Mattheus 15:1-9
Slechte zeden, zegt men, roepen goede wetten in het leven. De onmatige ijver van de Joodse leraren om hun hiërarchie in stand te houden, was de aanleiding voor vele voortreffelijke redenen onzes Heilands ter vaststelling van de waarheid. Zo hebben wij hier:
I. Het vitten der schriftgeleerden en Farizeeën op de discipelen wegens hun eten met ongewassen handen. De Schriftgeleerden en Farizeeën waren de groten en aan zienlijken in de Joodse Kerk, voor wie gewin Godzaligheid was, grote vijanden van het Evangelie van Christus, maar aan hun tegenstand den schijn gevende van ijver voor de wet van Mozes terwijl zij toch niets anders bedoelden, dan op tirannieke wijze over het geweten der mensen te heersen. Zij waren mannen van geleerdheid en van zaken. De schriftgeleerden en Farizeeën, van wie hier gesproken wordt, waren van Jeruzalem, de heilige stad, de hoofdstad, werwaarts de stammen opgingen, en waar de stoelen des gerichts gezet waren. Zij hadden dus beter moeten zijn dan anderen, maar zij waren slechter. Uitwendige voorrechten zullen, als er geen goed gebruik van wordt gemaakt, de mensen gewoonlijk opgeblazen maken van hoogmoed en boosaardigheid. Jeruzalem, dat ene zuivere fontein had behoren te wezen, was nu een giftige poel geworden. Hoe is de getrouwe stad tot ene hoer geworden! Indien nu deze grote mannen de beschuldigers zijn, waarin bestaat dan toch wel de beschuldiging? Wat hebben zij tegen de discipelen van Christus in te brengen? Wat hun ten laste gelegd wordt is, dat zij zich niet gedroegen naar de regelen hunner kerk, vers 2.
Waarom overtreden uwe discipelen de inzettingen der ouden? Die beschuldiging staven zij door een voorbeeld. Zij wassen hun handen niet, als zij brood eten. Een zware misdaad! Het was wel een bewijs, dat de discipelen zich onberispelijk gedroegen, als dit het ergste was, dat tegen hen ingebracht kon worden. Merk nu op:
1. Wat die inzetting der ouden was. -Dat men zich dikwijls de handen moest wassen, en dat altijd moest doen voor het gebruik van spijs en drank. Zij achtten dit iets zeer voornaams in den Godsdienst, in de veronderstelling, dat de spijze, die zij met ongewassen handen aanraakten, hen zou verontreinigen. De Farizeeën deden dit zelf, en eisten het met grote strengheid van anderen, niet onder bedreiging van burgerlijke straffen, maar als gewetenszaak, daar zij het als ene zonde tegen God verklaarden om het na te laten. Rabbi Joses stelde vast dat eten met ongewassen handen ene even grote zonde is als overspel. En toen Rabbi Akiba in strenge gevangenschap gehouden werd, werd hem water gezonden om te drinken en er zich de handen mede te wassen. Nu gebeurde het, dat het grootste deel van dit water bij ongeluk uitgestort werd, en toen heeft hij zich met het overgeblevene de handen gewassen, hoewel hij toen niets te drinken had, want hij zei liever te willen sterven, dan de inzetting der ouden te overtreden. Ja, zij wilden zelfs niet aanzitten met iemand, die niet voor den maaltijd zijne handen wies. Die verbazende ijver en nauwgezetheid voor zo nietig ene zaak zou vreemd kunnen schijnen en ongelooflijk, indien wij niet nog heden zagen, hoe kerk-tirannen niet alleen zelf hun eigene verzinselen beoefenen, maar er met dollen ijver ook anderen toe dwingen.
