Psalm 148:7-14
Overwegende dat deze aarde en de dampkring, die haar omgeeft, als het bezinksel zijn van het heelal, is het van belang voor ons, om een onderzoek in te stellen naar de overwegingen, die van nut kunnen zijn om ons te verzoenen met onze plaats er op, en ik weet er geen betere reden voor (na die, dat de Zone Gods haar eenmaal bezocht heeft) dan deze dat zelfs in deze wereld, hoe duister en slecht zij ook is, God geloofd wordt, Looft de Heere van de aarde vers 7. Gelijk de stralen van de zon die onmiddellijk van boven neerschieten, teruggekaatst worden van de aarde (hoewel zwakker) zo behoort het ook te wezen met de lofzeggingen van God, waarmee deze koude en verontreinigde aarde verwarmd en doorgeurd wordt.
1. Zelfs de schepselen, die niet met verstandelijke vermogens begaafd zijn, worden opgeroepen om deel te nemen aan dit concert omdat God in hen verheerlijkt kan worden vers 7-10. Laat de walvissen, die spelen in de grote wateren, Psalm 104:26, huppelen voor het aangezicht des Heeren, tot Zijn eer, die in overvloedige mate Zijn almacht bewijst door Zijn heerschappij over de leviathan, of walvis, Job 40:20 en verv. Alle afgronden en hun bewoners loven God, de zee en de dieren, die er in zijn, de ingewanden van de aarde en de dieren, die daar zijn. Uit de diepten kan men God loven, zowel als tot Hem bidden. Als wij opzien in de dampkring, ontmoeten wij er een grote verscheidenheid van luchtverschijnselen, die, daar zij een soort van nieuwe voortbrengselen zien (en sommigen ervan zijn onverklaarbaar) op zeer bijzondere wijze de macht van de grote Schepper verheerlijken. Er zijn vurige luchtverschijnselen, de bliksem is puur, en er zijn andere vlammen, die soms ontstoken worden, en die aldus geroemd kunnen worden. Er zijn waterige luchtverschijnselen, hagel en sneeuw, en de dampen, waaruit zij voortkomen. Er zijn luchtvormige luchtverschijnselen: stormwinden, wij weten niet vanwaar zij komen noch waar zij heengaan, vanwaar hun ontzaglijke kracht is, noch hoe die weer verloren gaat, maar dit weten wij: hoe sterk en hoe stormachtig zij ook zijn: zij doen Gods Woord, doen hetgeen Hij hun gebiedt te doen, en niets meer. En hierdoor heeft Christus getoond Goddelijke macht te bezitten, dat Hij de winden en de zee gebood en zij Hem gehoorzaam waren, Zij, die Gods woord niet willen doen, maar er tegen rebelleren, tonen dat zij geweldiger en hardnekkiger zijn dan zelfs de stormwind, want deze doet het. Beschouwen wij de oppervlakte van de aarde, vers 9, en daar doen zich de hoge gronden voor aan onze ogen, bergen en alle heuvelen, van de naakte toppen van sommige ervan, en de vruchtbare toppen van andere, kunnen wij stof ontlenen om God te loven, daar zijn de verheven planten, sommigen ervan zijn verheven om haar nuttigheid, zoals de verschillende soorten van vruchtbomen, voor welker vruchten God geloofd moet worden, andere om hun statigheid, zoals alle cederbomen, deze bomen des Heeren, Psalm 104:16. De hoge cederbomen zijn geen vruchtbomen, maar ze hadden hun nut, zelfs in Gods tempel. Gaan wij nu over tot het dierenrijk, wij vinden er God verheerlijkt zelfs door de wilde dieren, en alle vee, dat tam is en in de dienst is van de mens, vers 10, ja zelfs het kruipend gedierte is niet zo laag gezonken, noch verheft zich het gevleugeld gevogelte zo hoog, dat het niet opgeroepen zou worden om de Heere te loven. Veel van de wijsheid, macht en goedheid van de Schepper blinkt uit in het vermogen en instinct van de dieren, in de voorziening, die voor hen gemaakt is, en het gebruik, dat er van gemaakt wordt. Als wij dat alles zo verwonderlijk zien en zo goed, dan kunnen wij niet anders dan er God met verwondering en dankbaarheid in erkennen.
