33. a) De vreze des HEEREN, de ootmoedige onderwerping van eigen wil aan God en Zijn heilig woord (
Psalm 19:10) is de tucht, die de goddeloosheid der mensen bestraft, die hen tot het licht der hemelse wijsheid heenleidt (
Job 28:12 ;
Hoofdstuk 3:5,
7;
8:13); en b) de nederigheid, het afstand doen van eigene wijsheid, en van het welgevallen aan zijne eigene wegen (
Lukas 1:38) gaat voor de eer, die de wijsheid geeft (
Hoofdstuk 3:16;
8:18).
a) Spreuken 1:7; 9:10. b) Spreuken 18:12.
Wie de hoogte der goddelijke eer wil bestijgen, die zoeke de diepten des ootmoeds. Wie zijnen broeder in de heerlijkheid des hemels wil overtreffen, die overtreffe hem eerst door gehoorzaamheid hier op aarde.
Tot de hoogheid van God komt men door de nederigheid. De ware nederigheid der gelovigen bestaat daarin, dat zij in niets overmoedig zijn, in niets morren, in niets ondankbaar, in niets klagend zijn, maar onder alle bezoekingen God te danken, God te loven, Wiens werken al te maal rechtvaardig en goedertieren zijn.
Voor de nederigen, de waarlijk ootmoedigen is genade weggelegd. Wie met den Apostel de genade heeft ontvangen, om anderen uitnemender te achten dan zich zelven, zal het ook niet ontbreken aan gunst bij God en mensen. Indien dit alles maar wortelt in de vreze Gods, in het dienen en liefhebben van Hem, die mildelijk schenkt en niet verwijt.