2. Waarin nu hebben Jezus' discipelen deze inzettingen overtreden? Het schijnt, dat zij hun handen niet wiesen, als zij brood aten, hetgeen hun door de Farizeeën nog des te meer ten kwade werd geduid, omdat zij in andere dingen zeer nauwgezet waren. Die gewoonte was op zich zelve onschuldig genoeg, en in den burgerlijken omgang, als blijk van beschaving en reinheid, zelfs nuttig. Wij lezen van het water der reiniging op de bruiloft, waar Jezus tegenwoordig was, Johannes 2:6, hoewel Christus dat water in wijn verkeerde, en hierdoor dus een einde heeft gemaakt aan dat gebruik. Het was echter onredelijk om dit als ene Godsdienstplechtigheid met zoveel strengheid en nadruk verplichtend te stellen. En de discipelen, hoewel nog zwak in kennis, waren toch reeds te goed onderwezen, om er zich aan te willen onderwerpen, al was het ook, dat de Farizeeën het oog op hen hielden. Zij hadden de les van Paulus reeds geleerd: Alle dingen zijn mij geoorloofd. Het is voorzeker geoorloofd zich de handen te wassen eer men aan tafel gaat, maar ik zal onder de macht van genen mij laten brengen, inzonderheid niet onder de macht van hen, die tot hun ziel zeiden: Buig u neer, dat wij over u gaan, 1 Corinthiërs 6:12, Jesaja 51:23.
3. De aanklacht der schriftgeleerden en Farizeeën tegen hen. Zij twistten er over met Christus, in de veronderstelling, dat Hij het hun toeliet-en ongetwijfeld was dit ook zo-en door Zijn eigen voorbeeld hen er toe aanmoedigde. Waarom overtreden uwe discipelen de reglementen der kerk? En waarom laat gij hun dit toe? Het was goed, dat de klacht tot Christus kwam, want de discipelen zelf wisten wel wat hun plicht in dezen was, maar zij zouden wellicht niet zo in staat zijn geweest om er de reden voor op te geven, als wenselijk was.
II. Christus' antwoord op deze vitterij, en Zijne rechtvaardiging van de discipelen ten opzichte van hetgeen hun als ene overtreding werd ten laste gelegd. Zo lang wij staan in de vrijheid, waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft, zal Hij er ons gewis in ondersteunen en verdedigen. Christus antwoordt hun op tweeërlei wijze.
1. Bij wijze van wederbeschuldiging, vers 3-6. Zij bespeurden splinters in de ogen der discipelen, maar Christus toont hun een balk in hun eigen oog. Maar hetgeen Hij hun ten laste legt, is gene blote tegenbeschuldiging, want het zal ons niet rechtvaardigen, als wij onze bestraffers veroordelen, maar het is zulk ene berisping van hun inzetting (en het was op het gezag daarvan, dat zij hun beschuldiging grondden) dat niet allen de weigering om er zich aan te onderwerpen er door geoorloofd werd, maar zelfs tegenstand plichtmatig werd. Nooit moet men zich onderwerpen aan een menselijk gezag, dat zich in mededinging opwerpt van Gods gezag. De algemene beschuldiging is: Gij overtreedt het gebod Gods door uwe inzetting. Zij noemden het de inzetting der ouden, nadruk leggende op de oudheid van dit gebruik, en het gezag van hen, die het ingesteld hebben, gelijk de kerk van Rome dit legt op de kerkvaders en de conciliën, maar Christus noemt het hun inzetting. Onwettige verordeningen komen ten laste van hen, die ze ondersteunen en handhaven, zowel als aan hen, die ze het eerst hebben uitgedacht en uitgevaardigd, Micha 6:16.
Gij overtreedt het gebod Gods. Zij, die het ijverigst zijn voor hun eigene wetten en geboden, zijn gewoonlijk het onverschilligst voor Gods geboden, hetgeen ene goede reden is, waarom Christus' discipelen op hun hoede behoren te zijn voor zulke verordeningen, opdat zij, hoewel in het begin slechts inbreuk makende op de vrijheid der Christenen, ten laatste zich ook niet tegen het gezag van Christus stellen. Hoewel de Farizeeën met dit gebod van het wassen der handen voor den maaltijd aan geen gebod van God te kort deden, hebben zij dit echter wèl in andere gevallen gedaan, en daarom heeft Christus zijne discipelen om hun ongehoorzaamheid er aan gerechtvaardigd. Het bewijs van deze beschuldiging wordt gegeven in een bijzonder voorbeeld: hun overtreding van het vijfde gebod. Laat ons zien wat Gods gebod is, vers 4, wat het voorschrift is, en wat de bekrachtiging is dezer wet. Het voorschrift luidt: Eer uwen vader en moeder. Dit wordt geboden door den algemenen Vader van het mensdom, en door achting te betonen aan hen, die de Voorzienigheid heeft gebruikt om ons het aanzijn te geven, geven wij ere aan Hem, die er de Bron en Oorzaak van is, en die hierdoor met betrekking tot ons iets van Zijn beeld in hen gelegd heeft. De ganse plicht van kinderen tegenover hun ouders is vervat in dit eren van hen. Ben ik een Vader, waar is Mijne ere? Onze Heiland gaat hier van de onderstelling uit, dat het betekent, dat kinderen verplicht zijn hun ouders te onderhouden, en in hun behoeften te voorzien, indien dat nodig is, en hun op alle wijzen het leven moeten zoeken te veraangenamen.
