Psalm 149:1-5
I. Wij hebben hier de oproep, gericht tot Gods Israël om te loven. In de vorige psalm werden al Zijn werken opgewekt om Hem te loven, maar hier zijn het inzonderheid de heiligen, die daartoe opgeroepen worden. Merk dan op:
1. Wie geroepen worden om God te loven. Israël in het algemeen, het lichaam van de kerk vers 2, de kinderen Zions in het bijzonder, De inwoners van die heilige berg, die nader bij God zijn dan andere Israëlieten, van hen, die het Woord en de inzettingen Gods in hun nabijheid hebben, die er geen verre reizen voor behoeven te doen, wordt met recht verwacht dat zij meer zullen doen in het loven van God dan anderen. Alle ware Christenen kunnen zich kinderen Zions noemen, want in geloof en hoop zijn wij tot de berg Zion gekomen, Hebreeën 12:22. De heiligen moeten God loven, de heiligen in belijdenis, de heiligen in macht, want dat is het doel hunner heiligmaking, zij zijn toegewijd aan de heerlijkheid Gods en vernieuwd door de genade Gods, opdat zij Hem zijn tot een naam en tot lof.
2. Wat het beginsel moet zijn van deze lof, en dat is: heilige blijdschap in God: dat Israël zich verblijde, en de kinderen Zions zich verheugen en Zijn gunstgenoten van vreugde opspringen om die eer. Onze lof van God moet voortkomen uit een hart, dat vervuld is van vreugde en triomf in Gods hoedanigheden en in onze betrekking tot Hem. Veel van de kracht van de Godzaligheid in het hart bestaat daarin, dat wij God tot onze hoogste blijdschap maken, en dat wij ons in Hem vertroosten en verlustigen, en ons geloof in Christus wordt beschreven door onze blijdschap in Hem. Wij geven eer aan God als wij ons in Hem verlustigen. Wij moeten opspringen van vreugde om die eer, ons verblijden in Hem als onze eer, en in het deel, dat wij in Hem hebben, en laat ons het als onze eer beschouwen dat wij tot hen behoren, die zich vermijden in God.
3. Wat de uitdrukkingen moeten wezen van de lof. Wij moeten op iedere geschikte wijze de lof van God verkondigen. Zingt de Heere. Wij moeten er ons mee onderhouden en Zijn naam verkondigen door Hem te psalmzingen, vers 3, te juichen, vers 5, want wij moeten psalmen zingen met ons hart als degenen, die zich dit niet schamen niet alleen, maar er in verruimd zijn. Wij moeten een nieuw lied zingen, nieuw gecomponeerd bij iedere gelegenheid zingen met nieuwe genegenheid, nieuwe aandoening, waardoor het lied nieuw wordt, al is het ook dat de woorden tevoren reeds gebruikt werden. Laat God geloofd worden in de reien, op de trommel en de harp, vers 3, overeenkomstig het zeer oude gebruik in de Oud-Testamentische kerk, Exodus 15:20, waar wij bevinden dat God geloofd werd met trommelen en met reien. Zij, die naar aanleiding daarvan aandringen op muziek bij de Godsverering, moeten dan ook de dans, de reien, invoeren, want die gingen samen, zoals Davids huppelen voor de ark, Richteren 21:21. Maar terwijl vele Schriftuurplaatsen in het Nieuwe Testament het zingen handhaven als een Evangelie-inzetting, is er geen, die muziek en dans voorschrijft of aanbeveelt, de Evangelieregel voor psalmgezang is te zingen met de geest en met het verstand.
