen volstaan indien de mens aan zijn oprechtheid had vastgehouden, maar om hem uit zijn gevallen toestand op te heffen moesten andere maatregelen genomen worden: dat moest geschieden door het Woord van God. En hier:
I. Geeft de psalmist een beschrijving van de voortreffelijke eigenschappen en het nut van het Woord van God in zes volzinnen, vers 9-10 in ieder waarvan de naam JHWH herhaald is en het is geen ijdele herhaling, want de wet heeft haar gezag en al haar voortreffelijkheid van de wetgever. Hier zijn zes onderscheiden titels van het Woord van God, waarin geheel de Goddelijke openbaring, voorschriften en beloften en inzonderheid het Evangelie, begrepen zijn. Hier zijn verscheidene goede eigenschappen ervan, die zijn goddelijke oorsprong bewijzen, en het aanbevelen in onze genegenheid en het verheffen boven alle andere wetten, en hier zijn verscheiden goede uitwerkingen van de wet op de geest van de mensen, die aantonen waartoe zij bestemd is, welk gebruik wij ervan moeten maken, en hoe wonderbaar de kracht is van de Goddelijke genade, waarvan zij vergezeld gaat en waardoor zij werkt.
1. De wet des Heeren is volmaakt, zij is volkomen vrij van alle bederf, vrij van alle goed en volkomen geschikt voor het doel, waarvoor zij bestemd is, zij maakt "de mens Gods volmaakt," 2 Timotheus 3:17. Niets kan er aan toegevoegd worden, niets kan er van afgenomen worden. Zij is nuttig om de ziel te bekeren, ons terug te brengen tot onszelf, tot onze God, tot onze plicht, want zij toont ons onze zondigheid en ellende in ons afwijken van God en de onvermijdelijke noodzakelijkheid van tot Hem terug te keren..
2. De getuigenis des Heeren (die voor Hem bij ons getuigt) is gewis, onbetwistbaar en onaantastbaar zeker, wij kunnen er geloof aan hechten, er op vertrouwen, en er gerust op zijn dat zij ons niet zal misleiden. Zij is een ontwijfelbare ontdekking van Goddelijke waarheid, een vaste leiding op de weg van de plicht, zij is een bron van levende vertroostingen en een vaste grond van de hoop. Zij is nuttig om ons wijs te maken, wijs tot zaligheid, 2 Timotheus 3:15. Zij zal ons een inzicht geven in Goddelijke dingen en een vooruitzicht op toekomstige dingen. Zij zal ons gebruiken in het beste werk en ons onze ware belangen verzekeren. Zij zal zelfs de eenvoudigen, die niet zeer bekwaam of schrander zijn ten opzichte van de dingen van deze wereld, wijs maken voor hun ziel en de eeuwigheid. Zij, die nederig eenvoudig zijn, zich bewust zijn van hun dwaasheid, en onderwezen willen worden, zullen door het woord van God wijs worden gemaakt Psalm 25:9.
3. De bevelen des Heeren (uitgevaardigd door Zijn gezag en verbindend voor allen) zijn recht, nauwkeurig overeenkomende met de eeuwige regels beginselen van goed en kwaad, dat is met het rechte verstand van de mens en de rechten raad van God. Al Gods bevelen van alles zijn recht, Psalm 119:128, juist zoals zij moeten wezen, en zij zullen ons tot recht en rede brengen als wij ze ontvangen en er ons aan onderwerpen, en, omdat zij recht zijn verblijden zij het hart. Zoals wij de wet in de handen van Christus zien, geeft zij oorzaak tot blijdschap, en als zij in ons hart geschreven is, legt zij de grond voor eeuwigdurende vreugde. 4. Het gebod des Heeren is zuiver, het is helder, zonder duisterheid, het is rein, zonder schuim of bezoedeling. Het is zelf gelouterd van alle bijmengselen, en het is reinigend voor allen, die het ontvangen en omhelzen. Het is het gewone middel, gebruikt door de Geest, om de ogen te verlichten, het brengt ons tot het besef van onze zonde en ellende, en leidt ons op de weg van onze plicht.
5. De vreze des Heeren (ware Godsvrucht voorgeschreven in het Woord, heersende in het hart en beoefend in het leven, is rein. Zij is zelf rein en zal ons rein maken, Johannes 15:3, zij zal onze weg reinigen, Psalm 119:9, en zij bestaat tot in eeuwigheid, zij is van altijddurende verplichting en kan nooit opgeheven of afgeschaft worden. De ceremoniële wet is sinds lang weggedaan maar de wet betreffende de vreze Gods is altijd dezelfde. De tijd zal de aard van zedelijk goed en kwaad niet veranderen.
6. De rechten des Heeren, al Zijn voorschriften, die gegeven zijn naar oneindige wijsheid, zijn waar, zij zijn allen gegrond op de heiligste en meest ontwijfelbare waarheden, zij zijn rechtvaardig, allen in overeenstemming met natuurlijke billijkheid, en zij zijn die samen, of geheel en al, er is in geen ervan enigerlei ongerechtigheid.