Eer de weduwen, 1 Timotheus 5:3, dat is: onderhoud ze. De bekrachtiging dezer wet in het vijfde gebod, is ene belofte: Opdat uwe dagen verlengd worden. Maar onze Heiland laat dit rusten, opdat niet iemand er uit zou afleiden, dat het slechts iets loffelijks en voordeligs is, en Hij legt den nadruk op de strafbedreiging, die er in ene andere schriftuurplaats aan is toegevoegd, en waaruit blijkt, dat die plicht noodzakelijk en onvermijdelijk is: Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven. Deze wet hebben wij in Exodus 21:17. De zonde van ouders te vloeken is hier gesteld tegenover den plicht van hen te eren. Zij, die kwaad spreken van hun ouders, of hun kwaad toewensen, of hen bespotten, of op tergende en smadelijke wijze tot hen spreken, overtreden deze wet. Indien een broeder Raca te noemen zo strafwaardig is, wat is het dan om een vader zo te noemen? Uit de toepassing van deze wet door onzen Heiland blijkt, dat aan ouders hulp en ondersteuning te weigeren gelijk staat met hen te vloeken. Al is de taal eerbiedig, wat baat dit, zo de handelingen, er niet mede in overeenstemming zijn? Het is hetzelfde wat hij deed, die tot zijn vader zei: Ik ga, heer, en hij ging niet. Hoofdstuk 21:30. Laat ons nu zien, hoe de inzetting der ouden met dit gebod in strijd was. Die tegenspraak was niet direct en onomwonden, maar bedekt en lag er in opgesloten. Hun casuïsten gaven hun regels aan de hand, waardoor zij op gemakkelijke wijze aan de verplichting van dit gebod konden ontkomen, vers 5 en 6. Gij hoort wat God zegt, maar gij zegt zo en zo. Hetgeen mensen, al zijn het ook voorname mensen, geleerden, of mensen van gezag, zeggen, moet vergeleken worden met hetgeen God zegt, en als het daarmee in strijd is, dan behoort het te worden verworpen, Handelingen 4:19. Merk nu op: Ten eerste. Wat hun inzetting was: Dat men zijn werelds goed nooit beter kon besteden of gebruiken dan door het den priesters te geven en het te wijden aan den dienst van den tempel, en dat, wanneer iets daaraan gewijd was, het niet slechts ongeoorloofd was om het te vervreemden, maar dat alle andere verplichtingen, hoe heilig ook, hierdoor werden opgeheven. Dit kwam deels voort uit hun bijgelovigen eerbied voor den tempel, en deels uit hun geldgierigheid, want wat aan den tempel gegeven werd, was hun gewin. Het eerste was slechts een voorwendsel, het laatste was de werkelijke reden van deze inzetting.
