Psalm 146:5-10
De psalmist had ons gewaarschuwd om niet op prinsen te vertrouwen, omdat wij, zo wij het wel doen, ellendig teleurgesteld zullen worden, hier moedigt hij ons aan om ons vertrouwen te stellen op God, omdat wij, zo wij dit doen, gelukkig en beveiligd zullen zijn. Welgelukzalig is hij, die de God Jakobs tot zijn hulp heeft, die deel heeft in Zijn hoedanigheden en beloften, waardoor God zich verbonden heeft hun te hulp te komen, en wiens verwachting van de Heere zijn God is. Diegenen zullen Hem hebben tot hun hulp:
1. Die Hem aannemen tot hun God, en Hem dienovereenkomstig dienen en aanbidden.
2. Die hun verwachting van Hem hebben en een leven leiden van afhankelijkheid van Hem, die goede gedachten van Hem hebben, zich in Hem bemoedigen als alle andere steunselen falen. Iedere gelovige kan op God zien als de God Jakobs, van de kerk in het algemeen, en daarom kan hij hulp van Hem verwachten met betrekking tot openbare rampen en evenzeer kan hij ook op Hem steunen voor al zijn persoonlijke behoeften en noden. Wij moeten hopen:
a. Op de voorzienigheid Gods voor alle goed, dat wij nodig hebben, en dat betrekking heeft op het tegenwoordige leven.
b. Op de genade van Christus voor alle goed, dat betrekking heeft op het toekomende leven. Hiernaar inzonderheid verwijst de geleerde Dr. Hammond bij dit en de volgende verzen, daar hij van mening is dat het laatste gedeelte van de psalm zeer duidelijk en op merkwaardige wijze heenziet naar Christus, de eeuwige Zoon van God in Zijn vleeswording. Hij citeert een van de rabbijnen, die van vers 10 zegt, dat het tot de dagen van de Messias behoort. En dat dit zo is zal blijken, denkt hij, door vers 7, 8 te vergelijken met de karakterschets, die Christus van de Messias geeft, Mattheus 11:5, 6. De blinden worden ziende en de kreupelen wandelen, en de slotwoorden aldaar: Zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden, kunnen zeer wel ondersteld worden, denkt hij, betrekking te hebben op vers 5, zalig is hij, wiens verwachting op de Heere, zijn God is, en die niet aan Hem geërgerd is.
Beschouwen wij nu de grote sterke bemoedigingen, die ons hier gegeven zijn om te hopen op de Heere, onze God.
1. Hij is de maker van de wereld, en daarom heeft Hij alle macht in zichzelf, en het gebied over de krachten van al de schepselen, die aan Hem ontleend zonde, van Hem afhankelijk zijn, Vers 6. Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat in dezelve is, en daarom is Zijn arm niet verkort, dat Hij niet zou kunnen verlossen. Dit is zeer toepasselijk op Christus, door wie God de wereld gemaakt heeft en zonder wie geen ding gemaakt is, dat gemaakt is. Het is een grote steun voor het geloof dat de Verlosser van de wereld dezelfde is, die er de Schepper van was, en er daarom welwillendheid voor heeft, een volkomen kennis van haar toestand heeft en macht om haar te helpen.
2. Hij is een God van onverbreekbare getrouwheid. Wij kunnen aan op het woord van God, want Hij houdt trouwe in eeuwigheid, en daarom zal geen van Zijn woorden ter aarde vallen, het is waar van den beginne en daarom waar tot het einde. Onze Heere Jezus is de Amen, de getrouwe getuige, zowel als het begin, de werker en het beginsel van de schepping Gods, Openbaring 3:14. Het bewaren tot in eeuwigheid van Gods waarheid is Hem overgegeven, want alle beloften zijn in Hem ja en amen.
3. Hij is de beschermer van de benadeelde onschuld, Hij staat de zaak voor van de verdrukten, en zoals wij het lezen Hij oefent gerechtigheid voor hen. Hij doet dit dikwijls in Zijn voorzienigheid recht doende aan hen, aan wie onrecht gedaan werd, en hun oprechtheid in het licht stellende, dat zal Hij doen in het oordeel van de grote dag. De Messias is gekomen om de kinderen van de mensen te verlossen uit de handen van Satan, de grote verdrukker, en, al het oordeel Hem overgegeven zijnde, is ook het gericht houden over de vervolgers daarin begrepen.
4. Hij is een milddadige weldoener voor de nooddruftigen, Hij geeft de hongerigen brood: dat doet God op de gewone wijze om te voldoen aan het verlangen van de natuur, dat heeft Hij soms op buitengewone wijze gedaan, zoals toen de raven Elia hebben gevoed, dat heeft Christus meer dan eens gedaan, als Hij op wonderdadige wijze duizenden gevoed heeft met hetgeen slechts voor een of twee maaltijden bestemd was voor Zijn eigen gezin. Dit moedigt ons aan om te hopen op Hem als de spijziger van onze ziel met het brood des levens.