2. Veel meer nog behoren de schepselen die met verstandelijke vermogens begaafd en geëerd zijn, die vermogens te gebruiken om God te loven. Koningen van de aarde en alle volken, vers 11, 12. A. In en voor deze moet God verheerlijkt worden, evenals in en voor de mindere schepselen, want hun hart is in de hand des Heeren, en Hij gebruikt het naar het Hem behaagt. God moet geloofd worden in de orde en de staatsinrichting van koninkrijken, het "Pars imperans het deel, dat gebiedt," en het "pars subdita het deel dat onderworpen is," koningen van de aarde en alle volken. Het is door Hem dat koningen regeren en dat volken hun onderworpen zijn, de vorsten en rechters van de aarde hebben hun wijsheid en hun macht van Hem, en wij, voor wie zij een zegen zijn, behoren God voor hen te loven. God moet ook geloofd worden in de inrichting van de gezinnen, want Hij is er de stichter van, en voor al de lieflijkheid van de bloedverwantschap, het genot dat ouders en kinderen, broeders en zusters in elkaar smaken, moet God geloofd worden.
B. God moet door deze verheerlijkt worden. Laat allerlei mensen God loven.
a. Die van iedere rang of klasse, hoog en laag, de lofzeggingen van koningen en vorsten en rechters worden opgebiecht, zij, aan wie God eer heeft gegeven, moeten Hem er mee eren, en de macht, die hun toevertrouwd werd, en het aanzien, dat zij hebben in de wereld, stellen hen in staat om God meer heerlijkheid toe te brengen, meer dienst voor Hem te doen, dan anderen. Maar ook de lofzeggingen van het volk worden verwacht, en God zal ze genadiglijk aannemen, Christus heeft de hosanna's van de menigte niet veracht.
b. Die van iedere sekse, jongelingen en ook maagden, die zich tezamen vrolijk maken, laat hen hun vrolijkheid in dit kanaal leiden, laat hun vrolijkheid gewild zijn, opdat zij rein zij.
c. Die van elke leeftijd, oude lieden moeten die vrucht nog in hun ouderdom voortbrengen, en niet denken dat hetzij de ernst of de zwakheid van hun leeftijd er hen van vrijstelt, en ook kinderen moeten intijds beginnen God te loven, zelfs uit de mond van de jonge kinderen en van de zuigelingen heeft God zich lof toebereid. Er wordt een goede reden gegeven, vers 13, waarom alle deze de naam des Heeren zullen loven, omdat Zijn naam alleen hoog verheven is, en waardig om geloofd te worden, het is een naam boven alle naam, geen naam, geen aard dan de Zijne heeft alle voortreffelijkheid in zich, Zijn majesteit is beide over de aarde en de hemel, laat dan alle inwoners van aarde en hemel Hem loven, en toch erkennen dat Zijn naam ver verheven is boven alle lof en prijs.
3. Het meest van allen moet Zijn eigen volk, dat verwaardigd is met bijzondere voorrechten, Hem op bijzondere wijze eer geven, vers 14.
Merk op:
a. De waardigheid, die God gelegd heeft op Zijn volk, op de kinderen Israëls, als type van de eer, die weggelegd is voor alle gelovigen, die Gods geestelijk Israël zijn. Hij heeft de hoorn zijns volks verhoogd, hun glans, hun overvloed, hun macht doen toenemen. Het volk van Israël was in vele opzichten geëerd boven ieder ander volk, want hunner was de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden Romeinen 9:4. Het was hun eer dat zij een volk waren nabij God, Zijn segullah, Zijn bijzondere schat, zij waren toegelaten in Zijn voorhoven, terwijl een vreemde, die er toe naderde, ter dood gebracht moest worden. Hij was hun nabij in alles, waarvoor zij Hem aanriepen. Deze zegen is thans op de heidenen gekomen door Christus, want zij, die eertijds verre waren, zijn nabij geworden door het bloed van Christus, Efeziers 2:13. Het is de grootste eer, die een mens aangedaan kan worden, om nabij God te worden gebracht, hoe meer nabij hoe beter, en het zal voor allen het beste wezen, als zij het meest nabij zijn in het rijk van de heerlijkheid.
b. De plicht, die God van hun eist uit aanmerking hiervan, laat hen, die door God geëerd worden Hem eren: Looft de Heere. Laat Hem de roem wezen van al Zijn gunstgenoten, het voorwerp van hun lof, want Hij is hun tot een lof. Hij is uw lof en Hij is uw God. Deuteronomium 10:21. Sommigen verstaan door de hoorn Zijns volks David als een type van Christus, die God verhoogd heeft om een vorst en Zaligmaker te zijn, die in werkelijkheid de roem van Zijn heiligen is en het tot in eeuwigheid zal blijven, want het is door Hem dat zij een volk zijn, dat nabij God is.