Ten tweede. Hoe zij dit van toepassing lieten zijn op het geval van kinderen. Als de nood der ouders om hulp en bijstand riep, dan zeiden zij, dat zij, alles wat zij van zich zelven en hun kinderen konden missen, aan de schatkist des tempels hadden gewijd. Het is ene gave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, en daarom moeten hun ouders niets van hen verwachten, waarbij zij dan nog het denkbeeld opperden, dat het geestelijk voordeel van hetgeen aldus gewijd was, aan de ouders ten goede zou komen, zodat dezen dan maar van dezen wind moesten leven. Dit, zeiden zij, was een goede en geldige reden, of pleitgrond, en vele ongehoorzame en onnatuurlijke kinderen hebben er gebruik van gemaakt, en dit werd dan door de schriftgeleerden in hen gebillijkt. Die voldoet, zeiden zij. Aldus verklaren wij de betekenis. Anderen gaan verder, en verklaren het aldus: Hij doet wel, zijne dagen zullen verlengd worden in het land, en men zal hem beschouwen als behoorlijk het vijfde gebod te hebben opgevolgd. Het voorwendsel van Godsdienstijver zal zijne weigering om voor ouders te zorgen niet slechts verontschuldigen maar loffelijk maken. Maar het ongerijmde en goddeloze van deze inzetting springen in het oog, want de geopenbaarde Godsdienst was bestemd om den natuurlijken Godsdienst te verbeteren, niet te vernietigen, en een der fundamentele wetten daarvan is de ouders te eren. En indien zij geweten hadden, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, zij zouden gene willekeurige plechtigheden hebben ingevoerd ten verderve van de noodzakelijkste zeden. Dit was het gebod Gods krachteloos maken. Al wat tot ongehoorzaamheid leidt, of ongehoorzaamheid aanmoedigt, maakt in de uitwerking, het gebod krachteloos, nietig, en zij, die zich van Gods wet durven ontheffen, maken zich, in de schatting van Christus, schuldig aan het niet nietig verklaren van die wet. De wet te overtreden is slecht, maar de mensen te leren om dit te doen, zo als de schriftgeleerden en Farizeeën dit deden, is nog veel slechter, Hoofdstuk 5:19. Waartoe is het gebod gegeven, zo het niet wordt gehoorzaamd? Voor zoveel ons betreft is de regel krachteloos, of nietig, indien wij er ons niet door laten regeren. Het is tijd voor U, Heere, dat Gij werkt, hoog tijd voor den groten Hervormer, den groten Zuiveraar, dat Hij verschijne, want zij hebben Uwe wet nietig gemaakt. Psalm 119:126, zij hebben niet slechts tegen het gebod gezondigd, maar, voor zoveel hun aangaat, hebben zij het gebod weggezondigd. Maar Gode zij dank, in weerwil van hen en van al hun inzettingen, staat het gebod nog, en dat wel in vollen nadruk en kracht.
2. Christus antwoordt hun ook bij wijze van bestraffing, en hetgeen waarvan Hij hen nu beschuldigt, is geveinsdheid. Gij geveinsden! vers 7. Het is het kroonrecht van Hem, die het hart doorgrondt, en weet wat in den mens is, te verklaren wie geveinsden zijn. Het oog des mensen kan openlijke onheiligheid bespeuren, alleen het oog van Christus kan geveinsdheid ontdekken, Lukas 16:15. En gelijk het ene zonde is, die Zijn oog ontdekt, zo is het ook ene zonde, die Zijne ziel boven alle anderen haat en verafschuwt. Thans ontleent Christus Zijne bestraffing aan Jesaja 29:13 :wèl heeft Jesaja van u geprofeteerd. Jesaja zei het van de mensen van dat geslacht, tot hetwelk hij zijne profetie richtte, maar Christus past het toe op deze schriftgeleerden en Farizeeën. De bestraffing van zonde en zondaren, die wij in de Schrift vinden, was bestemd om gelijksoortige personen en praktijken te treffen tot aan het einde der wereld, want dezen zijn niet van eigene uitlegging, 2 Petrus 2:20. Van de zondaren der laatste tijden is geprofeteerd, 1 Timotheus 4:1, 2 Timotheus 3:1, 2 Petrus 3:3. Bedreigingen, tegen anderen gericht, gelden ook ons, als wij aan dezelfde zonden schuldig zijn. Jesaja heeft niet van hen alleen geprofeteerd, maar ook van alle andere geveinsden, tegen wie dit zijn woord nog altijd gericht is, en wel in volle kracht. De profetieën der Schrift worden iedere dag vervuld. Door deze profetie wordt een huichelachtig volk zeer juist omschreven, Jesaja 9:16, 10:6. En wij hebben die omschrijving in tweeërlei opzicht.