II. Hij drukt zijn grote waardering uit voor het Woord van God, en het grote voordeel, dat hij er van had en nog verder hoopte te hebben, vers 11, 12.
1. Zie hoe hij de geboden Gods op hoge prijs stelt. Het is de aard van alle Godvruchtigen dat zij hun Godsdienst en het Woord van God:
a. Verre verkiezen boven alle de schatten van de wereld. Zij zijn begeerlijker dan goud, ja dan veel fijn goud. Goud is van de aarde aards, maar genade is het beeld van het hemelse. Goud is slechts voor het lichaam en de zaken van de tijd, maar genade is voor de ziel en de belangen van de eeuwigheid.
b. Ver boven al de genoegens en genietingen van de zinnen. Het Woord van God, aangenomen door het geloof, is zoet voor de ziel, zoeter dan honing en honingzeem. De genoegens, van de zinnen zijn genietingen van dieren, en derhalve verlagen zij de grote ziel van de mens, de genoegens van de Godsdienst zijn de verlustiging van engelen en verheffen de ziel. De genoegens van de zinnen zijn bedrieglijk, teleurstellend, en zullen spoedig walging veroorzaken en nooit voldoening schenken, maar die van de Godsdienst zijn degelijk en bevredigend, en er is daarbij geen gevaar voor oververzadiging.
2. Zie welk gebruik hij maakt van de bevelen van Gods Woord. Uw knecht wordt door dezelve klaarlijk vermaand. Het Woord Gods is een woord van vermaning aan de kinderen van de mensen, het vermaant ons om onze plicht te doen, het waarschuwt ons voor de gevaren, die wij hebben te vermijden, Ezechiël 3:17, 33:7. Hij vermaant de goddeloze om op zijn goddelozen weg niet voort te gaan, en vermaant de rechtvaardige om van zijn goede weg niet af te wijken. Allen, die in waarheid knechten Gods zijn, nemen die vermaning ter harte.
3. Zie welk voordeel hij zich belooft van zijn gehoorzaamheid aan Gods geboden: in het houden van die is grote loon. Zij, die er een gewetenszaak van maken om hun plicht te doen, zullen er niet alleen niets door verliezen, maar er onuitsprekelijk veel door winnen. Er is een loon, niet alleen na, maar ook in, het houden van Gods geboden, een tegenwoordig groot loon van gehoorzaamheid in gehoorzaamheid. Godsdienst is gezondheid en eer, vrede en vermaak, hij zal onze voorrechten, onze gerieflijkheden, lieflijk maken, en ons kruis, onze tegenspoeden, verlichten, het leven waarlijk kostelijk en de dood zelf begeerlijk maken.
III. Uit zijn vrome overpeinzingen komt hij tot enige goede gevolgtrekkingen omtrent de voortreffelijkheid van het Woord van God, want door de wet is de kennis van de zonde.
"Is het gebod aldus heilig, rechtvaardig en goed? Wie zou dan de afdwalingen verstaan? Wie het ook kunnen, ik kan het niet." Van de rechtheid van de Goddelijke wet leert hij zijn zonden zijn afdwalingen te noemen. Indien het gebod waar en rechtvaardig is, dan is iedere overtreding van het gebod een dwaling, als gegrond zijnde op een vergissing, iedere goddeloze handeling ontstaat uit het een of ander verdorven beginsel, het is een afwijking van de regel waarnaar wij moeten handelen, van de weg, waarop wij moeten gaan. Van de uitgestrektheid, het veelomvattende, de strengheid en nauwkeurigheid, en de geestelijke aard van Gods wet leert hij dat zijn zonden zo menigvuldig zijn dat hij haar aantal niet weet, en zo uiterst zondig dat hij er het snode en boze niet van verstaat. Wij zijn schuldig aan vele zonden, waarvan wij ons, door onze onachtzaamheid en partijdigheid voor onszelf, niet bewust zijn, veel waaraan wij ons schuldig hebben gemaakt hebben wij vergeten, zodat wij, al waren wij ook nog zo uitvoerig en omstandig in onze belijdenis van zonde, toch moesten eindigen met een enzovoorts, want God weet zeer veel meer kwaad van ons dan wij van onszelf weten. Wij overtreden allen in velen, en wie kan zeggen hoe menigmaal hij overtreedt? Het is goed dat wij onder de genade zijn, en niet onder de wet, want anders waren wij verloren.