4. Welke gelegenheden aangegrepen moeten worden om God te loven, geen ervan moeten wij laten voorbijgaan, maar wij moeten inzonderheid,
a. God loven in het openbaar in de plechtige vergadering, vers 1 in de gemeente van Zijn gunstgenoten, hoe talrijker zij is, hoe beter, dat is meer gelijk aan de hemel. Zo moet Gods naam erkend worden voor de wereld zo moet aan de dienst plechtigheid worden bijgezet, en wij moeten elkaar er toe opwekken. Het beginsel en het doel van ons samenkomen in Godsdienstige vergaderingen is: ons te verenigen in het loven van God. Andere delen van de dienst moeten daartoe leiden.
b. Wij moeten Hem loven in de binnenkamer. Laat de heiligen zo vervoerd zijn van blijdschap in God, dat zij juichen op hun legers, als zij des nachts wakker worden, vol zijnde van de lof van God, zoals David, Psalm 119:62. Als Gods Israël tot een rustige vestiging is gebracht, laat het daar dan met dankbaarheid aan God van genieten, en nog veel meer kunnen ware gelovigen, die ingegaan zijn tot Gods rust en rust vinden in Jezus Christus, hierover juichen van vreugde. Laat hen op hun ziekbed, op hun sterfbed, de lof huns Gods zingen.
II. De reden, aan Gods Israël gegeven om God te loven. Denkt aan:
1. Gods daden voor hen. Zij hebben reden om zich te verblijden in God, om zich toe te wijden aan Zijn eer, bezig te zijn in Zijn dienst, want Hij is het, die hen gemaakt heeft. Hij heeft ons het aanzijn gegeven als mensen, en wij hebben reden om Hem daarvoor te loven, want het is een edel en voortreffelijk bestaan. Hij maakte hen tot hetgeen zij waren, zo verschillend van andere volken, laat dit volk Hem dan loven, want Hij heeft hen voor zich geformeerd, opdat zij Zijn lof zouden vertellen, Jesaja 43:21. Laat Israël zich verblijden in zijn makers, zo is het in het oorspronkelijke, want God zei: Laat ons mensen maken, en hierin is, naar sommigen denken, de verborgenheid van de Drie-eenheid.
2. Gods heerschappij over hen. Dit volgt uit het vorige: als Hij hen gemaakt heeft, dan is Hij hun Koning, Hij, die het aanzijn gaf, kan ongetwijfeld wet geven, en dit moet de stof zijn voor onze blijdschap en lof, -dat wij onder de leiding en bescherming zijn van zo wijs en machtig een Koning. Verheug u zeer, gij dochter Zions, zie, uw Koning zal u komen, de Koning Messias, die God gezalfd heeft over Zion, de berg van Zijn heiligheid. Laat al de kinderen Zions zich in Hem verblijden, en uitgaan om Hem met hun hosanna's te ontmoeten, Zacheria 9:9.
3. Gods verlustiging in hen. Hij is een Koning die heerst door liefde, en dieswege geprezen moet worden, want de Heere heeft een welgevallen aan Zijn volk, aan hun diensten, aan hun voorspoed, aan gemeenschap met hen, en aan de mededelingen van Zijn gunst aan hen. Hij, die oneindig zalig is in de genieting van zichzelf, en aan wiens gelukzaligheid niets toegevoegd kan worden, verwaardigt zich toch genadiglijk om een welgevallen aan Zijn volk te hebben, Psalm 147:11.
4. Gods voornemens betreffende hen. Behalve het tegenwoordig welgevallen, dat Hij aan hen heeft, heeft Hij nog toekomstige heerlijkheid voor hen bereid. Hij zal de zachtmoedigen versieren, de ootmoedigen, de berouwhebbenden die beven voor Zijn Woord en er zich aan onderwerpen, die lijdzaam zijn onder hun beproevingen, en alle zachtmoedigheid bewezen aan alle mensen. Dezen worden door de mensen gehoond en belasterd, maar God zal hen rechtvaardigen, en hun smaad van hen afwissen, Hij zal hen versieren, zij zullen niet alleen blijken rein te wezen, maar schoon en lieflijk voor de ogen van de gehele wereld, door de schoonheid waarmee Hij hen versierd heeft. Hij zal hen versieren met heil, met tijdelijke verlossingen, als God merkwaardige verlossingen werkt voor Zijn volk, worden zij, die nederlagen tussen twee rijen van stenen, als vleugelen van een duif, overdekt met zilver, Psalm 68:14, maar inzonderheid met eeuwig heil. De rechtvaardigen zullen versierd zijn op de dag, wanneer zij zullen blinken als de zon. Laat hen in de hoop hierop ook op de donkerste dag een nieuw lied zingen.