5. Hij is de bewerker van de vrijheid van hen, die gebonden waren, de Heere maakt de gevangenen los. Hij heeft Israël uitgevoerd uit het diensthuis van Egypte en naderhand uit Babel. De wonderen, door Christus gewrocht door de stommen te doen spreken, de doven te doen horen, door dat ene woord Effatha, word geopend, zijn reinigen van melaatsen, waardoor Hij hen ontsloeg uit hun opsluiting, en Zijn opwekken van de doden uit hun graven, kunnen alle begrepen zijn in dit losmaken van de gevangenen, en daardoor kunnen wij aangemoedigd zijn om op Hem te hopen voor die geestelijke vrijheid, om welke uit te roepen Hij gekomen is, Jesaja 61:1, 2.
6. Hij geeft het gezicht aan hen, die er lang beroofd van zijn geweest. De Heere kan de ogen van de blinden openen, en heeft dikwijls aan Zijn beproefd volk de vertroosting te zien gegeven, die zij tevoren niet bespeurd hadden, getuige Genesis 21:19, en de dienaar van de profeet, 2 Koningen 6:17. Maar dit ziet zeer bijzonder op Christus, want van alle eeuw is het niet gehoord dat iemand eens blindgeborenen ogen geopend heeft, Johannes 9:32, voordat Christus het gedaan heeft, en ons daardoor aangemoedigd heeft om te hopen op geestelijke verlichting.
7. Hij maakt recht wat krom was, en geeft verademing aan hen, die in moeite waren en op het punt van te bezwijken, de Heere richt de gebogenen op, door hen te vertroosten en te ondersteunen onder hun lasten, en ter bestemder tijd neemt Hij de lasten van hen weg. Dit werd letterlijk vervuld door Christus, toen Hij een arme vrouw, die samengebogen was en zich ganselijk niet kon oprichten, van haar ziekte verlost heeft Lukas 13, 11, 12. En Hij doet dit nog door Zijn genade, rust gevende aan hen, die vermoeid en belast zijn, en door Zijn vertroostingen diegenen oprichtende, die door overtuiging van zonde vernederd en ternedergebogen waren.
8. Hij is voortdurend vriendelijk voor alle Godvruchtigen. De Heere heeft de rechtvaardigen lief, en zij kunnen met te meer vertrouwen rekenen op Zijn macht, als zij zeker zijn van Zijn liefde. Onze Heere Jezus toonde Zijn liefde voor de rechtvaardigen door alle gerechtigheid voor hen te vervullen. 9. Hij heeft een tedere belangstelling in hen, die zeer bijzonder Zijn zorg behoeven, de Heere bewaart de vreemdelingen.
a. Het moet niet onopgemerkt blijven, dat de naam Jehovah hier in vijf zinsneden vijf maal herhaald wordt om te kennen te geven, dat het een almachtige kracht is de kracht van Jehovah die aangewend wordt tot hulp van de verdrukten, en dat het evenzeer tot eer en heerlijkheid Gods is om de ellendigen te helpen en te ondersteunen, als om door Zijn naam Jah, op de hemelen te rijden, Psalm 68:5. Vreemdelingen zijn aan gevaar blootgesteld, en gewoonlijk hebben zij geen vrienden, maar de Heere bewaart hen, opdat zij niet ternedergeworpen en in het verderf worden gestort. Menig arm vreemdeling heeft het voordeel van de Goddelijke bescherming genoten en is er in het leven door gebleven.
b. Weduwen en wezen, die het hoofd van hun gezin verloren hebben, dat er zorg voor droeg, vallen dikwijls in de handen van hen die een prooi van hen maken, hun geen recht willen doen, hun onrecht doen, maar de Heere houdt hen staande, en verwekt hun vrienden, zie Exodus 22:22, 23. Onze Heere Jezus is in de wereld gekomen om de hulpelozen te helpen, heidenen, vreemdelingen in Zijn koninkrijk te ontvangen en opdat arme zondaren, die als wezen zijn bij Hem ontfermd worden, Hosea 1-4:4.
10. Hij zal verschijnen ter verwoesting van allen, die Zijn koninkrijk tegenstaan en er de getrouwe onderdanen van onderdrukken. Der goddelozen weg keert Hij om. Laat ons daarom hopen op Hem, en de grimmigheid des benauwers niet vrezen, alsof hij reeds gereed was om te verderven. Het is de heerlijkheid van de Messias dat Hij al de raadslagen van hel en aarde zal omkeren, die strijden tegen Zijn kerk, zodat wij, Hem voor ons hebbende, niets van hetgeen tegen ons gedaan kan worden behoeven te vrezen.
11. Zijn koninkrijk zal voortduren door al de wentelingen des tijds tot aan de uiterste eeuwen der eeuwigheid, vers 10. Laat dit ons aanmoedigen om ten allen tijde op God te vertrouwen, dat de Heere in eeuwigheid zal regeren ten spijt van al de boosaardigheid van de machten van de duisternis, uw God, o Zion, is van geslacht tot geslacht. Christus is tot Koning gesteld over de heilige berg Zion, en Zijn koninkrijk zal in eindeloze heerlijkheid blijven bestaan. Het is een onuitsprekelijke troost, dat de Heere regeert als Zions God, als Zions Koning, dat de Messias aan de gemeente gegeven is tot een Hoofd boven alle dingen, en dit blijven zal zolang de wereld bestaat.