2. Daaruit neemt hij aanleiding om te bidden tegen de zonde. Al de ontdekkingen van zonde die ons gedaan zijn door de wet, moeten ons uitdrijven naar de troon van de genade, om er te bidden, zoals David het hier doet:
A. Om genade ter vergeving. Zich niet instaat bevindende om al de bijzonderheden van zijn overtredingen te noemen, roept hij: Heere, reinig mij van de verborgen afdwalingen, die niet verborgen zijn voor God, voor Hem zijn er geen verborgen, en ook niet zulke alleen, die verborgen zijn voor de wereld, maar die verborgen waren voor hemzelf, voor zijn eigen opmerking. De beste mensen hebben reden om te vermoeden dat zij schuldig zijn aan vele verborgen fouten, en God te bidden hen te reinigen van die schuld en ze hun niet toe te rekenen want zelfs onze zonden van zwakheid en onachtzaamheid en onze verborgen zonden zouden ons verderf zijn, indien God met ons handelde naar wij verdienen. Zelfs verborgen fouten zijn verontreinigend, en maken ons ongeschikt voor gemeenschapsoefening met God, maar als zij vergeven zijn, dan zijn wij er van gereinigd, 1 Johannes 7.
B. Om genade om te helpen in een tijd van nood. Gebeden hebbende dat zijn zonden van zwakheid vergeven mogen worden, bidt hij dat hij teruggehouden mocht worden van zonden van de trotsheden, vers 14. Allen, die waarlijk berouw hebben van hun zonden en er vergeving voor hebben ontvangen, zijn in zorg om niet terug te vallen in zonde, niet weer te keren tot hun dwaasheid, zoals blijkt uit hun gebeden, die samenstemmen met dat van David hier. Let op: a. Zijn bede: "Houd mij terug van mij ooit schuldig te maken aan moedwillige zonde van trotsheid." Wij behoren te bidden dat wij teruggehouden mogen worden van zonden van de zwakheid, maar inzonderheid van trotsheden, die God het meest beledigen, de consciëntie wonden, onze vertroostingen doen opporren en onze hoop doen wankelen. "Laat die niet over mij heersen, laat mij nooit zo'n zonde ter wille zijn, er nooit de slaaf van worden."
b. Zijn pleitgrond. Dan zal ik oprecht zijn, ik zal oprecht blijken te wezen, ik zal het bewijs en de troost behouden van mijn oprechtheid, en rein zijn van grote overtreding zo noemt hij de zonde van de trotsheden, het is de zonde met opgeheven hand, waarvoor geen offerande werd aangenomen, Numeri 15:28-30. Zonden van de trotsheden zijn zeer snood en gevaarlijk, zij die zondigen tegen de overtuiging en de vermaningen van hun eigen geweten, in minachting en trotsering van de wet, die zondigen met opgeheven hand, begaan zonde van de trotsheden, en dat is een grote overtreding. Zelfs Godvruchtige mensen moeten zichzelf wantrouwen, bevreesd zijn om zonden van de trotsheden te begaan, ja, al is het ook dat zij er door Gods genade totnutoe vrij van zijn gebleven. Laat niemand hooggevoelende zijn maar vrezen. Zozeer aan gevaar blootgesteld zijnde is het ons zeer nodig om God te bidden ais wij voorwaarts gaan naar trotsheden, om ons ervan terug te houden, hetzij dat Hij door Zijn voorzienigheid de verzoeking voorkomt, of ons door Zijn genade er over doet zegevieren.
3. Hij neemt er aanleiding uit om nederig te bidden dat zijn overdenkingen Gode welbehaaglijk mogen wezen, vers 15. Let op het verband hiervan met hetgeen vooraf is gegaan. Hij bidt God hem terug te houden van zonde en dan bidt hij dat hetgeen hij denkt en doet Hem welbehaaglijk moge wezen want als wij onze zonden begunstigen, dan kunnen wij niet verwachten, dat God ons en onze dienst gunstig zal zijn, Psalm 66:18.
Merk op:
a. Wat zijn diensten waren: de woorden van zijn mond en de overdenkingen van zijn hart, zijn heilige genegenheden, die Gode geofferd werden. De vrome overdenkingen van het hart moeten niet gesmoord maar uitgedrukt worden in woorden uit onze mond, tot eer van God en tot stichting van anderen, en de woorden van onze mond in gebed en lofzegging moeten niet vormelijk zijn maar voortkomen uit de overdenking van ons hart, Psalm 45:2.
b. Wat zijn zorg was aangaande deze diensten: dat zij Gode welbehaaglijk zouden zijn immers wat zouden zij ons anders baten? Gode welbehaaglijk te wezen, dat is zaligheid voor begenadigde zielen.
c. Wat hem aanmoedigde om hierop te hopen: het was dat God zijn sterkte en zijn verlosser was. Als wij in onze plichten van de Godsdienst hulp zoeken bij God als onze sterkte, dan kunnen wij hopen in die plichten Gode welbehaaglijk te zullen zijn, want door Zijn sterkte zullen wij bij Hem overmogen.
Bij het zingen hiervan moet ons hart zeer getroffen zijn door de voortreffelijkheid van het Woord van God, zeer ontroerd zijn door het kwaad van de zonde, het gevaar waarin wij verkeren door de zonde, en hulp er tegen afsmeken van de hemel.