1. Hun wijze van Godsverering, vers 8, als zij tot God genaken met hun mond, en Hem eren met de lippen, terwijl hun hart zich verre van Hem houdt. Daarin zien wij: Ten eerste: Hoe ver een geveinsde gaan kan. Hij genaakt tot God en eert Hem, in zijne belijdenis is hij een aanbidder van God. De Farizeeër ging op in den tempel om te bidden, hij staat niet op den afstand, waarop zij staan, die leven zonder God in de wereld, maar hij heeft een naam onder het volk, dat nabij Hem is. Zij eren Hem, dat is: Zij voegen zich bij hen, die God eren. Zelfs van den dienst der geveinsden heeft God enige eer, daar zij. er toe bijdragen om den vorm der Godzaligheid in de wereld op te houden, daardoor komt aan God dan nog enigerlei eer, hoewel zij dit niet voor Hem bedoelen. Als Gods vijanden zich geveinsdelijk aan Hem onderwerpen, als zij Hem liegen, zo als de grondwoorden in Psalm 66:3 eigenlijk luiden, dan werkt dit toch mede tot Zijne eer, en tot de verheerlijking van Zijn naam.
Ten tweede: Waar hij blijft staan. Dit wordt slechts gedaan met zijn mond en zijne lippen. Het is ene vroomheid naar buiten, voor het uitwendige schijnt er veel liefde, maar dat is ook alles, er is gene ware liefde in het hart, zij doen hun stem horen, Jesaja 58:4. Zij vermelden den naam des Heeren, Jesaja 48:1. Geveinsden zijn zij, die van den Godsdienst slechts lippenwerk maken. In hun woorden kunnen de geveinsden wedijveren met de beste heiligen.
Ten derde: Waarin hij te kort komt, en dat is in het voornaamste. Hun hart houdt zich verre van Mij, gewoonlijk en doorlopend van Mij vervreemd, Efeze 4:18. Er zijn gene ernstige gedachten aan God, gene Godvruchtige genegenheden jegens Hem, er is gene bezorgdheid omtrent de ziel en de eeuwigheid, gene gedachten om God te dienen. God is nabij in hun mond, maar verre van hun nieren, Jeremia 12:2. Ezechiël 33:31. Een geveinsde zegt het ene, maar meent het andere. De grote zaak waarop God ziet, en dat Hij eist, is het hart, Prediker 23:26. Indien dat verre van Hem is, dan is ons dienen van God noch redelijk, noch Hem welbehaaglijk, maar het slachtoffer der zotten, Prediker 4:17. In hun voorschriften aan anderen. Dit is een voorbeeld van hun geveinsdheid, dat zij leringen leren die geboden van mensen zijn. Evenals de Papisten van heden ten dage hebben de Joden toen dezelfden eerbied betoond voor de mondelinge overlevering als voor het woord van God, en het met dezelfden vromen eerbied en liefde aangenomen. Als de verzinselen der mensen aan Gods inzettingen worden toegevoegd, dan is dit geveinsdheid en een bloot menselijke godsdienst. Menselijke geboden handelen gevoeglijk over menselijke zaken, maar God wil Zijn werk gedaan hebben naar Zijne eigene regelen, en hetgeen Hij zelf niet heeft geboden neemt Hij niet aan. Dat alleen komt tot Hem, hetwelk van Hem gekomen is. Het oordeel over de geveinsden, dat in weinige woorden is uitgedrukt. Tevergeefs eren zij Mij! Hun aanbidding bereikt het doel niet, waartoe zij was bestemd, zij zal God niet behagen en hun zelven niet nuttig of voordelig zijn. Indien zij niet in geest is, dan is zij ook niet in waarheid, en zo is zij gans en al nietig. Indien iemand godsdienstig schijnt, maar het niet is, dan is zijn godsdienst ijdel, Jakobus 1:26. En indien onze godsdienst een ijdele godsdienst is, hoe groot is dan niet die ijdelheid! Hoe treurig is het te leven in een tijd van gebeden en evangelieprediking, van sabbatten en sacramenten, maar tevergeefs! Met dit alles slechts in de lucht te slaan, en dit is zo als het hart er niet in is met God. Lippenwerk is vergeefs werk, Jesaja 1:11. Geveinsden zaaien den wind, en oogsten storm, zij vertrouwen op ijdelheid, en ijdelheid zal hun loon zijn. Aldus heeft Christus Zijne discipelen gerechtvaardigd in hun ongehoorzaamheid aan de inzettingen der ouden, en dát was het enige, dat de schriftgeleerden en Farizeeën met hun vitterijen hebben verkregen. Wij lezen van geen antwoord hunnerzijds. Indien zij al niet voldaan waren, waren zij toch tot zwijgen gebracht. De kracht, waarmee Christus sprak, hebben zij niet kunnen weerstaan.